Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten (ingezonden 28 april 2026).

Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 16 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1952.

Vraag 1

Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?

Antwoord 2

Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.

Vraag 3

Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?

Antwoord 3

Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.

Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.

Vraag 4

Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.

Vraag 5

Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?

Antwoord 5

Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.

Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.

Vraag 6

In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?

Antwoord 6

Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.

Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.

Vraag 7

Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?

Antwoord 7

De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».

Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.

De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.

De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8

Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.


X Noot
1

NOS, 25 april 2026, «Politie grijpt in bij protest op A12 bij Utrecht, 400 aanhoudingen», https://nos.nl/artikel/2611926-klimaatprotest-op-a12-bij-utrecht-forse-verkeershinder

X Noot
2

ECLI:NL:HR:2025:1436.

X Noot
5

Artikel 5b, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
6

Artikel 5b, achtste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
7

Artikel 5b, negende lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
8

Kamerstukken II 2019/20, 35 437, nr. 7.


X Noot
1

NOS, 25 april 2026, «Politie grijpt in bij protest op A12 bij Utrecht, 400 aanhoudingen», https://nos.nl/artikel/2611926-klimaatprotest-op-a12-bij-utrecht-forse-verkeershinder

X Noot
2

ECLI:NL:HR:2025:1436.

X Noot
5

Artikel 5b, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
6

Artikel 5b, achtste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
7

Artikel 5b, negende lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

X Noot
8

Kamerstukken II 2019/20, 35 437, nr. 7.

Naar boven