11 Wet kiescollege niet-ingezetenen

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van de Kieswet ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege (Wet kiescollege niet-ingezetenen) ( 36071 ).

De voorzitter:

Thans is aan de orde de behandeling van het wetsvoorstel 36071, Regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van de Kieswet ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege, kortweg de Wet kiescollege niet-ingezetenen.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van der Linden namens de Fractie-Nanninga.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Voorzitter, dank u wel. Mijn fractie heeft bij deze wijziging van de Kieswet drie kanttekeningen. De eerste is constitutioneel van aard, de tweede gaat over de timing van deze wet en de derde gaat over rechtvaardigheid.

Ik begin met de constitutionele kanttekening. We hebben het debat daarover al uitgebreid gevoerd. We gaan nu op twee manieren de Eerste Kamer kiezen: deels direct, deels indirect, voor de ene getrapt en voor de andere niet. Wij vinden dat een constructiefout, maar die discussie hebben we al gevoerd met elkaar bij de behandeling van de grondwetswijziging. Het gaat nu om de wet die het kiescollege voor de buitenlandse stemmers regelt.

Dat brengt me bij de tweede kanttekening: de timing. We behandelen deze wet met stoom en kokend water. Deze wetswijziging heeft direct gevolgen voor de verkiezing van de Eerste Kamer over vijf maanden. Vlak voor de verkiezingen de Kieswet wijzigen, gebeurt zelden. Landen die dat doen, kunnen normaal gesproken ook rekenen op forse internationale kritiek. Het is namelijk in strijd met internationale standaarden. Standaarden, waar ook Nederland zich aan committeert, in dit geval de standaarden van de Venetiëcommissie. Om precies te zijn: artikel 2b, hoofdstuk 2, uit de Code of Good Practice in Electoral Matters. Dit artikel luidt als volgt: The fundamental elements of electoral law, in particular the electoral system proper, membership of electoral commissions and the drawing of constituency boundaries, should not be open to amendment less than one year before an election, or should be written in the constitution or at a level higher than ordinary law. Dus geen wezenlijke wijzigingen in het jaar voor verkiezingen.

Ik heb de volgende vragen aan de minister. Eén. Kan zij aangeven waarom zij het wel een goed idee vindt dat wij deze wijziging van de Kieswet vlak voor de verkiezingen behandelen? Twee. Wat vindt de minister ervan dat we hiermee handelen in strijd met internationale afspraken? De reden dat je de Kieswet niet vlak voor de verkiezingen wijzigt, is natuurlijk omdat je dan direct kunt zien wie voordeel heeft bij zo'n wetswijziging. Dat is namelijk vrij goed te onderzoeken, te peilen en te analyseren, zo dicht op verkiezingen. Kan de minister de meest actuele informatie verstrekken? Eén. Kan ze dat doen over het aantal zetels dat, als deze wet wordt aangenomen en direct wordt uitgevoerd, naar verwachting bij de komende Eerste Kamerverkiezingen wordt verkozen door de kiezers uit het buitenland? Twee. Welke partijen profiteren volgens haar, naar de bij haar bekende analyses, naar verwachting van? Wat is de informatie die de minister daarvan heeft op basis van onderzoek, analyses, peilingen en dergelijke? Hoeveel zetels en welke partijen?

Dan kom ik bij de derde kanttekening: de rechtvaardigheid. Volgens onze analyse is het in de nieuwe Kieswet zo ingericht dat de stem van een Nederlander in het buitenland twee tot drie keer zo zwaar meetelt als de stem van een inwoner in Nederland. Ik ga niet in op de details, maar dat is onze analyse. Graag zou ik van de minister willen weten of zij de analyse van de stemzwaarte deelt. Als zij die bestrijdt, horen we ook graag hoe die verhouding volgens de minister dan is. Het mag duidelijk zijn dat wij een verhouding waarbij een stem uit het buitenland uiteindelijk twee tot drie keer zwaarder zou wegen dan een stem in Nederland, onrechtvaardig vinden. Wij zien uit naar de beantwoording.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb een vraag aan de heer Van der Linden. Het is een interessante vraag, de vraag over de Venetiëcommissie. Ik wacht met belangstelling het antwoord af. Maar ik vroeg me eigenlijk af waarom de Fractie-Nanninga niet aan de schriftelijke voorbereiding heeft meegedaan, zodat wij allemaal die vragen en de antwoorden daarop hadden kunnen lezen. Waarom komt u daar nu pas mee?

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Ik heb daar geen heel duidelijk antwoord op. We behandelen hier een aantal wetsvoorstellen. We hebben dit voorbereid en deze analyse gemaakt. Ik stel dat hier aan de orde. Maar ik ben wel benieuwd naar het oordeel van de D66-fractie over deze vraag, omdat u staatsrechtelijk de argumenten ook serieus neemt. Ik ben dus zeer benieuwd naar uw beantwoording straks.

De heer Dittrich (D66):

Ik vroeg het eigenlijk in het kader van de zorgvuldigheid van het wetgevingsproces. Het is handig om juist de schriftelijke voorbereidingen goed te doen, zodat we hier een plenaire afronding kunnen hebben. Nu komt u met in mijn ogen iets substantieels. Daar had ik graag van tevoren over willen nadenken.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Ik neem die aanbeveling ter harte voor de volgende keer.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik wil nog even interrumperen naar aanleiding van de vraag van de heer Dittrich. De zorgvuldigheid van het wetgevingsproces is juist iets wat ik in de commissie nadrukkelijk naar voren heb gebracht. Ik heb gezegd dat we dit voorstel niet halsoverkop, onder stoom en kokend water moeten behandelen en dat we er nog een tweede schriftelijke termijn aan moeten wijden. Mijn vraag aan de heer Van der Linde is of hij zich in de voorbereiding tekortgedaan voelt, doordat hij geen tweede kans heeft gehad om in een tweede termijn schriftelijke vragen te stellen aan de minister.

De voorzitter:

Het lijkt me enigszins buiten de orde.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

De heer Van Hattem raakt wel een goed punt. Hij heeft inderdaad in de commissie gevraagd waarom dit zo snel moest, omdat hij nog een aantal vragen had. We hebben wel in meerderheid met elkaar gezegd: laten we dit snel doen, vanwege de invoeringsdatum. Dat gaat wel ten koste van uitgebreide en zorgvuldige voorbereidingstijd. Het gevolg is dat je meer vragen in het plenaire debat aan de orde kunt stellen. Dat gebeurt dan ook.

De voorzitter:

Het is een commissiebesluit dat we hier staan vanavond. De heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

De heer Dittrich spreekt over de zorgvuldigheid die voorop moet staan. Zou het niet iets zorgvuldiger zijn geweest als we er wat meer tijd voor hadden genomen en de schriftelijke behandeling ruimer ter hand hadden genomen, zodat we in dit debat deze discussie niet hadden hoeven te voeren?

De voorzitter:

Nee, want dan gaan we een discussie overdoen die in de commissie thuishoort. Die discussie heeft al plaatsgevonden. Daar is als commissiebesluit uitgekomen mij te adviseren om vanavond het debat te plannen. Dat heb ik gedaan. We gaan dat niet terugroepen.

Dank u wel, meneer Van der Linden. Het woord is aan de heer Ganzevoort, namens GroenLinks.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. 3,1415927: u zult het direct herkennen. Het is niet de correctiefactor van Simon Otjes, die in dit wetsvoorstel een belangrijke rol speelt, maar het getal pi. Het getal pi is de crux van het wiskundige probleem van de kwadratuur van de cirkel. Als je een cirkel hebt met een bepaald oppervlak, kun je dan met een liniaal en een passer een vierkant maken met precies datzelfde oppervlak? Meer dan twintig eeuwen debatteerden wiskundigen hierover, om uiteindelijk te concluderen dat het onmogelijk is, omdat "het getal pi een irrationeel, transcendent getal is". Ik bedenk het niet zelf.

De kwadratuur van een cirkel is een mooi beeld van de puzzel die centraal staat bij dit wetsvoorstel. Het uitgangspunt is niet zo ingewikkeld. Het is een goede zaak als Nederlanders die in het buitenland wonen invloed kunnen hebben op de samenstelling van de Staten-Generaal, omdat de wetten die wij aannemen ook invloed op hen hebben. Dat was voor de Tweede Kamer redelijk eenvoudig te regelen, omdat daar alle kiesgerechtigden mogen stemmen, op een specifieke groep na, waar ik nog op terugkom. Voor de Eerste Kamer ligt het ingewikkelder, door de getrapte verkiezing. Ik weet dat het niet indirect is, maar wel getrapt. Daar ontstond het probleem van de cirkel en het vierkant: de twee manieren van stemmen, waar ook de heer Van der Linden het over had. We hebben hierover gedebatteerd bij de grondwetsherziening in eerste lezing, met de voorgangster van de huidige minister. Toen hebben we het probleem op tafel gelegd dat bij de verkiezing door de leden van Provinciale Staten en van de kiescolleges Caribisch Nederland het aantal kiesgerechtigden en het aantal inwoners op een vergelijkbare manier een rol spelen. Daardoor is de invloed van een individuele stem op de samenstelling van de Eerste Kamer ook vergelijkbaar. Maar die systematiek gaat niet meer op voor Nederlanders die in het buitenland wonen. Er is geen sluitende registratie van kiesgerechtigden. Er is geen logische verhouding tot het aantal inwoners. En dus is er geen sluitende berekening te maken, die leidt tot een gelijke stemwaarde voor ingezetenen en niet-ingezetenen.

In dat debat heeft de minister mij toegezegd te onderzoeken hoe de evenredigheid van de stemwaarde kan worden geoptimaliseerd. Het doet mijn fractie goed te zien dat de minister dat inderdaad gedaan heeft. De analyse van Simon Otjes heeft op een goede manier geobjectiveerd wat er op het spel staat en hoe je dat kunt oplossen. Het nodigt natuurlijk uit om door te puzzelen, bijvoorbeeld over de vraag of het aantal kiesgerechtigden zou moeten meewegen in plaats van het aantal geregistreerde kiesgerechtigden. Eigenlijk zijn al dat soort alternatieven niet zo heel belangrijk meer, nu er een model voorligt dat ervoor zorgt dat de impact van elke afzonderlijke stem van ingezetenen en niet-ingezetenen ongeveer gelijk is.

Voorzitter. Wij hebben geen liniaal en passer, en de cirkel en het vierkant zijn niet tot elkaar te herleiden. Net zo is het instellen van een kiescollege van niet-ingezetenen geen oplossing voor het principiële verschil tussen de positie van kiesgerechtigde inwoners en kiesgerechtigden in het buitenland. Maar de verschillen zijn wel zorgvuldig verwerkt in het voorliggende voorstel. Er is een evenredigheid aangebracht. Daarom zal mijn fractie het voorstel steunen, net zoals wij de grondwetswijziging hebben gesteund die hier wordt uitgewerkt.

Maar op één punt blijft onze onvrede bestaan. De ongelijke behandeling van Nederlanders in het Caribisch deel van het Koninkrijk is er nog steeds. Die wordt in deze wetswijziging voortgezet, ook al, zo was de eerdere redenering, omdat het anders ook zou moeten worden aangepast voor de Tweede Kamer. Die lijn wordt hier gevolgd. Uiteindelijk gaat die discussie over het democratisch deficit van het hele Koninkrijk. Die gaat niet alleen over het kiescollege Eerste Kamer, maar over veel meer. Maar het ongemak blijft dat de Nederlandse volksvertegenwoordiging nu wordt samengesteld door alle Nederlanders, of ze nu in Europees Nederland wonen, of in Caribisch Nederland, of in Madagaskar, Malawi, Malediven, Mali, Malta, Marokko, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Mexico — u snapt wat ik bedoel — maar niet, als enige niet, door Nederlanders die wonen op Aruba, Curaçao of Sint-Maarten.

Voorzitter. Dat ongemak vraagt nadere bezinning, zeker omdat ten aanzien van de verhoudingen binnen ons Koninkrijk toch al, en niet ten onrechte, het gevoel bestaat dat Nederland alles bepaalt en dat de stem van Nederlanders in het Caribisch deel van het Koninkrijk nauwelijks telt. We begrijpen dat die discussie te groot is voor dit wetsvoorstel, maar ik moet deze hartenkreet wel echt kwijt. Ik hoop dat de minister de noodzaak van die fundamentele bezinning op het democratisch tekort ook ziet en dat ze bereid is om het gesprek daarover in Koninkrijksverband verder te brengen. Dan gaat het niet alleen over vertegenwoordiging van de landen bij de behandeling van rijkswetten, zoals de regering al wil gaan voorstellen, maar om het bredere punt dat ik hier maak: dat Nederlanders die in het Caribisch deel van het Koninkrijk wonen, als enigen van alle Nederlanders geen invloed hebben op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging.

Voorzitter. Als wij het principiële probleem van de cirkel en het vierkant pragmatisch kunnen oplossen, dan moet het toch ook lukken met de driehoek Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Ik zie uit naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ganzevoort. Dan is het woord aan de heer Dittrich namens D66.

De heer Dittrich (D66):

Dank, voorzitter. Wij hebben tijdens de behandeling van de grondwetswijziging uitvoerig over het onderwerp gesproken. Nu ligt de uitvoeringswet voor. Ik heb nog een aantal vragen aan de minister.

De eerste is: op welke wijze worden de ervaringen van Nederlanders in het buitenland en van de politieke partijen die de kandidaatstelling moeten organiseren, meegenomen in de evaluatie die de minister voorstelt? Krijgt de Eerste Kamer de evaluatieopdracht tijdig te zien, zodat we eventueel daar onze invloed op kunnen uitoefenen?

Een tweede vraag die ik heb, is: hoe gaat de campagne van de overheid eruitzien om Nederlanders in het buitenland zich voor deze verkiezing te laten registreren? Veel van de Nederlanders zullen waarschijnlijk denken: ik heb me al een keer laten registreren. Maar voor de verkiezing van het kiescollege zullen ze zich opnieuw specifiek moeten registreren. Daar is dus heldere en herhaaldelijke taal voor nodig. Mijn vraag is dan ook: spelen de diplomatieke posten en de honorair consuls een rol in het bereiken van de Nederlanders in het buitenland?

