Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 1858 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 1858 |
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel en dient altijd opvolging te krijgen. Hoewel ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in ga op individuele casuïstiek, neem ik dit signaal zeer serieus en bevestigt het voor mij de urgentie om in het kader van de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) samen met de politie en het OM te bezien hoe slachtoffers zo goed als mogelijk geholpen kunnen worden.
Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen functionarissen met een publieke taak is essentieel. Functionarissen met een publieke taak dienen extra bescherming te krijgen tegen agressie en geweld verband houdend met hun functie, omdat hun publieke taak cruciaal is voor de samenleving en tegen aantasting moet worden beschermd. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt: de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA). De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken.2 Ik verwacht uw Kamer in de zomer de herziene versie van de ELA toe te sturen.
Het is van groot belang dat slachtoffers na het doen van aangifte adequaat worden geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Slachtoffers hebben het recht om voldoende informatie te ontvangen, indien ze dit wensen. De politie en het OM spannen zich hiervoor in. In de ELA is vastgelegd dat slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, desgewenst, optimaal worden geïnformeerd over hun positie en strafzaak.
Conform de ELA dient de politie de benadeelde optimaal te informeren en te ondersteunen bij het verhalen van de schade op de dader. Uit de openbare Aanwijzing slachtoffers in het strafproces (2024A001) van het OM volgt dat het OM in beginsel aan elk slachtoffer een bericht stuurt als het proces-verbaal tegen de verdachte door de politie naar het OM is gestuurd.
Wanneer het slachtoffer in het algemeen verzoekt om informatie over de aanvang en voortgang van een zaak, dan wordt door of namens het OM van het begin tot het einde van de strafzaak alle informatie verstrekt die volgens de wet3 moet worden verstrekt, onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek, het niet vervolgen van een strafbaar feit en de aanvang en voorzetting van de vervolging.
De afgelopen jaren zijn er door het OM verbeteringen op het gebied van informatievoorziening richting slachtoffers doorgevoerd. Zo is er bij het Openbaar Ministerie een slachtofferinformatiepunt ingericht en kunnen slachtoffers inloggen op MijnSlachtofferzaak.nl, waar zij berichten vinden over de voortgang van de strafzaak, informatie over slachtofferrechten en contactgegevens van de betrokken organisaties.
De opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een Veilige Publieke Taak (VPT) heeft voor mij grote prioriteit, net als voor de politie en het Openbaar Ministerie. Dat volgt ook uit de ELA. Helaas leidt de beperkte capaciteit in de strafrechtketen in sommige gevallen tot langere doorlooptijden.
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zoals toegelicht onder vraag 2 en 3 is een adequate informatievoorziening van essentieel belang en is dit een doorlopend aandachtspunt bij de politie en het OM.
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Net als de politie en het Openbaar Ministerie neem ik agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak zeer ernstig op. Deze zaken krijgen daarom prioriteit. In 2024 volgde in 85 procent van de aangiften een strafvorderlijke reactie en in 2025 in 86 procent van de aangiften.4 Uit de door het OM gepubliceerde cijfers over 2025 blijkt dat het OM 55 procent van de Veilige Publieke Taak-zaken aan de rechter voorlegt5. Dat is meer dan gemiddeld. De overige 45 procent wordt afgehandeld door het OM. Van de 45 procent wordt 31 procent door het OM afgedaan met een strafbeschikking, transactie of voorwaardelijk sepot. Het gaat dan vooral om de lichtere delicten zoals belediging of het niet opvolgen van een bevel. Tot slot wordt 14 procent van de VPT-zaken onvoorwaardelijk geseponeerd, waarvan circa 30 procent vanwege het ontbreken van wettig bewijs. Het sepotpercentage is minder dan gemiddeld. Zoals toegelicht onder het antwoord op vragen 2 en 3, spannen de politie en het OM zich in voor adequate informatievoorziening en hebben slachtoffers het recht om voldoende informatie te ontvangen. Dat laat onverlet dat het kan voorkomen dat in individuele gevallen dingen beter moeten.
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?6
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
In de evaluatie van de ELA uit 2025 wordt geconcludeerd dat de ELA een belangrijke meerwaarde hebben voor de aanpak van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak.7 De onderzoekers schrijven dat dankzij de ELA de opsporing en vervolging van VPT-incidenten met meer prioriteit en kwaliteit wordt uitgevoerd door de politie en het OM. Door de afspraken wordt een grotere focus en urgentie gevoeld voor de aanpak van agressie en geweld in het complexe en drukke werkveld van de strafrechtketen. Dat zorgt voor een snellere en gerichtere strafrechtelijke afhandeling van zaken. Tegelijkertijd worden er ook een aantal knelpunten gesignaleerd, dat de meerwaarde van de ELA beperkt. Een deel van deze knelpunten was reeds aan het licht gekomen in de evaluatie van de ELA uit 2020 en (nog) niet adequaat opgelost.8 Bij de lopende herziening van de ELA worden deze knelpunten in ogenschouw genomen.
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Voor wat betreft het al dan niet opnemen van aangiftes geldt dat het kan voorkomen dat er onvoldoende bewijs is voor een strafbaar feit. Bij twijfel over de strafbaarheid van het feit, is de afspraak dat de politie altijd contact legt met het OM. Indien geen sprake is van een strafbaar feit, wordt dit feit wel in de politieregistratie opgenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (LJS) herkent de signalen waar het gaat om terughoudendheid bij het opnemen van aangiftes wanneer de verdachte een ggz-patiënt was. De afgelopen twee jaar zijn er door het Ministerie van VWS tien regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie tegen zorgmedewerkers waarin deze signalen zijn geuit.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid organiseert deze zomer samen met de politie en het OM een sessie met werkgevers van de VPT-beroepsgroepen om te bezien waar zij namens slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tegenaanlopen. De informatie die hier wordt opgehaald zal samen met bovengenoemde signalen worden betrokken bij de herziening van de ELA.