Voorzitter. Er is in de schriftelijke voorbereiding veel gezegd over stemwaarden en een correctiefactor. Kortheidshalve kan ik zeggen dat de fractie van D66 het standpunt van de regering daarover deelt. Wij vinden het belangrijk dat het briefstemmen vanuit het buitenland soepel verloopt. De minister heeft ons in de schriftelijke voorbereiding geantwoord hoe de gemeente Den Haag, die op basis van de Kieswet verantwoordelijk is voor de permanente registratie en de organisatie van deze verkiezingen, met de Nederlandse kiezers in het buitenland gaat communiceren. Wij gaan ervan uit dat dat goed zal verlopen, maar het roept wel de vraag op of er een soort loket is bij de gemeente Den Haag dat tijdens het proces op tijd kan bijsturen, als er bijvoorbeeld dingen misgaan en stembescheiden niet op tijd komen of als er problemen zijn met de diplomatieke post.

Voorzitter. Wij zijn ook blij dat de kiezers in het buitenland het stembiljet per e-mail kunnen ontvangen, tenzij de kiezer heeft aangegeven dat per post te willen ontvangen of als er geen e-mailadres bekend is. Wij steunen het feit dat de kiezers in het buitenland per brief stemmen. Het is jammer — ik zeg het toch nog maar een keer — dat elektronisch stemmen nog steeds te risicovol is, maar dat is nu eenmaal zo. We hopen wel dat daar in de toekomst verandering in kan komen.

Tot slot, voorzitter. Wij snappen dat er voor een hybride systeem gekozen is wat betreft het kiescollege. Men moet fysiek bij elkaar komen wanneer er echt gestemd wordt over de Eerste Kamer, maar andere vergaderingen van het kiescollege kunnen elektronisch plaatsvinden. Die vergaderingen zijn ook openbaar en via een liveverbinding te volgen, want zo is de transparantie gewaarborgd. In de evaluatie zullen we zien hoe alles verlopen is. Er zullen ongetwijfeld nog weleens wat kinken in de kabel zijn, maar daar zullen we in de evaluatie van kunnen leren om het voor volgende verkiezingen beter te doen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is het woord aan de heer Koole namens de fractie van de Partij van de Arbeid.

De heer Koole (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. We behandelen dit wetsvoorstel snel in verband met de komende Eerste Kamerverkiezingen, maar toch, meen ik, gebeurt het zorgvuldig. De heer Van der Linden heeft er zojuist een opmerking over gemaakt en noemde ook de Venice Commission. In vervolg daarop heb ik een vraag aan de minister. Dit is een uitvoeringswet en we hebben al uitvoerig gesproken over de grondwetswijziging over dit onderwerp. Volgens de Venice Commission mag het niet binnen een jaar voor de verkiezingen. Maar we zijn al meer dan drie jaar daaraan voorafgaande bezig, dus niemand wordt overvallen door dit wetsvoorstel. Komt dat niet voor een deel tegemoet aan het commentaar en de kritiek van de heer Van der Linden? Maar goed, zorgvuldigheid moet natuurlijk, zeker in deze Kamer, want het gaat om verkiezingen voor de Eerste Kamer.

De heer Schalk (SGP):

Er wordt een argument ingebracht dat bij mij wel tot wat vragen leidt. Met sommige wetten zijn we wel tien, vijftien jaar bezig. Dan kun je toch niet zeggen: we weten allang dat die wet eraan komt? Op het moment dat een wet werkelijkheid wordt, gaat die pas gelden. Dat is één. Dat is een constatering, maar die koppel ik aan een vraag. De minister heeft bij de grondwetsbehandeling heel nadrukkelijk aangegeven dat ze niet zag dat we deze wet nog in uitvoering kunnen brengen voor de komende verkiezingen. Dat is nu plotseling veranderd. Dat maakt het toch heel ingewikkeld om een goede uitvoering te krijgen?

De heer Koole (PvdA):

Mijn opmerking plaatste ik naar aanleiding van de opmerking van de heer Van der Linden, die de Venice Commission noemde. Ik heb een vraag gesteld aan de minister of je in de beantwoording van de vraag van Van der Linden niet ook moet meewegen dat we het hier hebben over een uitvoeringswet van een grondwetswijziging waarover we al jaren hebben gesproken. Ook bij die grondwetswijziging spraken we al behoorlijk over de uitvoering, maar uiteindelijk is dat terechtgekomen in deze wet. De minister heeft aangegeven dat dat zorgvuldig kan en dat het ook nuttig is om dat zo spoedig mogelijk te doen, mits die zorgvuldigheid gegarandeerd is. Ik zie geen bezwaar om dat op deze manier te doen, dus ik begrijp de opmerking van de heer Schalk niet helemaal.

De heer Schalk (SGP):

Er is klip-en-klaar door de minister aangegeven tijdens de behandeling dat er minstens zes maanden nodig waren. Ik zal er zo meteen in mijn eigen termijn op terugkomen, maar dat is eigenlijk de achtergrond van mijn vraag. De minister geeft aan: ik heb zes maanden nodig. Dat is nu nog maar vijf maanden. Dan ben je toch bezig om het ingewikkeld te maken voor de partijen om dit op een goede manier in te richten?

De heer Koole (PvdA):

Dat zou de minister moeten beantwoorden. De minister kan voortschrijdend inzicht hebben, maar het is aan de minister om dit te beantwoorden. Daar ga ik niet over.

Het is belangrijk om het zorgvuldig te doen. Ik verwacht niet gelijk dat de uitslag van de verkiezingen van de Eerste Kamer door dit wetsvoorstel grondig zal veranderen. Toch is dit een principieel wetsvoorstel. Nederlanders die geen ingezetenen zijn, kunnen nu ook hun stem, zij het indirect, uitbrengen voor de verkiezingen van de leden van de Eerste Kamer. Ze konden dat al voor de Tweede Kamer, maar met dit voorstel krijgen zij deze mogelijkheid ook voor deze Kamer.

Daarvoor is de instelling van een speciaal kiescollege nodig. Tijdens de behandeling in de eerste lezing van het hierop gerichte grondwetsvoorstel en bij de behandeling van voorliggend voorstel in de Tweede Kamer en bij de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer is al veel gezegd over de omvang van het kiescollege en over de manier waarop de stemwaarde wordt bepaald. Dat heeft ertoe geleid dat het oorspronkelijke voorstel is aangepast, door een correctiefactor toe te passen die ervoor zorgt dat de stemimpact die een individuele kiezer buiten Nederland heeft vergelijkbaar is met die van een individuele kiezer in de provincie. Het doet mij deugd als emeritus Leids hoogleraar politieke wetenschappen dat dit probleem is opgelost door een oud-student en voormalig collega: Simon Otjes. Ik ga deze correctiefactor dan ook niet in twijfel trekken.

Wel wil ik de regering vragen nog eens de keuze te beargumenteren om de stemwaarde te koppelen aan de geregistreerde kiesgerechtigde, verhoogd met de genoemde correctiefactor. In het nadere rapport zegt de regering dat haar keuze in lijn is met de systematiek bij de provincies, waarbij de stemwaarde gekoppeld is aan de groep mensen die de Provinciale Staten beoogt te vertegenwoordigen: de inwoners. Maar het zou bij Nederlanders in het buitenland inderdaad raar zijn om de inwoners van de rest van de wereld te beschouwen als de groep die vertegenwoordigd moet worden. Het blijkt onmogelijk om het aantal in het buitenland woonachtige Nederlanders te achterhalen.

Je moet dus wat. Daarom is in dit wetsvoorstel gekozen voor in het buitenland wonende speciaal geregistreerde kiezers. Is de minister het met mij eens dat dit toch iets anders is dan het aantal inwoners? In een provincie is het aantal geregistreerde kiesgerechtigden immers niet gelijk aan het aantal inwoners; vandaar die correctiefactor. Rekenkundig is het begrijpelijk, maar de regering wijkt daarmee af van het advies van de Kiesraad. Die pleitte ervoor om zowel bij de Provinciale Staten als bij het kiescollege het aantal kiesgerechtigden als uitgangspunt te nemen voor de stemwaarde, en daarmee de gelijkheid van kiezers te bevorderen.

De regering beroept zich daarbij op het karakter van de Eerste Kamerverkiezing. Voldoen aan de suggestie van de Kiesraad zou volgens de memorie van toelichting een fundamentele discussie vereisen over dat karakter van de Eerste Kamerverkiezingen. Wij als Eerste Kamerleden worden namelijk niet indirect gekozen door de kiezers. Ik moest daar ook even naar kijken. Wij worden niet indirect gekozen door de kiezers, maar direct door de leden van de Provinciale-Staten, aldus de regering. Omdat dat zo is, is het inwonertal en niet het aantal kiesgerechtigden bepalend voor de stemwaarde.

Is de regering het met de leden van de PvdA eens dat in het voorliggende wetsvoorstel, weliswaar noodgedwongen, wordt afgeweken van het inwonerscriterium? Is de regering het met ons eens dat een hoogverheven beroep op het karakter van de Eerste Kamerverkiezingen daarom eigenlijk niet toepasselijk is? Is hier niet eerder sprake van een pragmatische oplossing? Tot nu toe baseerden we de stemwaarde op het inwonertal. Het gecorrigeerde gewicht van het aantal geregistreerde kiezers komt daar gewoon het dichtst bij in de buurt. Heel pragmatisch. Dat kan ik billijken.

Voorzitter, tot slot. De regering zegt dat het staand beleid is dat elke verkiezing door het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt geëvalueerd en dat het advies van de Kiesraad daarbij een belangrijke rol speelt. Wordt in de evaluatie ook het argument van de gelijkheid van kiezers meegenomen, dat door het eerdere advies van de Kiesraad zo centraal werd geacht?

De leden van mijn fractie zien uit naar de beantwoording door de regering.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koole.

Dan is het woord aan de heer Schalk van de SGP.

De heer Schalk (SGP):

Voorzitter. De minister had geen beter moment kunnen kiezen om 11 oktober als een soort laatste datum aan te reiken voor een debat over deze wet, juist nu we twee weken achter elkaar hebben gedebatteerd over het belang van zorgvuldige wetgeving. We hebben gedebatteerd over wetgeving die onder plotselinge druk even snel moest worden afgehandeld. We hebben gedebatteerd over wetgeving die geen recht doet aan de drie elementen waar de Eerste Kamer op zou moeten letten: rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Allereerst rechtmatigheid. Het blijft wringen dat niet-ingezetenen van Nederland invloed krijgen op de verkiezing van de Eerste Kamer, en wel omdat zij geen ingezetenen zijn van een provincie, terwijl het de provincies zijn die de Eerste Kamer moeten kiezen. De gekunstelde constructie die in feite een buitenlandse provincie creëert van de hele wereld minus Nederland, is naar de smaak van de SGP onjuist en onrechtmatig. Helaas heeft de Eerste Kamer als medewetgever ingestemd met de grondwetswijziging die dit mogelijk maakt.

Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. Tijdens de behandeling van de grondwetswijziging op 28 juni heeft de minister klip-en-klaar gezegd dat invoering van de mogelijkheid van een kiescollege niet meer haalbaar zou zijn voor de komende verkiezingen van 15 maart 2023. Dat zou de zorgvuldigheid in de weg staan. Ik citeer uit de beantwoording van de minister: "Voorzitter. Ik heb aan de mensen die straks betrokken zijn bij de oprichting van het kiescollege echt indringend gevraagd of het niet later kan, bijvoorbeeld 1 oktober, en of er per se halverwege september duidelijkheid moet zijn. Er wordt heel nadrukkelijk aangegeven dat het noodzakelijk is dat er halverwege september duidelijkheid is of de onderliggende wetgeving voor het kiescollege wel of niet is aangenomen. Ze hebben die tijd echt nodig. Ik wil dan ook niet in deze zaal zeggen dat ik 1 oktober goedvind, want als ik er nadrukkelijk een paar keer naar heb gevraagd en ambtelijk gezegd wordt dat voor de uitvoerbaarheid die tijd echt nodig is, dan vind ik dat ik dat ook aan deze Kamer moet zeggen. We hebben eerder op andere vlakken gezien dat we de uitvoerbaarheid niet moeten onderschatten." Een glashelder betoog, zou ik zeggen. Dat betekent dat alle politieke partijen ervan uit konden gaan dat er ongeveer vier jaar de tijd zou zijn voordat er een invoeringswet zou komen en zij de nodige stappen zouden moeten zetten om de verantwoordelijkheid van hun partij te nemen om kandidaten te benaderen en kieslijsten op te stellen voor verkiezingen. De regering heeft natuurlijk een inspanningsverplichting om kiezers te informeren over het nieuwe kiescollege niet-ingezetenen en hen ook te wijzen op de mogelijkheid zich te kandideren.

Uiteraard zou de minister kunnen tegenwerpen dat zij meteen hadden kunnen beginnen nadat wij op 5 juli gestemd hadden. Maar daar zijn twee tegenwerpingen op te maken. Eén. Die invoeringswet was er niet, dus waarom zouden ze het nu al moeten gaan uitvoeren? Twee. Net na de behandeling in deze Kamer begon het zomerreces, en logischerwijs hebben veel politieke partijen dat uitvoerende werk toen niet direct opgepakt. Nu heb ik begrepen dat de gemeente Den Haag met voortvarendheid voorbereidende werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar dat kan toch geen reden zijn om de toezegging van de minister om te zetten in juist het tegenovergestelde beleid, namelijk om dit er nog even snel doorheen te brengen?

Voorzitter. Dáár maakt mijn fractie ernstig bezwaar tegen. Nogmaals, juist de afgelopen weken hebben we hele dagen aan zelfreflectie gedaan op ons functioneren in de toeslagenaffaire. Daarbij is duidelijk geworden dat deze Kamer in ieder geval assertiever zou moeten zijn als de uitvoerbaarheid in het geding is.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb het gevoel dat de heer Schalk toch iets overslaat. Dat is de brief die de minister ons heeft gestuurd op ik meen 31 augustus, waarin staat dat nadere beoordeling met zich meebrengt dat behandeling van het wetsvoorstel op 11 oktober — dat is vandaag — nog tijdig genoeg is. Ik vind dat u dat eigenlijk ook zou moeten melden in uw afweging of het allemaal te snel gaat of niet.

De heer Schalk (SGP):

Dat is natuurlijk een terecht punt van de heer Dittrich. Ik heb die brief natuurlijk ook met belangstelling ontvangen. De eerste de beste mogelijkheid dat ik iets met die brief kon doen, was bij de behandeling in de commissie. Anderen hadden misschien niet meegedaan, maar ik wél. Ik heb ook deze vraag op dat moment voorgelegd aan de minister, maar ik heb daar niet een heel afdoende antwoord op gekregen. Vandaar dat ik die vraag hiér, in deze Kamer, nog maar een keer plenair stel. Bovendien heb ik er in de afgelopen weken, toen we dat afhandelden in de commissie — ik weet niet meer precies wanneer het was — ook op gewezen dat ik dit een belangrijk punt vind. Vandaar dat ik er nu echt belang aan hecht om het hier te noemen.

Voorzitter. Ik ga verder met mijn betoog. Ik had het erover dat we assertiever zouden moeten zijn als de uitvoerbaarheid in het geding is. Bij het tweede beste wetsvoorstel dat we tegenkomen, is het raak. Onder stoom en kokend water gaan we dit wetsvoorstel behandelen. We moeten nog vlug even gaan stemmen vanavond. Daarna gaat het over de schutting naar de politieke partijen. Die moeten dan dus aan de gang. Dat proeft een beetje als — ik vind het een heel hard woord en ben dat niet zo gewend — onbehoorlijk bestuur, zeker als we gezien hebben wat tot nu toe de praktijk is in de Caraïben. Daar heeft een enkele partij blijkbaar voordeel van het Caribisch gebied als extra kieskring. Nu mag straks de hele wereld, behalve onze drie landen in het Caribisch gebied — dat heb ik zojuist geleerd van collega Ganzevoort — mee gaan stemmen in een systeem dat niet past. Dat heb ik bij de behandeling van de grondwetswijziging betoogd. Ik besef dat dat debat is geweest. De grondwetswijziging is een feit. Maar dat debat doet er wel toe.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De heer Schalk verwijst een paar keer naar die uitvoerbaarheidstoets en dat we daar zo veel over hebben nagedacht de afgelopen weken. Maar in die zelfevaluatie van de afgelopen weken ging het ook steeds om het punt hoe we de uitvoerbaarheidstoets kunnen depolitiseren. Ik bedoel dat we zeggen dat het niet een instrument is om te zeggen "ik wil deze wet niet en daarom noem ik hem onuitvoerbaar", maar dat het over andere zaken gaat. Daarom is de brief van augustus belangrijk, omdat die iets anders zegt over de uitvoerbaarheid. Maar als het gaat over de pragmatiek, over de moeite die partijen kunnen hebben om op zo'n korte termijn dingen voor elkaar te krijgen, dan zou ik de heer Schalk heel pragmatisch en met een beetje een kwinkslag de suggestie willen doen om zijn zeer grote jongerenorganisatie te betrekken bij de hand- en spandiensten.

De heer Schalk (SGP):

Ja, dat zou goed uit kunnen komen. Misschien ook de gewone leden. Ik meen dat we ongeveer 30.000 leden hebben bij de SGP, en 23.000 jongeren. Dat moet dus goedkomen. Maar die wonen heel vaak in Nederland. Als ze verspreid waren over de hele wereld, was dat misschien wat gemakkelijker. Ik ben het met de heer Ganzevoort eens: ook in mijn achterban zijn er natuurlijk een heleboel mogelijkheden om mensen in beweging te brengen, om bijvoorbeeld zendingswerkers die overal in de wereld aan het werk zijn te bewegen om zich te gaan organiseren. Maar ik denk dat de heer Ganzevoort, die nogal eens in het Caribisch gebied is geweest, heel goed weet hoe ingewikkeld het soms ligt met hele simpele dingen die wij normaal vinden, zoals post en dergelijke, om maar zo'n zendingswerker te noemen. Ik was onlangs in Ecuador; daar werkt de post helemaal niet.

De voorzitter:

Ik ga nu wel de klok weer aanzetten, meneer Schalk. We zijn inmiddels drie straten verder terug.

De heer Schalk (SGP):

Sorry, voorzitter. Dit was mijn antwoord. We waren in Ecuador en ik kom weer thuis. Ik zei zojuist dat het debat dat we hebben gevoerd er wel toe doet. Daar is klip-en-klaar gesproken over het invoeringstraject. Niemand in deze Kamer heeft toen druk op de minister gezet om alsnog aan te geven dat het toch wel zou moeten gaan lukken. De minister was zelf ook heel glashelder: dat is niet meer mogelijk. De regering heeft ook de inspanningsverplichting om toe te zien op eerlijke, transparante en evenredige verkiezingen, waarbij sprake is van politieke gelijkheid — kijk eventjes naar het debat van vanmorgen — voor iedereen, voor alle politieke partijen. Hoe wil de regering artikel 4 van de Grondwet waarborgen als er een niet-denkbeeldig risico bestaat dat de inrichting van het kiescollege niet-ingezetenen een onevenredig voordeel oplevert voor bepaalde partijen die dat soort zaken al veel eerder op orde hebben gemaakt? Ik verwijs even naar het grondwetsdebat, waarin ik duidelijk heb gemaakt wat dat betekende in de drie gemeenten in het Caribisch gebied.

Voorzitter. Het zal duidelijk zijn: deze handelswijze past niet zo bij de wijze waarop de SGP met onze burgers wil omgaan. Mijn fractie roept de minister op om de invoeringsdatum aan te passen, zodat de niet-ingezetenen bij de komende verkiezingen van de Provinciale Staten nog niet kunnen meedoen. Dan krijgen partijen tijd om zich goed voor te bereiden en een zorgvuldige uitvoering te waarborgen.

Voorzitter. Ik zie uit naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Dan is het woord aan de heer Van Hattem namens de PVV.

De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter. Bij de grondwetswijziging die aan dit wetsvoorstel voorafging, heb ik op 28 juni jongstleden aangegeven wat het voornaamste bezwaar van de PVV-fractie is bij dit wetsvoorstel. Ingezetenen van Nederlandse provincies dragen de lasten van het provinciale beleid, zoals windparken, hoge opcenten motorrijtuigenbelasting, asielzoekerscentra, stikstofonzin et cetera, et cetera. Niet-ingezetenen in het buitenland krijgen met dit wetsvoorstel wel dezelfde lusten als een ingezetene van een provincie door mee te mogen stemmen voor de Eerste Kamer, maar niet de lasten van de provinciale overheid in hun leefomgeving. En dat maakt deze wet fundamenteel krom.

Uit de nota naar aanleiding van het verslag die de minister afgelopen week naar deze Eerste Kamer zond, blijkt ook dat deze groep niet-ingezetenen een heel onoverzichtelijke groep is. Zo stelt de minister: "De overheid beschikt niet over gegevens waaruit het precieze aantal Nederlandse niet-ingezetenen blijkt. Het is dus niet mogelijk ook de stemwaarde voor het kiescollege aan dit aantal te koppelen." Daarmee wordt eigenlijk al direct een probleem gecreëerd voor de uitvoerbaarheid van deze wet die met kunst en letterlijk vliegwerk een kiescollege voor een ongrijpbare groep in het buitenland fabriceert. Ook stelt de minister dat "het niet onredelijk is om een link te leggen tussen de binding van een kiesgerechtigde met Nederland en de vraag of hij zich eenmalig en laagdrempelig heeft aangemeld voor permanente registratie". Waarom kiest de regering eigenlijk voor een permanente registratie? Waarom slechts eenmalig registreren? Is het voor de correctheid en de actualiteit van het register niet veel beter om op geijkte momenten de registratie te hernieuwen? Waarom niet gewoon voor iedere verkiezing? Is dat nu zo onredelijk? Of moeten al deze expats compleet gepamperd worden door deze regering? Blijkbaar het laatste, want het moet voor deze expats zo voordelig mogelijk uit de bus komen en er wordt speciaal voor hen een correctiefactor toegepast. De minister stelt dat "de introductie van de correctiefactor er juist toe dient om te corrigeren dat het stemgewicht van kiezers buiten Nederland niet te laag uitpakt".

Een andere faciliteit die niet-ingezetenen krijgen om het hun comfortabel te maken, is het briefstemmen. De minister regelt dit op de volgende wijze. Ik citeer: "Daarnaast is de Kieswet ook gewijzigd om het mogelijk te maken dat kiezers in het buitenland hun stembiljet per mail kunnen ontvangen en zelf kunnen printen en deze vervolgens samen met een briefstembewijs dat zij al eerder per post hebben ontvangen, terug kunnen sturen aan de gemeente Den Haag". Is een dergelijk systeem niet heel erg fraudegevoelig, vraag ik de minister. Welke concrete maatregelen neemt de minister om fraude bij deze vorm van briefstemmen te voorkomen? De minister geeft immers vervolgens zelf toe: "Voor alle vormen van stemmen buiten het stemlokaal, zoals briefstemmen of digitaal stemmen, geldt dat bepaalde waarborgen zoals stemgeheim en stemvrijheid, niet in dezelfde mate kunnen worden gewaarborgd als in het stemlokaal. Immers onttrekt het stemmen op afstand zich aan het toezicht van het stembureau." Daarmee hebben we echt een groot risico te pakken. Niemand kan zien of iemand echt vrij zijn of haar stem uitbrengt, dat bijvoorbeeld in een islamitisch land zoals Turkije of Marokko, een uit Nederland geremigreerde man vanuit de paternalistische houding in die moslimcultuur de stembrief van zijn vrouw invult en naar Den Haag opstuurt. Neemt de minister dergelijke schendingen van het stemgeheim en de vrijheid zo makkelijk op de koop toe? Graag een reactie.

Een ander punt is de ervaring met de kiescolleges op de BES-eilanden. De minister gaf in de nota aan: "In Sint-Eustatius deed zich bijvoorbeeld de situatie voor dat enkel vijf kandidaten van een lijst zich kandidaat stelden voor het kiescollege. De belangrijkste conclusie uit de evaluatie rond de kiescollegeverkiezing is dan ook dat er blijvende aandacht nodig is voor de kandidaatstelling voor de kiescolleges." Wat bedoelt de minister met "blijvende aandacht"? Wat gaat de minister concreet doen? Hoe worden zulke rare constructies nu echt voorkomen? Of moeten we concluderen dat dit inherent is aan de rammelende systematiek van dit wetsvoorstel en dat deze wet er daarom beter helemaal niet kan komen? Voorts zegt de minister ten aanzien van de inmiddels vervallen Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming: "In totaal is de wet ruim twee jaar van kracht geweest en de koepelorganisaties en de ervaringen uit de praktijk waren positief. Gelet op de positieve ervaringen is het voorstel voor deze uitvoeringswet geput uit de opgedane ervaring met de bepalingen uit de tijdelijke wet beraadslaging." Dat klinkt nogal eenzijdig. Heeft de minister ook oog voor de negatieve ervaringen met deze tijdelijke wet en waarom is de mening van de koepelorganisaties IPO en VNG zo relevant? Hebben zij hun achterban, de Statenleden en de raadsleden, hierover serieus geconsulteerd? Bij mijn weten niet en is dat vooral een lobbytraject dat toevallig goed aansluit bij de agenda van de minister om voor deze wet een permanente versie op te tuigen. Ook deze regeling voor het kiescollege is daarin een schakeltje. De zitting waarin de kiescollegeleden stemmen voor de Eerste kamer wordt fysiek gehouden en is openbaar toegankelijk. Kan de minister aangeven waar deze vergaderingen fysiek gaan plaatsvinden en waar deze aangekondigd worden, zodat belangstellenden hiervan kennis kunnen nemen en deze kunnen bijwonen? Ook zegt de minister: "Het voorliggende voorstel kent geen verplichting voor het achteraf online beschikbaar maken van de opname van de vergadering." Kan de minister aangeven of zij in de uitvoering alsnog bereid is om opnames van de zitting van het kiescollege achteraf altijd beschikbaar te stellen, zodat dit voor de parlementaire controleerbaarheid helder is?

Over het risico op ronselen met ondersteuningsverklaringen stelt de minister: "Het risico op ronselen van ondersteuningsverklaringen onder niet-ingezetenen wordt door de regering niet anders ingeschat dan in Nederland zelf. De procedure voor het afleggen van ondersteuningsverklaringen langs digitale weg vergroot in de ogen van de regering dat risico niet." Een essentieel verschil is dat de Nederlandse autoriteiten hier in het buitenland geen zicht op hebben. In Nederland kan het eenvoudiger op heterdaad geconstateerd worden wanneer bijvoorbeeld junks op straat worden geworven om een ondersteuningsverklaring te tekenen in ruil voor een klein geldbedrag. In het buitenland is dat niet direct door Nederland vast te stellen. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen bleek dat in onder andere in Maastricht, Bergen op Zoom en Roermond geronseld was met volmachtsstemmen. De minister heeft aangekondigd dit aan te gaan pakken. Zet de minister met dit wetsvoorstel de deur niet juist open voor het ronselen met ondersteuningsverklaringen? Ik citeer de minister nogmaals: "Daarbij memoreert de regering dat ook voor deze verkiezing geldt dat het ronselen van ondersteuningsverklaringen strafbaar is. Op het moment dat er een vermoeden van ronselen is, kan aangifte worden gedaan." Het ronselen kan dan wel strafbaar zijn, maar kan de minister aangeven hoe dit zich verhoudt tot het effectief opsporen en vervolgen van dit misdrijf in het buitenland?

Voorzitter. Ik citeer wederom uit de nota: "De actualisering van de permanente registratie vindt dan ook vrijwel doorlopend plaats door de gemeente Den Haag. Zo worden de kiezers in de permanente registratie in aanloop naar elke verkiezing actief benaderd door de gemeente Den Haag om te controleren of hun adresgegevens nog juist zijn. Via deze weg wordt de gemeente Den Haag tevens geattendeerd op wijziging van gegevens die relevant kunnen zijn voor verwijdering uit de registratie." Kan de minister aangeven wanneer daadwerkelijk over wordt gegaan tot verwijdering uit de registratie? Gebeurt dat als er geen reactie volgt? Of blijven mensen desondanks nog jarenlang geregistreerd staan? Zijn daar termijnen voor?

Volgend citaat: "Tot slot gebeurt het dat de gemeente Den Haag verzonden stembescheiden ongebruikt krijgt geretourneerd, waarop bijvoorbeeld vermeld staat dat de betreffende persoon is overleden. Daarop kan de gemeente Den Haag via de BRP gericht actie ondernemen", aldus de minister. Er staat een kan-bepaling, maar zou de minister ook aan kunnen geven in hoeverre dat ook daadwerkelijk wordt geëffectueerd?

Volgende citaat: "Het moet wel worden onderkend dat niet geheel uit te sluiten is dat een inmiddels overleden kiezer nog is opgenomen in de permanente registratie." Kan de minister aangeven wat er concreet aan wordt gedaan dat overledenen uit het buitenland nog meegerekend kunnen worden in deze verkiezingssystematiek? Kan de minister uitsluiten dat dit bijvoorbeeld nog jarenlang na iemands overlijden onjuist in de registratie blijft staan? Graag een reactie.

Dan een vraag over hoe de democratische controle op en verantwoording van de taken van de voorzitter van het kiescollege, uitgevoerd door de burgemeester van Den Haag is voorzien? De minister verwijst in dit kader naar de instrumenten omtrent taakverwaarlozing en indeplaatsstelling, maar dergelijke zware interventies zijn van een andere orde dan democratische controle en verantwoording. Kan de minister dat aspect nader duiden in dit kader?

Voorzitter. Dan heb ik nog een vraag over de griffier van het kiescollege, die tevens de griffier van de Haagse raad is. De minister stelt: "De taak van de griffier om het kiescollege bij te staan, brengt geen aanpassing met zich mee ten aanzien van het werkgeverschap van de raad. Dat het kiescollege instructies kan vaststellen voor deze taak van de griffier, doet er niet aan af dat de raad daartoe bevoegd blijft met betrekking tot de reguliere werkzaamheden van de griffier. Ook ongewijzigd blijft dat de raad op grond van de Gemeentewet bevoegd is tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de griffier." Kan de minister, gelet op deze uitgangspunten, aangeven wat de procedure is als er bijvoorbeeld een conflict ontstaat tussen het kiescollege en de griffier? Hoe lopen dan de verantwoordingslijnen? Graag een reactie.

Voorzitter. Tot slot heb ik nog een opmerking over de nota van antwoord waarin de minister stelt: "Gelet op de signalen uit uw Kamer en de Tweede Kamer dat een eerste kiescollegeverkiezing in maart 2023 door een aantal partijen zeer wenselijk werd geacht." Pardon? Wetgeving op bestelling voor bepaalde partijen. Kan de minister aangeven welke partijen dit concreet betreft? Hoe verhoudt die druk zich tot zuivere democratische besluitvorming en het belang van zorgvuldigheid? Het kabinet loopt zelfs al op zaken vooruit. Ik citeer: "De kiezers die nu al in de permanente registratie staan voor de Tweede Kamerverkiezingen en de Europese Parlementsverkiezingen hebben inmiddels een uitnodiging ontvangen om een aanvraag te doen voor registratie voor de kiescollegeverkiezing. Onder voorbehoud van het aannemen van de uitvoeringswet door uw Kamer is daarom alvast een brief gestuurd aan de politieke partijen die een aanduiding hebben geregistreerd voor de Tweede Kamer- of Eerste Kamerverkiezing met meer informatie over deze nieuwe verkiezing." Kan de minister aangeven hoe serieus zij deze Eerste Kamerbehandeling nog neemt, nu al op voorhand uitvoering wordt gegeven aan een wet die hier nog in behandeling is, door die brieven te sturen aan de mensen die geregistreerd zouden moeten staan? Ik hoor het graag.

Voorzitter, tot zover in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Dan is het woord aan de heer Janssen namens de SP.

De heer Janssen (SP):

Voorzitter, dank u wel. Bij afwezigheid van de vaste woordvoerder, de heer Kox, wegens werkzaamheden in Straatsburg, neem ik dit graag van hem over. De SP heeft tegen de grondwetswijziging gestemd waarvan we vandaag de uitvoering behandelen. Wij vonden die grondwetswijziging gekunsteld. We vinden de uitvoeringswetgeving die nu voorligt niet alleen gekunsteld, maar ook gehaast. Nu is er op zich niets mis met haasten, maar te veel haasten kan leiden tot onzorgvuldigheid en daarvoor is de democratie ons te lief. Als je iets doet dat invloed kan hebben op de inrichting en werking van ons parlement, moet zorgvuldigheid daarbij vooropstaan. Dat gevoel missen wij bij dit voorstel. Als ik kijk naar de bepaling van de stemwaarde, wordt daar een berekening op losgelaten waarbij je, bij wijze van spreken, Max Verstappen drie weken geleden al wereldkampioen had kunnen laten worden.

De voor de hand liggende bepalende waarde, namelijk het aantal Nederlanders in het buitenland, kan niet worden gehanteerd omdat veel registraties niet op orde zijn. We hebben geen idee. Los dat dan eerst op, zou ik zeggen. Dat dit niet binnen een paar maanden kan, snap ik. Maar nu wordt er gekozen voor een gekunstelde systematiek die tot in lengte van dagen de samenstelling van deze Eerste Kamer zal blijven beïnvloeden. Liever zou de fractie van de SP eerst de registraties op orde willen brengen, zodat de totale systematiek van stemwaarde op basis van het aantal inwoners, overeind zou kunnen blijven. De vraag is dan ook: waarom deze gillende haast? Waarom nu deze vreemde eend in de bijt introduceren? Verdient onze democratie niet een houding van "we doen het goed of we doen het niet"? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Zo goed mogelijk vanwege de haast, voldoet niet voor de SP. Die haast beperkt daarnaast ook de partijen — dat is ons tweede punt — die niet of nog niet beschikken over een netwerk onder Nederlanders in het buitenland dat is gericht op het doel van dit wetsvoorstel. De SP heeft een prima netwerk in het buitenland, maar niet gericht op het doel van dit wetsvoorstel. In de nota naar aanleiding van het verslag zegt de minister dat het eigenlijk een plicht is van politieke partijen om voor voldoende keuze te zorgen. Dat kan zo zijn en dat ben ik met de minister eens. Nu nemen sommige politieke partijen dat in Nederland misschien al iets te serieus, maar als je dit als minister echt meent, moet je partijen ook de gelegenheid en vooral de tijd geven om hieraan invulling te geven. Als je dat niet doet, kunnen we bijna voorspellen dat we grosso modo een kopie gaan zien van de uitslag bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2021 toen de drie grootste partijen in het buitenland meer dan 50% van de stemmen haalden. En dan komen we weer terug bij het punt dat de heer Van der Linden heeft gemaakt over de Venetiëcommissie.

Voorzitter. Bij die partijen kan ik misschien nog wat haast begrijpen vanwege de partijpolitieke belangen, zeg ik maar even gechargeerd. Maar we zijn hier vandaag om over een wet te spreken die gevolgen heeft tot in de verre toekomst voor alle partijen. Daarbij moeten we ieders en alle belangen afwegen. En dat kan naar mening van mijn fractie er alleen toe leiden dat we alle partijen de komende vier jaar de kans geven om internationaal aan een netwerk te bouwen met het doel zoals dat in deze wet voorligt. Je kunt er als partij ook voor kiezen om dat niet te doen, in alle eerlijkheid. En dan heb je in 2027 ook niks te klagen.

Ik heb het even gecheckt. Vorige week is inderdaad ook bij de SP een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken terechtgekomen, waarin staat: vooruitlopend op het feit dat de afhandeling nog in de Eerste Kamer moet plaatsvinden, informeren wij u alvast over wat u allemaal zou kunnen doen en wat het betekent. Dat gaat over de situatie over een paar maanden. Dat is veel te kort wat ons betreft. Wij vinden dat alle partijen in ieder geval vier jaar de kans zouden moeten hebben om zich hierop voor te bereiden. Doe je dat niet, is dat ook geen probleem, maar houd er dan over op in 2027, want dan heb je de kans gehad.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik heb een hele kleine, maar wel principiële vraag aan de heer Janssen. Denkt hij dat het bij verkiezingen gaat om de belangen van partijen of om de belangen van burgers?

De heer Janssen (SP):

Het gaat om de belangen van de burgers. Om iedere burger de kans te geven om die op een goede manier vertaald te zien in hun stem en in de waarde die daarbij hoort, pleiten wij voor een ander systeem.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik hoorde de heer Janssen voortdurend spreken over partijen dit, partijen dat, partijen zus en partijen zo. Hij zegt: stel het maar uit, want dan hebben partijen de tijd. Maar dat betekent dat burgers vier jaar langer niet kunnen kiezen. De vraag is dan toch: willen we de burgers die graag willen kiezen, in de gelegenheid stellen of niet?

De heer Janssen (SP):

Die willen wij in de gelegenheid stellen als het systeem op orde is in de totale systematiek zoals wij die nu kennen. Dat zou over vier jaar kunnen.

De voorzitter:

De heer Ganzevoort, tot slot.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Maar de minister zegt: ik krijg het voor de komende verkiezingen op orde en dan kunnen burgers stemmen. Dan is de vraag: is het partijbelang waar de heer Janssen over spreekt, niet een onjuist argument om burgers het recht te ontzeggen om te stemmen?

De heer Janssen (SP):

Zolang onze vertegenwoordigende democratie gebaseerd is op een partijenstelsel, geldt iedere partij even zwaar en zou iedere partij in dezelfde gelegenheid moeten zijn om zich voor te bereiden op iets wat de stemuitslag beïnvloedt. Dat is mijn antwoord op de vraag van de heer Ganzevoort.

Voorzitter. Maar om nu deze uitvoeringswet erdoor te drukken zodat we vooraf al kunnen uitrekenen waar de stemmen en zetels van het voorgestelde kiescollege zullen landen, is wat ons betreft ongewenst en ongepast. Op de keper beschouwd vinden we het ook ondemocratisch als niet iedere partij een gelijke kans krijgt zich hierop voor te bereiden en hun kiezers de gelegenheid te geven hierin mee te doen. De term "politieke gelijkheid" is al als argument gevallen. Ik vraag de minister toch om hier wat dieper op in te gaan en een reflectie op te geven, want dit raakt voor de SP de kern van onze vertegenwoordigende democratie.

Voorzitter, tot slot nog een paar praktische vragen, ook naar aanleiding van het stemmen in coronatijd, zoals we dat hebben meegemaakt. Is er voor de uitvoering van het voorstel dat nu voorligt nog aparte software nodig? Zijn er aparte ICT-voorzieningen voor nodig? Zo ja, is dat bij de gemeente Den Haag, bij de Kiesraad of elders? Als dat zo is, zijn die software en ICT-voorzieningen dan al aangekocht? En de belangrijkste vraag bij de combinatie ICT en overheid is altijd: werkt het, is het veilig en is het getest? Dat is volgens mij iets wat absoluut noodzakelijk is om hier zo snel mee door te kunnen gaan als de minister wil. Wij willen niet achteraf verrast worden. Kan de minister de veiligheid en betrouwbaarheid volledig garanderen?

Voorzitter. Mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording door de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Meijer namens de VVD.

De heer Meijer (VVD):

Voorzitter. Op 5 juli nam deze Kamer de grondwetswijziging aan waardoor het mogelijk is geworden dat Nederlanders die in het buitenland wonen, hun kiesrecht nu ook in relatie tot de verkiezingen van de leden van de Eerste Kamer kunnen uitoefenen. Mijn fractiegenoot Van den Berg gaf toen aan dat onze fractie graag steun verleende aan de reparatie van deze onevenwichtigheid in ons bestel. We complimenteren de minister dat wij nu al, iets minder dan drie maanden na die stemming, over de uitvoeringswet kunnen debatteren. Wat ons betreft is het vooral een stemverklaring. De minister is vorige week in de nota naar aanleiding van het verslag nog eens uitvoerig en zorgvuldig ingegaan op alle vragen van diverse collega's. Dank daarvoor.

Het voorgestelde systeem is uniek in de wereld. Dat is enerzijds mooi, anderzijds ontneemt het ons de mogelijkheid om te leren van anderen. Dat maakt de evaluatie na de verkiezingen des te relevanter. We lezen dat de regering zich daar ook van bewust is. Dat wil ik nog eens benadrukken.

Het punt waar in mijn fractie bij de bestudering van dit wetsvoorstel de meeste aandacht aan gegeven is, is de stemwaardebepaling. Ik had hier een tekst, maar de heer Koole heeft net aangegeven dat er heel veel mooie woorden zijn maar dat er vooral, mede door de correctiefactor, pragmatisch te werk is gegaan. Wij hebben de indruk dat de uitkomst zo dicht mogelijk ligt bij zoals het bij Provinciale Staten gaat. Ik heb het wel op prijs gesteld dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag de stelling weerlegt die is uitgesproken in een stemverklaring in de Tweede Kamer, dat de stemmen van Nederlanders die in het buitenland wonen, twee tot drie keer zwaarder zouden wegen dan van Nederlanders die in Nederland wonen. Ik heb dat niet na kunnen rekenen. Misschien kan de minister dat nog eens uitleggen.

Voorzitter. Wij hopen dat wij vandaag over dit voorstel kunnen stemmen, zodat bij de komende verkiezingen van de leden van de Eerste Kamer de Nederlanders die in het buitenland wonen, van hun democratisch recht gebruik kunnen maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Meijer. Dan is het woord aan de heer Otten namens de Fractie-Otten.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Voorzitter. Er wonen meer dan 1 miljoen Nederlanders in het buitenland. Velen hebben ons land, dat helaas steeds verder afglijdt en stagneert, verlaten omdat de politiek hardnekkig weigert ons bestuurlijke stelsel te moderniseren en de politiek liever accepteert dat getalenteerde mensen naar elders vertrekken. Dat wordt via onze nationale luchthaven, onze nationale schaamlap Schiphol, wel steeds lastiger. "A crazy mess" kopte CNN dit weekend naast het breaking news over de opgeblazen brug in de Krim. Die "crazy mess" ging over onze luchthaven Schiphol, maar dat terzijde.

Veel Nederlanders in het buitenland volgen de Nederlandse politiek desalniettemin op de voet. De wetten die wij hier aannemen, hebben vaak gevolgen voor Nederlanders in het buitenland. Door de invoering van dit kiescollege wordt het manco dat zij daar geen invloed op hebben nu rechtgezet. Ik heb het ook in het grondwetsdebat al aangegeven: deze 1 miljoen Nederlanders buiten Nederland representeren zo'n zeven Eerste Kamerzetels. Dat is een fractie zo groot als de fractie van D66 — tenminste, in de huidige Kamerperiode — of drie keer die van de SGP.

Het is goed dat het kiezen van de Eerste Kamer wordt gemoderniseerd en dat we negentiende-eeuwse praktijken waarbij men in Nederland nog met de postkoets vanuit de provincie naar Den Haag afreisde, nu eindelijk achter ons laten. Zaken als nationaliteit, pensioen, immigratie et cetera raken ook vele Nederlanders in het buitenland. Ik wijs op artikel 4 van de Grondwet, dat bepaalt dat iedere Nederland gelijkelijk recht heeft om de leden van de algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen. Ik wijs ook op artikel 50 van de Grondwet: de Staten-Generaal, en dus ook de Eerste Kamer, vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Voorzitter. Tijdens het debat over de grondwetswijziging hebben wij er dan ook bij het kabinet op aangedrongen om dit wetsvoorstel tijdig voor de volgende Eerste Kamerverkiezingen op 30 mei 2023 — toevallig ook mijn verjaardag — in te voeren. Anders moeten deze 1 miljoen mensen in het buitenland weer wachten tot 2027. Tegen die tijd zijn waarschijnlijk nog veel meer mensen Nederland ontvlucht. Dan wordt het probleem alleen maar groter.

We zijn helaas nog niet zover als in Portugal, Frankrijk of Italië, waar zelfs aparte Kamerzetels gereserveerd zijn voor medeburgers in het buitenland, maar dit is wel een begin van erkenning van de nieuwe realiteit waarin wij in 2022 leven. Wel vragen wij de minister hoe zij deze 1 miljoen Nederlanders in het buitenland goed weet te bereiken voor de verkiezingen om zich te registeren et cetera, en om de procedurele vereisten goed en helder aan deze mensen uit te leggen. Dit is natuurlijk een diverse doelgroep.

Voorzitter. Wat ons betreft gaan we hier vanavond al over stemmen, zodat alles nog net op tijd kan worden ingevoerd voor de Eerste Kamerverkiezingen van volgend jaar. Onze fractie zal volmondig voor stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Otten. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Ik schors de vergadering voor de dinerpauze tot 20.15 uur. Daarna gaan wij verder met de beantwoording van de regering in eerste termijn.

De vergadering wordt van 19.29 uur tot 20.15 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel 36071, Wet kiescollege niet-ingezetenen. We zijn nu toe aan het antwoord van de regering in de eerste termijn. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter, dank u wel. Voordat ik start met mijn inbreng, geef ik aan dat ik een aantal blokjes heb. Het eerste blokje gaat over het tijdpad, het tweede blokje gaat over de stemwaarde, het derde blokje gaat over de vormgeving en het vierde blokje is het blokje "overig".

Voorzitter. Ik wil de leden danken voor hun inbreng en de gestelde vragen. We spreken vandaag inderdaad vlot over het wetsvoorstel Kiescollege niet-ingezetenen. In dit wetsvoorstel is, zoals de leden ook hebben aangeven, de uitvoering neergelegd van de grondwetswijziging voor de oprichting van een kiescollege voor niet-ingezetenen, een kiescollege dat samen met de Provinciale Staten en het kiescollege Caribisch Nederland eens in de vier jaar deze Kamer gaat verkiezen.

Nederlanders buiten Nederland stemmen al jaren voor de Tweede Kamer. Onder anderen uw Kamer, voorzitter, heeft eerder ook de wens uitgesproken om Nederlanders buiten Nederland ook invloed te geven op de Eerste Kamer. Beide Kamers der Staten-Generaal hebben in twee lezingen inmiddels ingestemd met een grondwetswijziging. Hiertoe volgt nu de uitvoeringswetgeving om dat mogelijk te maken.

Meerdere leden hebben de vraag gesteld hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de Venetiëcommissie. Ik zal ook een antwoord geven op de vraag die de heer Schalk stelde over het voortschrijdend inzicht dat ik als minister heb gehad.

Net als de heer Van der Linden, maar ook de heer Koole en de heer Janssen, hecht ik aan een goede invoeringstermijn voor nieuwe kieswetgeving. Iedereen moet zich er natuurlijk goed op kunnen voorbereiden; kiezers, politieke partijen, maar ook degenen die betrokken zijn bij de uitvoering. In de verkiezingsagenda heb ik de invoeringstermijn ook als nadrukkelijk aandachtspunt opgenomen. In de regel heb ik met gemeenten een invoeringstermijn afgesproken van minimaal drie maanden en, als er sprake is van aanpassing van ICT-systemen, minimaal zes maanden. Dat is ook in de geest van de aanbevelingen van de Venetiëcommissie.

Voor dit wetsvoorstel geldt dat de grondwetsvoorstellen vele jaren in behandeling zijn geweest. Maar ook voor deze uitvoeringwetgeving geldt dat vorig jaar juni al de hoofdlijnenbrief in deze Kamer heeft gelegen. Zoals de heer Koole ook aangeeft, gaat het om uitvoeringswetgeving. Daarom werk ik ook nauw samen met andere partijen om dit voor elkaar te krijgen.

Voor zover het gaat om een digitaal hulpmiddel, gaat het niet om een nieuw ICT-middel. Het gaat om de Ondersteunende Software Verkiezingen, die wij normaal gesproken ook gebruiken.

Op welsprekende wijze citeerde de heer Schalk mijn woorden uit de tweede lezing in de Eerste Kamer, waarbij ik inderdaad nadrukkelijk aangaf dat ik het van belang vond om goed te kijken naar de uitvoeringstermijn die nodig was om deze wetgeving te kunnen invoeren. Ik heb daar een aantal fasen in gehad. In het gesprek dat wij in juli hadden, was vooral ook de vraag: hoeveel tijd hebben we ervoor nodig? Toen was de aanname: zes maanden. Toen hebben meerdere partijen — volgens mij waren dat hier in de Kamer onder andere de Fractie-Otten en D66 en in de Tweede Kamer D66 en de VVD — gevraagd: welke mogelijkheden zijn er? Is dit precies de termijn, of kunnen er bijvoorbeeld ook vijf maanden voor nodig zijn?

Daarvoor bleek dat wij met de inwerkingtreding van de grondwetswijziging op 18 augustus wel de zekerheid hadden dat het kiescollege er zou komen. Ook in de voorbereiding, ook in overleg met de gemeente Den Haag, was aangegeven dat we een aantal van de communicatiemanieren die we nodig hadden, bijvoorbeeld het informeren van de politieke partijen en het informeren van de kiezers in het buitenland, ook al zouden kunnen oppakken voordat het wetsvoorstel hier zou worden aangenomen. Dit onder voorbehoud van het feit, zeg ik tegen de heer Schalk, dat hier natuurlijk wel eerst het wetsvoorstel moet worden aangenomen. Dat maakt dat ik op 31 augustus de brief aan deze Kamer heb gestuurd waarin ik heb gezegd dat een Eerste Kamerverkiezing in 2023 nog mogelijk zou zijn als vandaag, op 11 oktober, de behandeling zou worden afgerond. Dat betekent, meneer Schalk — zo zeg ik in reactie op het citaat dat u gaf — dat in de tijden na de behandeling en met het aannemen van de inwerkingtreding van het grondwetsvoorstel op 18 augustus bleek dat we een aantal van de voorbereidingshandelingen eerder konden oppakken, waardoor we niet hoefden te gaan tellen vanaf het moment dat het wetsvoorstel hier in de Kamer — al wil ik nooit vooruitlopen op het aannemen van een wetsvoorstel — zou worden aangenomen. Dat maakt dat we uiteindelijk uitkwamen op 11 oktober en we dat ook aan deze Kamer hebben gemeld.

De voorzitter:

Ik zie de heer Schalk. Hij loopt langzaam naar de microfoon. Hij krijgt nu het woord.

De heer Schalk (SGP):

Ik vind het al geweldig dat ik niet dreigend schijn te lopen. Dat werd vanmorgen …

De voorzitter:

Ter zake.

De heer Schalk (SGP):

Ter zake. Het is een helder exposé van de minister. Als het gaat over de welsprekendheid, dan geeft ze zichzelf een compliment, want ik heb alleen maar haar geciteerd.

Minister Bruins Slot:

Je kan op verschillende manieren een citaat voorlezen, maar dit was gewoon een mooie manier om dat te doen.

De heer Schalk (SGP):

Dank. Ik heb vroeger blijkbaar leren voorlezen.

De voorzitter:

Uw tweede vraag.

De heer Schalk (SGP):

De tweede vraag. De minister zei toen zes maanden te hebben aangegeven. Ik heb het even nagekeken, ik heb het zelfs uitgedraaid en — heel precies — de minister heeft in eerste instantie gezegd dat het vier maanden zou duren. Daarop is geacteerd, daarover is gesproken, enzovoort. Vervolgens is de minister naar de deskundigen geweest; toen was het zes maanden. Ik begrijp dat Den Haag voortvarend was en dat er op 31 augustus een brief is gestuurd. Maar de minister heeft een brief naar de Kamer gestuurd en niet naar al die politieke partijen met: let op, u moet alstublieft wat gaan doen.

Minister Bruins Slot:

Het verschil van inzicht is het volgende. Gedurende het zomerreces en na het in werking treden van het grondwetsvoorstel kwamen we tot het inzicht dat er ook een manier was om de kiezers en de politieke partijen te kunnen informeren nog voordat het wetsvoorstel hier zou worden aangenomen. De afgelopen tijd zijn er verschillende brieven naar Nederlanders in het buitenland gestuurd met de vraag of ze zich willen registreren, onder voorbehoud van het aannemen van het wetsvoorstel. Zoals een van de leden van deze Kamer aangaf, hebben we inmiddels ook een brief gestuurd naar de politieke partijen zelf om hen mee te nemen in de voorbereiding en uitvoering van het wetsvoorstel, onder voorbehoud van het aannemen ervan door de Eerste Kamer. Daarmee hebben we kostbare tijd gewonnen, om het zo maar te zeggen. Toen ik deze vraag voor het zomerreces kreeg, dacht ik nog dat alles volgtijdelijk moest nadat de wet zou zijn aangenomen. Maar in dit geval bleek een deel van de voorbereidingshandelingen ook daarvoor te kunnen worden gedaan.

De heer Schalk (SGP):

Kan de minister dan ook precies aangeven wanneer die brief naar de Nederlanders in het buitenland is gegaan? Welke Nederlanders waren dat? En op welk moment is de brief naar de politieke partijen gestuurd?

Minister Bruins Slot:

De brief naar de politieke partijen is op 26 september verstuurd.

De voorzitter:

Dat was uw derde vraag?

De heer Schalk (SGP):

Sorry, maar ik heb maar een half antwoord gekregen. Ik vroeg naar de politieke partijen, maar ik vroeg ook wanneer de brief naar de niet-ingezetenen van Nederland is gestuurd en welke Nederlanders dat dan waren.

Minister Bruins Slot:

De brieven naar de niet-ingezetenen worden in batches verstuurd. Dat is vanaf 1 september gedaan. Gisteren is de laatste batch verstuurd. Ik hou een slag om de arm, maar volgens mij is de laatste stand van het aantal kiezers dat zich heeft ingeschreven op basis van de batches die zijn verstuurd in elk geval meer dan 10.000. Maar volgens mij loopt het aantal kiezers dat zich heeft geregistreerd voor de verkiezingen inmiddels zelfs tegen de 16.000.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik hoor de minister net zeggen dat in die brief aan de Nederlandse kiezers in het buitenland staat vermeld dat het onder voorbehoud is van behandeling in de Eerste Kamer.

Minister Bruins Slot:

Zeker.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik heb die brief voor me die bij een Nederlander in het buitenland is bezorgd. Toevallig, saillant genoeg, op Aruba. Ik zie er nergens letterlijk in staan dat dit onder voorbehoud is van parlementaire behandeling.

Minister Bruins Slot:

Die brief gaat volgens mij over het kiescollege van de BES-eilanden. U leest iets voor vanaf uw telefoon, dus dat is voor mij wat onhandig. Ik weet niet of het even geprint kan worden?

De heer Van Hattem (PVV):

Dit is de brief die vandaag is verstuurd, vanuit de gemeente Den Haag. Het is een uitnodiging tot "aanvraag registratie nieuwe verkiezing, kiescollege niet-ingezetenen".

Minister Bruins Slot:

Voorzitter, ik heb de brief niet voor me. Dat maakt het nogal lastig om te reageren.

De voorzitter:

Dan bezorgt de heer Van Hattem de brief aan de Griffie, zodat die gekopieerd kan worden voor alle aanwezige leden en de minister. Dan kunnen we het erover hebben.

De heer Janssen (SP):

Even een korte vraag. Ik hoorde in een bijzin het antwoord op een concrete vraag van mij voorbijkomen. De minister zei dat het allemaal wordt gedaan met bestaande software. Dat was een van mijn concrete vragen aan het einde, dus dat scheelt misschien weer bij het blokje "overig". Kan de minister bevestigen dat er noch bij de Kiesraad, noch bij de gemeente Den Haag, noch elders, voor dit uitvoeringsproces nieuwe ICT of nieuwe software nodig is? Er wordt immers alleen maar bestaande en geteste software gebruikt.

Minister Bruins Slot:

De software die wordt gebruikt voor de verkiezing is ondersteunend en bekend als "ondersteunende software verkiezingen". Die wordt ook nu al gebruikt als ondersteuning van onder andere software voor de kandidaatstelling en het optellen van de uitslagen. Het is de standaard software die gebruikt wordt. Tussen de gemeente Den Haag en de Kiesraad vindt nog overleg plaats over hoe die precies toegepast gaat worden.

De heer Janssen (SP):

Maar dan is het korte antwoord dus: het klopt, er is geen nieuwe software of nieuwe ICT nodig. Dit gaat allemaal met bestaande software en bestaande ICT.

Minister Bruins Slot:

Ja. Dat is in ieder geval wat ik begrepen heb.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

De minister ging in de inleiding in op de code for good practice van de Venetiëcommissie. Die code schrijft voor dat er geen wezenlijke wijzigingen van de Kieswet worden doorgevoerd vanaf een jaar voor de verkiezingen. Ik zou toch graag van de minister willen weten of het kabinet deze internationale standaarden onderschrijft. Begrijp ik het goed dat zij zegt: ja, maar in dit geval vinden we het toch redelijk om van die standaard af te wijken? Zegt zij: we hebben een goede reden om te zeggen dat die regels nu niet gelden voor ons? Is dat de argumentatie?

Minister Bruins Slot:

Nee, nee, nee. Ik gaf aan dat we vanwege de Venetiëcommissie juist hebben afgesproken dat we voor bijvoorbeeld gemeenten een invoertermijn van drie maanden voor nieuwe wetgeving aanhouden en zes maanden op het moment dat er sprake is van ICT. Het belangrijkste, ook rondom de Venetiëcommissie, is dat er stabiliteit in regelgeving is. Kijk eens hoe lang we de grondwetgeving hebben behandeld. Daar is jaren overheen gegaan. Deze uitvoeringswetgeving is in een hoofdlijnenbrief in juni vorig jaar naar de Kamers verstuurd. Daarmee is er kenbaarheid geweest over de toepasselijke rechtsregels. Dit is in feite een uitvoeringswet en daarmee voldoe je aan de randvoorwaarden en de waarborgen die ook de Venetiëcommissie noemt.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Maar hoe beoordeelt de minister dan het artikel dat ik in mijn eerste termijn geciteerd heb, waarin letterlijk staat dat dit soort wetgeving "should not be opened to an amendment less than one year before an election"? Er zouden dus geen wijzigingen op mogelijk moeten zijn. In de Tweede Kamer waren die wijzigingen mogelijk. Het is weliswaar uitvoeringswetgeving, maar daar konden toch wijzigingen op worden doorgevoerd? Het is toch gewoon een wezenlijke wijziging van de Kieswet?

Minister Bruins Slot:

Nee, het is een kenbare wetgeving die is gebaseerd op een grondwetsvoorstel dat is aangenomen. Daarmee is het uitvoeringswetgeving en past het in de lijn die eerder al in beide Kamers is vastgesteld.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van der Linden.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Dus tot slot geeft de minister aan dat het artikel dat ik net citeerde in dit geval niet van toepassing is?

Minister Bruins Slot:

Nee, zo zeg ik tegen de heer Van der Linden, we hebben gehandeld in lijn van het artikel, omdat we uitvoeringswetgeving hebben op basis van het grondwetsvoorstel. Daarin is de lijn van de wijze van verkiezing al vastgelegd. Daarbij hebben we het meer dan een jaar geleden ook nog een keer ondersteund met een hoofdlijnenbrief. Voor de effecten van de uitvoering zit er ook nog een redelijke uitvoeringstermijn aan vast.

Voorzitter. Dan het aspect dat ik eigenlijk al heb aangegeven: welke partijen hebben een punt gemaakt van het feit of we kunnen kijken naar de mogelijkheden om toch in 2023 hiervan gebruik te maken? In de Tweede Kamer waren dat bijvoorbeeld D66 en VVD. In de Eerste Kamer heb ik volgens mij D66 en de heer Otten er ook over gehoord dat zij willen kijken welke mogelijkheden er zijn. Zonet heb ik uitgebreid gemotiveerd waarom er voortschrijdend inzicht is gekomen.

Voorzitter. Dan de stemwaarde, waar ook vragen over zijn gesteld. Het klopt dat de nadere inzichten over de stemwaarde en het onderzoek van dr. Otjes inderdaad zijn gekomen naar aanleiding van het debat juist hier in de Eerste Kamer, waar hierover vragen zijn gesteld. Naar aanleiding daarvan hebben we ook gekeken naar een manier waarop we de stemwaarde zo berekenen dat die niet zwaarder gaat wegen dan de stemwaarde van de mensen die in Nederland wonen en hier hun stem uitbrengen, en dat er ook een evenwichtigheid in zit. Daar heeft de heer Otjes op een zeer verstandige manier invulling aan gegeven.

De heer Koole vroeg mij om een aantal punten daarvan nog verder te belichten. Hij vroeg: is het nou pragmatisch of fundamenteel? Goede vraag. Volgens mij is het een pragmatische oplossing bij een fundamenteel uitgangspunt. Maar laat ik het vooral verder motiveren, zeg ik tegen de heer Koole. De bestaande berekening van de stemwaarde voor de Provinciale Staten en de kiescolleges Caribisch Nederland kan niet een-op-een worden omgezet voor het kiescollege niet-ingezetenen. Dat heeft de heer Koole natuurlijk ook betoogd. Er is immers niet precies bekend hoeveel Nederlanders in het buitenland wonen. Gelijke stemwaardebepaling is daarmee enkel mogelijk als de stemwaardebepaling voor de Provinciale Staten en de kiescolleges Caribisch Nederland wordt veranderd. De verkiezing van de Eerste Kamer wordt nu gezien als een directe verkiezing door Provinciale Staten en de kiescolleges Caribisch Nederland, die alle inwoners vertegenwoordigen. Dat heeft de grondwetgever in 1983 ook overwogen. Dit karakter komt tot uitdrukking in de stemwaardebepaling die rekent met de totale inwonertallen van de provincies en het openbaar lichaam. Doordat het niet mogelijk is om voor het kiescollege van deze wet een gelijke stemwaarde te hanteren, is de wijze waarop de stemwaarde wordt berekend deels een pragmatische oplossing, zoals de heer Koole al opmerkte. Aan de andere kant is door het gebruik van deze stemwaardeberekening bij een correctiefactor juist aangesloten bij de manier waarop de stemwaarde van de Provinciale Staten en de kiescolleges Caribisch Nederland wordt berekend.

In antwoord op de vraag van de heer Van der Linden: als u naar het rapport van dr. Otjes gaat, dan ziet u op pagina 16 dat je voor de verschillende hoeveelheden kiesgerechtigden die genoteerd worden, nooit uitkomt op een stemwaardebepaling die twee tot drie keer zwaarder is, maar dat je blijft in de stemwaardebepaling die geldt voor provincies, die een soortgelijke grootte hebben.

Om hoeveel gaat het dan precies? Wat is de invloed? Dat was een vraag van de heer Van der Linden van Fractie-Nanninga. Voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen waren er 90.000 kiezers geregistreerd. Laat ik dat ook als uitgangspunt kiezen voor de verkiezingen van de Eerste Kamer. Dat zou op basis van de aannames van dr. Otjes betekenen dat er 37 kiescollegeleden worden verkozen. Als je dat doorvertaalt naar de gezamenlijke stemwaarde, dan betekent dat ongeveer 0,5 zetel hier in de Eerste Kamer. De invloed van het kiescollege niet-ingezetenen uit het buitenland, met 90.000 kiezers, staat dus gelijk aan een halve zetel in de Eerste Kamer.

Voorzitter. Dan kom ik bij de vormgeving. Dat is het punt van de heer Schalk en de heer Janssen over het actief kiesrecht. Ik ben het met de leden eens dat het van belang is om ervoor te zorgen dat de politieke partijen goed geïnformeerd en gefaciliteerd worden, zodat dat zij optimaal uitvoering kunnen geven aan datgene wat in deze wet staat. Dat is ook de reden dat ik op 26 september de politieke partijen geïnformeerd heb. Als zij vragen hebben, kunnen zij ook nu al contact opnemen met de gemeente Den Haag. Daarmee is er ook ondersteuning, want de Unit Verkiezingen van de gemeente Den Haag is het directe aanspreekpunt voor kiezers van buiten Nederland voor alle vragen en opmerkingen over registratie en stemmen. Kiezers zijn ook bekend met de wijze waarop zij in contact kunnen komen met de gemeente Den Haag. Ook als ze geen stembescheiden hebben, kunnen ze dat melden. Mochten er zich problemen voordoen met het afgeven van een briefstem bij een diplomatieke post, dan kan dat ook worden gemeld bij de gemeente Den Haag. Die kan het signaal aan ons of Buitenlandse Zaken doorgeven, zodat wij contact kunnen opnemen met de ambassade of met het consulaat.

Voorzitter. De heer Van Hattem vroeg: waarom kiest de regering voor een permanente registratie van niet-ingezetenen en waarom eenmalig? In 2017 is de permanente registratie ingevoerd. Sindsdien hoeven kiezers in het buitenland zich maar één keer te registreren. Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest om de verkiezingen zo toegankelijk mogelijk te houden voor kiezers in het buitenland. De regering hecht eraan om die permanente registratie zo actueel mogelijk te houden. Die vindt dan ook doorlopend plaats door de gemeente Den Haag. De gemeente Den Haag houdt ook intensief contact met de kiezers in de permanente registratie. De kiezers worden in de aanloop naar de verkiezingen actief benaderd met de vraag of hun contactgegevens nog actueel zijn. De permanente registratie bevat behalve e-mailadressen in veel gevallen ook telefoonnummers. De gemeente Den Haag heeft daarmee de mogelijkheid om snel en direct contact op te nemen met de kiezers. Ook mutaties in de Basisregistratie Personen worden automatisch doorgegeven aan Den Haag en zo direct verwerkt in de permanente registratie. Dat is wettelijk zo geregeld.

Als mensen overleden zijn, krijgt de gemeente Den Haag verzonden stembescheiden vaak weer terug. Soms is er een melding via de Basisregistratie Personen. Met de Basisregistratie Personen en het terugsturen van stembescheiden valt nooit een situatie uit te sluiten dat er iemand overleden is en men niet bij een van die twee mogelijke handelwijzen ertussen valt. Maar dan geldt nog altijd dat als je een stem wil uitbrengen, je een kopie moet hebben van een actueel paspoort.

De heer Van Hattem (PVV):

Het gaat niet alleen om het uitbrengen van de stem, maar het gaat ook om de grootte van de groep geregistreerden, om het bepalen van de omvang van die groep. Als mensen zijn overleden en dat niet is doorgegeven aan de gemeente Den Haag, dan tellen zij daar ook in mee. Kan de minister aangeven hoe groot naar haar inschatting die groep ongeveer zou zijn? Over hoeveel kiezers gaat het ongeveer? Een effectieve controle daarop kan eigenlijk niet plaatsvinden. Als iemand ver in het buitenland overlijdt en dat niet wordt doorgegeven, dan weten we dat hier gewoon niet bij de registratie.

Minister Bruins Slot:

Dat is niet helemaal zo. Er is geregeld dat de mutaties in de Basisregistratie Personen ook worden doorgegeven aan de Registratie Niet-Ingezetenen. Het terugsturen van stembescheiden is vaak ook een moment dat de Unit Verkiezingen in Den Haag actie onderneemt. Ik sluit niet uit dat er zich een situatie kan voordoen dat zelfs met die twee bepaalde zaken er toch iemand overleden is. Maar dan nog moet je op het moment dat je je stem uitbrengt ook je legitimatiebewijs meesturen. Dat systeem is vrij afdoende.

De heer Van Hattem (PVV):

Voor het uitbrengen van de stem wel, maar er kan een onzuiverheid ontstaan in de groep geregistreerden, zeker na verloop van jaren, als mensen die stembescheiden misschien niet terugsturen en de gemeente Den Haag ... Ik ga ervan uit dat het deskundige ambtenaren zijn die hard werken, maar misschien zijn ze er niet helemaal zo alert op. Je hebt het toch over 90.000 mensen. En dan gaat die groep uiteindelijk toch verder oplopen. Kan de minister aangeven welke stappen worden ondernomen om het risico te ondervangen dat er een onnodig grote groep geregistreerden vastligt?

Minister Bruins Slot:

Dat ziet sowieso op het feit dat de mutaties in de BRP worden bijgehouden. Maar er is ook het moment dat stembescheiden terugkomen. Dat is één keer in de vier jaar. Deze registratie is eigenlijk nauwkeuriger dan sommige andere, omdat er telefoonnummers en e-mailadressen in zitten. Over het algemeen wordt daar actief op gehandeld. Ik wil hier niet de indruk wekken dat het hartstikke waterdicht is, maar ik denk wel dat het zorgvuldig genoeg is. Ik verwacht niet dat het zulke aantallen zal opleveren dat men daardoor in een situatie zit dat je tienduizenden mensen hebt.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat blijft onzeker. Als die bestanden niet effectief worden opgeschoond, dan kan dit oplopen. Als we het over een aantal van 90.000 hebben en het worden er bij wijze van spreken 10.000, dan wordt het wel een substantieel aantal. Is er een mogelijkheid dat als ambtenaren van de gemeente Den Haag tien jaar lang geen stembescheiden meer hebben teruggekregen of anderszins contact hebben gekregen, ze dan nog een verdere stap kunnen zetten om te controleren of iemand overleden is?

Ik zal een voorbeeld noemen. Ik had een oudoom. Hij is ooit naar Amerika geëmigreerd. Daar hebben we 30 à 40 jaar naar lopen zoeken. Hij is uiteindelijk nooit boven water gekomen. Toen bleek hij allang overleden te zijn. Maar je weet het nooit. Dat is dus een risico dat je kunt lopen.

Minister Bruins Slot:

Daarvoor geldt — dat probeerde ik uit te leggen — dat je met mutaties van de Basisregistratie Personen en een controle op teruggestuurde stembescheiden actief contact met mensen op kunt nemen. Daarom is die administratie ook gewoon goed, want daar staan telefoonnummers en emailadressen in. Je kunt dus actief contact opnemen. Voor de Provinciale Staten is dat natuurlijk niet anders. Daarvoor geldt ook een peildatum, waarbij het ook niet 100% waterdicht is of iedereen op dat moment in leven is.

Voorzitter. Inmiddels heb ik de brief voor me die verstuurd is naar de mensen die in het buitenland wonen. Dank aan meneer Van Hattem dat hij die zo snel beschikbaar wilde stellen. Daarin staat de passage: "Het staat vast dat de kiescollegeverkiezing er komt. Het is alleen nog onbekend wanneer: in het voorjaar van 2023 óf in 2027. Het is verstandig om nu alvast een registratieverzoek in te dienen." Daarmee is in ieder geval op een begrijpelijke wijze aan de kiezer uitgelegd dat er of in 2023 of in 2027 een kiescollege komt.

De heer Van Hattem (PVV):

Die zin heb ik ook gelezen, maar ik interpreteer het toch wat anders. De minister zei eerst dat er letterlijk stond: het is onder voorbehoud van behandeling in de Eerste Kamer. Nu staat er: het staat vast dat het kiescollege er komt, en dat is of in 2023 of in 2027. Dat is toch een andere uitleg dan "onder voorbehoud van behandeling in de Eerste Kamer". Ik kreeg hier namelijk ook vragen over. Mensen in mijn omgeving vroegen: "Jullie moeten er toch nog over spreken en over stemmen? Hoe kan het dan dat deze brief er nu al ligt?"

Minister Bruins Slot:

Het is natuurlijk in de Grondwet vastgesteld. Daar staat in dat er een kiescollege komt. Die is 18 augustus in werking getreden. Daarom hebben we dit ook zo stellig willen opschrijven. Alleen, het jaartal waarin dat er komt, hebben we wel onder voorbehoud opgeschreven. Het wordt 2023 of 2027. We hebben het ook op een toegankelijke manier geschreven, zodat mensen weten dat het of in het ene jaar of in het andere jaar is.

Voorzitter. Dan een ander punt van de heer Van Hattem. Hij had het over het stemgeheim en de stemvrijheid bij briefstemmen. Ik ben het eens met de heer Van Hattem dat de waarborgen voor het uitbrengen van een stem zo goed mogelijk moeten zijn. Alleen, we hebben ervoor gekozen om briefstemmen te doen voor kiezers buiten Nederland, omdat we het ondoenlijk vinden om elke Nederlander in het buitenland te vragen om naar Nederland te komen om zijn stem uit te brengen. Daarom hebben we voor briefstemmen gekozen.

Voorzitter. De heer Van Hattem spreekt zijn zorgen uit over het eventueel ronselen van ondersteuningsverklaringen. Ik wil nadrukkelijk aangeven dat ondersteuningsverklaringen afgelegd moeten worden tegenover een ambtenaar van de gemeente Den Haag. Dat kan op digitale wijze gebeuren, dus dat kan plaatsvinden in een videogesprek met een ambtenaar van de gemeente Den Haag. Ik verwacht daarmee dat het risico op het ronselen van ondersteuningsverklaringen in voldoende mate wordt ondervangen, omdat de desbetreffende ambtenaar van Den Haag het gesprek daarover kan voeren.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar dan is het al te laat, want het moment van ronselen van ondersteuningsverklaringen zal in het voortraject liggen. Dat is hetzelfde als in Nederland. Als je hier bij de balie komt met een geronselde ondersteuningsverklaring, dan sta je ook tegenover een ambtenaar en vul je ook iets in. Bij een digitaal gesprek gaat het precies hetzelfde. Het gaat juist om de controle vooraf. Iemand kan op straat worden aangesproken met het verzoek om een ondersteuningsverklaring te tekenen in ruil voor een bepaald geldbedrag. Dat is in het verleden in Nederland gebeurd. Er zijn zelfs strafrechtelijke uitspraken gedaan over dat soort ronselpraktijken. Kan de minister aangeven hoe er in het voortraject gehandhaafd wordt om te voorkomen dat het ronselen plaatsvindt? Want als ze eenmaal tegenover de ambtenaar zitten, heeft het ronselen al plaatsgehad.

Minister Bruins Slot:

Wat de heer Van Hattem beschrijft, geldt ook hier in Nederland. Het feit dat je bij de ambtenaar zit, bij de gemeente, en dat er iets kan plaatsvinden, is in Nederland niet anders dan in het buitenland. Het belangrijkste is dat er nog steeds een videogesprek of een gesprek aan de balie nodig is, waarin dit soort vragen kunnen worden gesteld en beantwoord. Daar vindt dat gesprek ook gewoon plaats en is dat contact er. Die situatie is hier in Nederland niet wezenlijk anders dan in het buitenland.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Het gesprek an sich is niet anders, maar wel wat er van tevoren gebeurt. Als van tevoren iemand in een Nederlandse gemeente naar ... Ik heb het voorbeeld genoemd van drugsverslaafden die in geldnood zitten.

De voorzitter:

Meneer Van Hattem, ik heb het gevoel dat u de vraag nu gewoon gaat herhalen. Dan krijgt u hetzelfde antwoord. Dus ik denk dat we het daarbij moeten laten. Ik zie de minister ook knikken. Het antwoord zal helaas niet anders zijn.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar ik krijg ook steeds een antwoord van de minister dat hetzelfde is als wat op papier stond. Het punt is juist dat er zich praktijken kunnen voordoen waarbij mensen op straat ...

De voorzitter:

Nee, nee, ik geef u nu toch niet de gelegenheid om nóg een keer uw vraag te stellen. U heeft het antwoord gekregen. Het heeft geen zin om de vraag nog een keer te herhalen. De minister.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter. Er was nog een andere vraag van de heer Van Hattem. Hij vroeg naar de positieve en negatieve kanten van digitale beraadslagingen. Voor de leden van het kiescollege heb ik ervoor gekozen om de normale vergaderingen digitaal te doen, omdat de leden van het kiescollege straks overal in het buitenland wonen. Van mensen die er ervaring mee hebben hoor ik breed dat digitale vergaderingen goed voldoen voor algemene vergaderingen. Ik vind het anders op het moment dat je daadwerkelijk je stem uitbrengt. Dát is ook het moment dat we van de leden van het kiescollege eisen dat ze in Nederland zijn om hun stem uit te brengen. Dat moet wel in de fysieke vergadering gebeuren vanwege de waarborgen die we voor het verkiezingsproces wensen. De gemeente Den Haag ondersteunt het kiescollege en ook de fysieke stemming daarover. Deze vergadering zal ook voor iedereen toegankelijk zijn. Daar zal de gemeente Den Haag ook bij de locatiekeuze rekening mee houden. De vergaderingen van het kiescollege worden aangekondigd via de website van de gemeente Den Haag. De wet kent geen grondslag dat de opnames van de fysieke vergadering ook achteraf beschikbaar zijn. Ik wil de heer Van Hattem wel toezeggen dat ik aan de gemeente Den Haag zal vragen of het mogelijk is om een opname van de vergadering te maken.

Voorzitter. Inderdaad, het kiescollege wordt ondersteund door een griffier. Dat gebeurt op een vergelijkbare wijze als waarop de griffier ook de gemeenteraad terzijde staat. Het kiescollege kan ook nadere regels stellen over de taken en de bevoegdheden van de griffier en daarmee eventuele onduidelijkheden over de afbakening, als die er zouden zijn, op voorhand wegnemen. Maar daar biedt de wet ook een grondslag voor.

Voorzitter. De heer Van Hattem heeft ook gevraagd naar de democratische verantwoording en de controle daarop. Dit kiescollege is eigenlijk ook op dezelfde wijze geregeld als op de BES: er is niet een orgaan dat toezicht houdt op het kiescollege, maar men moet zich natuurlijk wel verantwoorden over datgene wat men doet, omdat men uiteindelijk ook zijn stem uitbrengt.

Voorzitter. Er is blijvende aandacht nodig voor de kandidaatstelling van het kiescollege BES. Wat gaat de minister daar concreet op doen? In 2023 vindt voor de tweede keer een verkiezing van het kiescollege op de openbare lichamen plaats. Het gaat om een relatief nieuwe verkiezing. We zullen ook gewoon aandacht blijven besteden aan de kandidaatstelling. Dat betekent dat we specifiek voor Caribisch Nederland de Rijksdienst Caribisch Nederland vragen om hier extra aandacht aan te besteden en dat we dat via de communicatie verder oppakken.

Voorzitter. Dan de vraag welke rol onder andere de diplomatieke posten spelen en hoe dat verdergaat. Het informeren van de kiezers gebeurt door de gemeente Den Haag. Ik heb al verteld dat de gemeente Den Haag sinds 1 september aan alle kiezers — en dat is inmiddels voltooid — het verzoek stuurt om zich te laten registreren. Ook is er op 26 september een brief aan de politieke partijen gestuurd. Er is aan de politieke partijen op 26 september een brief gestuurd. Verder verstuurt de gemeente Den Haag ook, zoals altijd, aan iedere Nederlander die nu naar het buitenland verhuist en een adres in het buitenland achterlaat een brief met een uitnodiging om zich te registreren als kiezer buiten Nederland. In deze brief worden Nederlanders nu ook uitgenodigd om zich op voorhand te registreren. Als u het wetsvoorstel aanneemt, kunnen we natuurlijk specifiek zeggen voor welke verkiezing ze zich registreren. Op het moment dat dit wetsvoorstel aangenomen is, zullen we het ook op ruimere schaal bekendheid gaan geven. Dat wordt gedaan door de gemeente Den Haag, door mijn ministerie, door het ministerie van Buitenlandse Zaken, al dan niet ook via het postnetwerk en ook via de website van de gemeente Den Haag, via nederlandwereldwijd.nl, via social media en waar nodig ook via de vereniging van de Nederlanders die in het buitenland zijn.

De heer Schalk (SGP):

Nog even over die brief die er dus al is uitgegaan naar de bekende Nederlanders. Is die nu gestuurd naar de Nederlanders die bekend zijn omdat die zich al eerder geregistreerd hebben, bijvoorbeeld voor de Tweede Kamer?

Minister Bruins Slot:

Ja.

De heer Schalk (SGP):

Een hele flauwe vraag, maar toch van belang: mag dat? Is dat AVG-proof? Want die hebben zich alleen geregistreerd voor de Tweede Kamer. Mogen die adressen dan gebruikt worden?

Minister Bruins Slot:

Ja. Volgens mij is dat ook ergens in het wetsvoorstel geregeld. Dat schiet me zo wel te binnen, dus dat komt goed.

Voorzitter. Dan de vraag op welke wijze de ervaringen van de Nederlanders in het buitenland en van de politieke partijen die die kandidaatstelling moeten organiseren, meegenomen worden in de evaluatie. Ja, de ervaring van de kiezerskandidaten en de politieke partijen moet een onderdeel vormen van deze evaluatie. In de memorie van toelichting heb ik ook geschreven dat er in het kader van de evaluatie een enquête gehouden gaat worden, zowel onder de kandidaten als onder de kiezers. Het ligt dan ook voor de hand om ook de politieke partijen te bevragen met een enquête over de kandidaatstelling. Dat betekent dat ik hier, zoals altijd, een evaluatie doe en daarna vaak ook een debat voer met de Tweede Kamer en soms ook met de Eerste Kamer over de uitkomsten daarvan. Diezelfde werkwijze wil ik aanhouden. Ik zal de Kamer daar ook over informeren.

De heer Dittrich vroeg: kan de opzet van de evaluatie van tevoren gedeeld worden met de Kamer? Het lijkt een gewoonte te worden als ik nog een keer ja zeg, omdat we het daar hiervoor ook in een debat over hebben gehad. Daar heb ik ja op gezegd, omdat ik de argumenten die de Kamer ook eerder naar voren bracht heel erg herken. Het gaat om zorgvuldig zijn daarin. Ik moet heel eerlijk zeggen: als ik nu twee keer ja zeg, dan wordt het bijna een gewoonte dat ik elke opzet van een evaluatie aan deze Kamer stuur. Dat vind ik dan ook weer … De vraag is even: is er een bijzondere reden tot zorg dat ik deze evaluatie niet op een zorgvuldige wijze ga doen? Dat ga ik namelijk zeker doen. Er zitten hele verstandige mensen, die echt al heel vaak veel evaluaties van verkiezingen hebben gedaan.

Voorzitter. Dan het democratisch tekort in het Koninkrijk. De heer Ganzevoort vroeg daarnaar. Het was vooral een pleidooi om daar iets aan te doen. Het staat natuurlijk een beetje los van dit wetsvoorstel, maar laat ik gewoon zeggen wat ik op dit moment weet. De staatssecretaris van BZK is primair verantwoordelijk voor dit onderwerp, omdat het met name Koninkrijksrelaties raakt. Maar omdat het ook gaat om democratie in brede zin, heb ik natuurlijk een medeverantwoordelijkheid. De staatssecretaris zal de Kamers binnenkort informeren over de wijze waarop het kabinet voornemens is om dit onderwerp op te pakken. De bedoeling is natuurlijk dat dit gebeurt in nauw overleg met de Caribische landen van het Koninkrijk.

Dank u wel, voorzitter.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik weet dat er informatie aankomt over hoe men met de rijkswetten wil omgaan; dat was namelijk aangekondigd in het regeerakkoord. Maar mijn verzoek ging over de bredere vraag over Nederlanderschap in de Caribische landen. Hoe werkt dat hierin door? Dat is een principiële discussie. Het is inderdaad buiten de orde van vandaag, dus ik houd gauw mijn mond. Maar als u dat breder dan de rijkswetten kunt meenemen in de brief, heel graag.

Minister Bruins Slot:

Ik heb begrepen dat over beide onderwerpen een brief komt.

Voorzitter, dat was de beantwoording.

De voorzitter:

Daarmee bent u aan het einde van uw beantwoording? Dank u wel, minister.

Thans komen we bij de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan de heer Ganzevoort. De heer Ganzevoort ziet af van zijn ene minuut, waarvoor hij zich wel ingeschreven had. Dan ga ik naar de heer Van der Linden. Die is wel bereid om het woord te voeren.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Ik maak de minuut ook niet vol, voorzitter. Ik wil de minister graag bedanken voor haar beantwoording. Deze invoeringswet geeft mij ondanks de beantwoording nog wel het gevoel dat we toch wat te snel gaan en dat er nog wat risico's zijn, maar op een aantal punten zijn we ook wel wat gerustgesteld, zoals over de weging, de stemwaarden en dat het zich vertaalt in een halve zetel qua impact. Ik ga ons standpunt nog bespreken met mijn fractie en de definitieve uitkomst daarvan zal blijken bij de stemming volgende week.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Linden. Dan is het woord aan de heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. Ik wil de minister graag bedanken voor haar heel heldere beantwoording. De fractie van D66 kijkt ernaar uit dat Nederlanders in het buitenland bij de eerstkomende verkiezingen in maart 2023 kunnen stemmen via het kiescollege en de samenstelling van de Eerste Kamer mede kunnen beïnvloeden. Dat vinden wij belangrijk. Ik hoop dat we vanavond over dit wetsvoorstel kunnen stemmen. Ik heb dat al eerder doorgegeven via de Griffie, maar ik kan het hier nog een keer plenair doen; het verzoek van mijn fractie is in ieder geval om aansluitend te stemmen.

De voorzitter:

Ik kom later terug op dit ordevoorstel. Dan is het woord aan de heer Koole.

De heer Koole (PvdA):

Voorzitter. Dank aan de minister voor de heldere beantwoording van de vele vragen. Ik denk dat het heel goed is dat ook de Nederlanders in het buitenland kunnen stemmen voor de Eerste Kamer. Naar het oordeel van mijn fractie is de wet snel behandeld maar wel zorgvuldig. Ik ben blij met de uitspraak dat er bij het afwijken van het advies van de Kiesraad een pragmatische invulling is gegeven van een principieel uitgangspunt.

Ik heb nog wel een vraag over de evaluatie. Ik had gevraagd of ook het punt van de Kiesraad over de gelijkheid van de kiezers daarin zou kunnen worden meegenomen. De Kiesraad heeft immers gepleit voor het hebben van gelijkelijke invloed op de Eerste Kamer. Het zou goed zijn als in de evaluatie aan de orde kan komen of dat iets is wat ergens als een probleem wordt ervaren. Want als dat nergens als een probleem wordt ervaren, is ook meteen de Eerste Kamer bediend.

Ik ga mijn fractie positief adviseren, maar eigenlijk heb ik dat al gedaan, want ik ben ervan uitgegaan dat wij vanavond stemmen. En dan zullen wij voor stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koole. Dan is het woord aan de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Voorzitter. Uiteraard dank aan de minister voor de antwoorden, waarvan ik er nog één tegoed heb, namelijk over de AVG. Ik zat even snel te zoeken in de wet, maar ik kan het eerlijk gezegd niet vinden. Misschien dat het dan in de memorie van toelichting staat of iets dergelijks. Dus misschien dat de minister daar nog op kan reageren.

Ik heb de minister goed gehoord dat er sprake is van voortschrijdend inzicht, beargumenteerd langs de lijn van: in Den Haag heeft men laten zien dat het sneller kon. Ik heb er waardering voor dat de minister er in ieder geval voor gezorgd heeft dat men de data weet waarop brieven zijn verstuurd, maar naar mijn bescheiden mening heeft dat er in ieder geval nog niet toe geleid dat alle politieke partijen meteen op scherp stonden, zeker niet als het op de goede manier geschreven is aan die politieke partijen, namelijk dat het onder voorbehoud van stemmingen in de Eerste Kamer zou zijn.

Ik heb al aangegeven dat mijn fractie zorgen heeft over een goede uitvoering. Dat betekent dat ik op dit moment nog niet positief gestemd ben over dit wetsvoorstel.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Dan is het woord aan de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording in eerste termijn.

Allereerst nog even over de brief die net werd rondgedeeld. De minister zegt heel stellig dat het is onder voorbehoud van parlementaire behandeling. Vervolgens blijft het bij een verklaring dat het vaststaat dat het kiescollege er komt, in 2023 of 2027. Dan kan er wel worden gezegd dat het in eenvoudige taal is opgesteld, maar ik vind dat er toch nog wel een verschil in zit. Als de minister het echt zo had bedoeld, had hier gewoon moeten staan: de Eerste Kamer spreekt er nog over, dus dat voorbehoud is er. Dat is heel wat anders dan zeggen dat het vaststaat dat het kiescollege er komt en daarbij verwijzen naar die grondwetswijziging. Dat is heel wat anders dan de wettelijke behandeling die we op dit moment doen. Ik vind het eigenlijk een zwaktebod, zoals het in de brief staat.

Dan heb ik een paar punten die nog wel besproken moeten worden. Allereerst is er het punt over het briefstemmen. Die frauderisico's blijven daarbij aanwezig, maar bovenal is er het risico met betrekking tot het stemgeheim en de stemvrijheid. Ik hoor toch graag van de minister nog een iets duidelijkere bespiegeling op hoe dat nou beter gewaarborgd kan worden. We hebben het altijd over het belang van vrouwenkiesrecht, dat 100 jaar geleden is ingevoerd. We krijgen gewoon situaties — ik noem een land als Turkije — waarin de man over de schouder van de vrouw meekijkt, of sterker nog, het alleen maar zelf invult en opstuurt. Hoe kunnen we zulke situaties tegengaan? Bevorderen we dat niet juist door briefstemmen in te voeren?

Ik heb de minister nog niet gehoord over de vraag die ik heb gesteld over het standpunt van IPO en VNG. Is het niet onzuiver om in de pas te lopen van hun lobby, waarbij ze niet eens hun achterban, Statenleden en raadsleden, geraadpleegd hebben?

Dan kom ik bij het punt waar we het net nog even in de interrupties over hadden: het ronselen van ondersteuningsverklaringen. In het verleden hebben zich daarbij heel vervelende situaties voorgedaan in Nederland. Er is een rapport verschenen van de Kiesraad in 2007 over dat onderwerp. Het is wel vijftien jaar geleden, maar voor een wet als deze is dat een relatief korte termijn. Daar staan voorbeelden in van wat er is gebeurd met het werven van junks en daklozen en dergelijke, die tegen betaling naar het gemeentehuis gingen om daar ten overstaan van de ambtenaar die ondersteuningsverklaring af te leggen. Hetzelfde risico ga je nu ook lopen met deze digitale werkwijze. Hier kan ook iemand op straat of anderszins worden geworven. Die kan inloggen op het systeem en via het digitale schermpje tegenover de ambtenaar of de burgemeester gaan zitten en doodleuk verklaren dat hij oprecht die ondersteuningsverklaring wil invullen. Ondertussen wordt hij misschien door iemand betaald of is hem een andere gunst beloofd of verstrekt. Mijn vraag aan de minister is dus wat het kabinet gaat doen om dat soort praktijken te voorkomen. Zeker bij zo'n verkiezing in het buitenland is het moeilijk om mensen te vinden voor ondersteuningsverklaringen, zeker voor partijen die minder goed georganiseerd zijn in het buitenland. Dat zijn allemaal risico's die hierbij op kunnen treden. Is het risico niet extra groot dat er voor die ondersteuningsverklaringen geronseld kan worden? Ik hoor graag van de minister of er niet toch nog iets meer moet worden gedaan om dat soort wanpraktijken te voorkomen.

Dan tot slot, voorzitter. Ik heb in de eerste termijn al aangehaald dat er in de nota stond dat bepaalde partijen hadden gevraagd om deze wet met spoed te behandelen. Ik begreep in de eerste termijn van de minister dat het vooral D66 was dat daar om had gevraagd en nog een enkele andere partij, maar absoluut geen meerderheid in een of beide Kamers. Mijn vraag aan de minister is dus nogmaals: waarom zulk soort spoedwetgeving à la carte? Hoe kan het dat een of twee partijen hier met de vuist op tafel kunnen slaan en aan het kabinet kunnen vragen om met spoed deze wet erdoorheen te krijgen? Is het niet gewoon onzuiver en onzorgvuldig dat wij nu met stoom en kokend water deze wet moeten behandelen, omdat met name D66 heeft gevraagd om deze wet er snel doorheen te jassen, omdat ze er misschien enig voordeel bij genieten?

Tot zover, voorzitter, in tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Dan is het woord aan de heer Janssen.

De heer Janssen (SP):

Voorzitter, dank u wel. De minister heeft bij interruptie al bevestigd dat er voor de uitvoering van deze wet geen nieuwe ICT en geen nieuwe software nodig is. Dat hebben we opgeschreven. Daar houden we de minister aan. Daar kan het in ieder geval niet misgaan.

Voorzitter. Dan hoorde ik de minister volgens mij zeggen dat de berekening is uitgekomen op een stemwaarde van vergelijkbare provincies. Dat vind ik heel ingewikkeld als we zien dat de kleinste provincies ongeveer 400.000 inwoners hebben en bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen ongeveer 90.000 mensen per brief gestemd hebben. Dus hoe kan de minister dan zeggen dat het is uitgekomen bij vergelijkbare provincies? Dat vind ik een wel heel ingewikkelde vergelijking.

Ik vind dat de minister wel erg zuinig is geweest in de beantwoording op mijn punt om partijen de kans te geven om kiezers speciaal voor deze verkiezing te bereiken. De minister heeft ons opgeroepen om de kiezers de keuze te geven, maar dan moet je de kiezers wel kunnen bereiken. Daarvoor is een paar maanden echt te kort. De minister was zuinig in haar antwoord op dit punt. Ze zei dat er een hulplijn voor politieke partijen is, volgens mij ook bij de gemeente Den Haag, maar daar gaat het niet om. Dat is niet de hulplijn die wij zoeken. Wij zoeken de tijd om ook mensen in het buitenland speciaal voor dit doel en voor deze verkiezing te kunnen bereiken en te kunnen mobiliseren. En dan is een paar maanden echt te kort. Als de minister zegt "ja, maar iedereen wist dat dit eraan zat te komen, dus je had je voor kunnen bereiden", noem ik maar even dat de Omgevingswet op 1 juli 2019 zou ingaan.

Voorzitter. Dit voorstel, zoals het er nu ligt, schiet wat ons betreft op twee punten tekort. Dat is ten eerste het punt van de voorbereidingstijd voor partijen om zich bij kiezers bekend te maken voor deze specifieke verkiezing. Dat is echt niet goed. Ik begrijp het punt dat de heer Van Hattem maakte en waarop de minister zei dat sommige partijen hierop hebben aangedrongen. In de Tweede Kamer waren dat VVD en D66. Als ik dat vergelijk met het briefstemmen bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2021 is dat ongeveer 40% van de stemmen. Ik heb hiervan in eerste termijn nog gezegd dat ik dat wel snap, maar ik vind het ook een taak voor de minister om te zeggen: ja, wacht even, er zijn ook nog andere belangen. Dat heb ik gemist.

Het tweede punt waarop dit wetsvoorstel volgens mijn fractie tekortschiet, is de grondslag. Die is gefabriceerd. Het is een verkeerde weg en die zouden we niet moeten ingaan. Ik heb nog even overwogen om, met het oog op de stemming, de tekst van de heer Dittrich bij het eerder behandelde wetsvoorstel vandaag over te nemen: "Ik moet dit echt even mee terugnemen naar mijn fractie. Ik moet dit even laten bezinken. Ik moet hier nog even zorgvuldig overleg over voeren." Ik heb dat overleg niet nodig, want wij zullen tegen dit wetsvoorstel stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Janssen. Dan is het woord aan de heer Meijer namens de VVD. De heer Meijer heeft geen spreektijd meer. Dan is het woord aan de heer Otten namens de Fractie-Otten. Hij ziet ervan af.

Wenst een van de leden in tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in de gelegenheid om direct te reageren op de vragen van de Kamer? Vijf minuten schorsen? Dan schors ik tot 21.15 uur.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter. Ik dank de leden voor de resterende inbreng. Ik zeg de heer Koole toe dat we het punt dat hij maakte over de evaluatie expliciet zullen betrekken. Dat zullen we doen.

Dan over het punt van de briefstemming. Ik herhaal nog een keer wat ik eerder heb gezegd. Op dit punt geldt natuurlijk dat we niet van de kiezers in het buitenland kunnen vragen om hun stem in Nederland uit te brengen. Dan kom je uit op briefstemmen. De handelwijze voor de kiezers in het buitenland is bij de Tweede Kamerverkiezingen en de Europese Parlementsverkiezingen hetzelfde. Die voeren we op dezelfde wijze uit.

Voorzitter. Dan kom ik bij het punt van het ronselen. Ik beargumenteerde richting de heer Van Hattem dat de kwetsbaarheden die in dit proces zitten, niet alleen gelden voor de stemmers in het buitenland, maar zeker ook voor stemmers in Nederland. Hij adresseert de vraag of wij nog eens kunnen kijken wat wij verder zouden kunnen doen op het gebied van ondersteuningsverklaringen. Ik ben bezig te bekijken of de kandidaatstelling op een andere wijze kan worden vormgegeven. Ik wil op basis van het rapport uit 2007 gaan onderzoeken of er een mogelijkheid kan worden gecreëerd om ondersteuningsverklaringen in te trekken. Maar dat geldt dan voor Nederland en daarbuiten. Dat is echt toekomstig beleid in het kader van de kandidaatstelling. Ik vind de vraag van de heer Van Hattem wel zodanig dat ik dat aspect van de ondersteuningsverklaringen wil oppakken in het bredere beleid.

Voorzitter. Dan kwam ook het punt van de heer Janssen naar voren over kleine provincies. Eens, ik heb mijzelf daar niet nauwkeurig genoeg geuit. De stemwaarde van ongeveer 90.000 kiezers is 33. Een provincie als Zeeland, de kleinste provincie qua inwoners maar niet qua statuur, heeft een stemwaarde van 98. Dan zie je dat de stemwaarde hoger is omdat er meer mensen in Zeeland wonen.

Dan het punt van het aanschrijven van de mensen om zich te registreren voor het kiescollege niet-ingezetenen in de Eerste Kamer. Den Haag heeft de bevoegdheid om kiezers aan te schrijven. We zullen de zaken die Den Haag binnenkrijgt, de kiezers die "ja" zeggen, pas verwerken in een registratie als dit wetsvoorstel in werking is getreden.

Dan, voorzitter, het punt van digitale vergaderingen. Ik heb de koepelorganisaties gebruikt om te zeggen dat de digitale wet in het algemeen een positieve bijdrage heeft geleverd aan de ervaringen van volksvertegenwoordigende organen met het vergaderen en beraadslagen. Op basis van die grond heb ik in dit wetsvoorstel opgeschreven dat normale vergaderingen van het kiescollege ook digitaal kunnen plaatsvinden. Als we hier drie jaar geleden, voor corona, over digitaal vergaderen van het kiescollege hadden gesproken, was het een heel ander vraagstuk geweest. We hebben de afgelopen jaren echter gezien dat digitale vergaderingen daadwerkelijk goede vergaderingen kunnen zijn.

Dat zijn de vragen die ik heb gekregen.

De voorzitter:

Dank u wel, minister. De heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Als we het dan netjes afmaken, ook nog even de laatste vraag van mij over de AVG. Ik heb begrepen dat de minister doelde op degenen die nu ingeschreven worden. Mijn vraag was: mag je volgens de AVG de geregistreerden van een vorige verkiezing gebruiken voor het aanschrijven voor een andere verkiezing?

Minister Bruins Slot:

Op basis van de Kieswet kan Den Haag die aanschrijven, maar ik zeg wel dat we die pas verwerken als de wet in werking is getreden. Dan bouw je nieuwe registratieborgen in en dat doe je op basis van artikel 31 en 37 uit de overgangsbepalingen.

De voorzitter:

Dank u wel, minister.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van wetsvoorstel 36071, Wet kiescollege niet-ingezetenen. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Ik zie dat de heer Dittrich het woord wenst.

De heer Dittrich (D66):

Ik zou inderdaad graag stemming willen over het wetsvoorstel, en wel vanavond. Elke week telt tot aan de verkiezingen die eraan zitten te komen. Politieke partijen moeten van alles organiseren. Daarom kunnen we eigenlijk geen tijd verliezen. Dat is de reden waarom ik vraag om een stemming, vanavond nog. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Gezien het onderwerp zal ik straks hoofdelijk … Ik bedoel dat ik over dit ordevoorstel straks zal laten stemmen bij zitten en opstaan. Ik kijk eerst rond of een van de leden nog het woord wenst over het ordevoorstel. "Hoofdelijk" was een slip of the tongue.

De heer Van Hattem (PVV):

Als de stemming bij zitten en opstaan heeft plaatsgevonden, is er dan nog gelegenheid om over de verdere stemprocedure te spreken?

De voorzitter:

Wat bedoelt u precies?

De heer Van Hattem (PVV):

De aard van de stemming.

De voorzitter:

Als het ordevoorstel is aangenomen, gaan we aansluitend over het wetsvoorstel stemmen.

De heer Van Hattem (PVV):

Dan wil ik hierbij alvast om een hoofdelijke stemming vragen.

De voorzitter:

Dan ga ik nu even schorsen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik begrijp dat de heer Dittrich het woord wenst.

De heer Dittrich (D66):

Dank, voorzitter. Ik was enigszins verrast door het voorstel van de heer Van Hattem om een hoofdelijke stemming aan te vragen. Dat zou er dan toe leiden dat de vergadering geschorst zou worden, dat er allemaal mensen hiernaartoe moeten komen en dat wij hier urenlang zitten te wachten. Het komt op mij over als een soort obstructie om dat zo te vragen. Gelet op die omstandigheden, trek ik mijn voorstel in om vanavond te stemmen, op voorwaarde dat er dan aanstaande dinsdag over het voorstel gestemd wordt.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan stel ik vast dat het ordevoorstel van de heer Dittrich om vanavond te stemmen is ingetrokken. Ik stel voor om volgende week te stemmen over het wetsvoorstel, en wel hoofdelijk.

Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de vergadering. Ik dank alle leden en de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt, en ik dank de minister voor haar komst naar de Kamer. Ik wens u allen wel thuis.

Naar boven