Als iemand van mening is dat een aangifte onterecht niet wordt opgenomen of niet wordt doorgezet kan degene die aangifte wil doen contact opnemen met de regionale contactpersoon Veilige Publieke Taak (VPT) van de politie. Deze VPT-contactpersoon kan vervolgens actie ondernemen. Deze mogelijkheid is echter nog niet overal bekend. Met behulp van de herziening van de ELA en de werkgeverssessie die we in de zomer organiseren wordt getracht om bij te dragen aan de bekendheid van deze VPT-contactpersonen.
Onder andere de arbeidsmarktfondsen Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen, Sociaal Fonds voor de kennissector (het fonds van o.a. de UMC’s), Opleidings-en Ontwikkelfonds Geestelijke Gezondheidszorg en Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg verspreiden deze informatie actief onder de ziekenhuizen, UMC’s, VVT-instellingen en GGZ-instellingen. De Minister van LJS zal deze informatie ook onder de aandacht brengen van partijen in andere delen van de zorg en welzijn. Om de verbinding tussen een organisatie in zorg en welzijn en de politie en het OM te versterken, is het mogelijk om binnen een organisatie één plek in te stellen waarin kennis en kunde wordt verzameld over onder meer het strafproces. Hierdoor worden organisaties minder afhankelijk van de kennis van de politie en kan er in het geval van knelpunten in de uitvoering of behoefte aan nadere afstemming, bijvoorbeeld bij bovengenoemde signalen, makkelijk contact worden gezocht met het vaste aanspreekpunt voor agressie en geweld tegen functionarissen bij elke politie-eenheid. Dit is met name een mogelijkheid voor grote organisaties.
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
Het komt helaas vaak voor dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen met verward gedrag. Niet altijd is er bij deze meldingen sprake van psychiatrische problematiek en ook niet van een verdenking van een strafbaar feit of een risico voor de veiligheid van omstanders of de samenleving. In acute situaties in avond-, nacht- en weekenduren is het echter vaak zo dat dan alleen een beroep kan worden gedaan op de politie, ambulancevervoer en op de crisisdienst ggz. Afhankelijk van de ernst van het incident wordt bepaald wat op dat moment de beste vervolgstappen zijn. Dit kan betekenen dat men de persoon meeneemt naar het bureau en/of dat de persoon wordt overgedragen aan de zorg (bijv. via Crisis Interventie Teams). In sommige eenheden gaan politiemensen samen met zorgprofessionals op een incident af zodat men ter plekke via triage kan bepalen wat de vervolgstappen zijn. Denk aan goede voorbeelden zoals straattriage in Twente. De bredere inzet van dit Kabinet in de aanpak van personen met verward/onbegrepen gedrag is gericht op een aantal thema’s waar uw Kamer per brief van 11 december over is geïnformeerd en tijdens het commissiedebat van 9 april 2026 is besproken.9 De samenwerking tussen politie en zorg is daar ook onderdeel van.
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Agenten zijn voldoende toegerust en getraind. Een agent wordt in twee jaar tijd opgeleid tot het startbekwaam zijn. Omgaan met verward gedrag, de-escaleren en crisiscommunicatie zijn onderdeel van deze basisopleiding.
De politie beziet voortdurend hoe zij het beste invulling kan geven aan haar taken en welke werkwijzen daarvoor passend zijn. Zo is in het kader van deze aanpak het onderwijsaanbod Zorg en Veiligheid geactualiseerd en wordt deze verder doorontwikkeld, inclusief de module Personen met verward gedrag met daarin aandacht voor vroegsignalering en preventie. Daarnaast zijn er verschillende (digitale) leermiddelen beschikbaar over het thema, en wordt geëxperimenteerd met het verweven van de benodigde kennis in bijvoorbeeld IBT-trainingen. In aanvulling op de landelijk gevalideerde leermiddelen, verzorgen de eenheden zelf informeel onderwijs, zoals op vakdagen en in teambriefings. De inzet van ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel in het onderwijsaanbod.
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM waar zij zich aan hebben gecommitteerd. Daarmee acht ik deze niet te vrijblijvend.
Wel zijn er vanuit eerdere evaluaties knelpunten gesignaleerd, die ik samen met de politie en het OM heb geanalyseerd. Het oppakken van die knelpunten neem ik zeer serieus en met de herziene versie van de ELA verwacht ik dat hier een belangrijke impuls aan wordt gegeven.
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan om de ELA wettelijk te verankeren. De politie en het OM hebben zich aan de ELA gecommitteerd, dat is voldoende. Enkele onderdelen van de ELA zijn tevens nader uitgewerkt en verankerd in aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Ik streef ernaar om in de zomer de herziene ELA met begeleidende Kamerbrief aan uw Kamer aan te bieden.
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Onder het antwoord op vraag 2 en 3 is toegelicht dat informatievoorziening richting slachtoffers een doorlopend aandachtspunt is van de politie en het OM. Dit aandachtspunt wordt ook bij de herziening van de ELA in ogenschouw genomen.
Voor een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM voor de meest voorkomende delicten richtlijnen opgesteld, die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere omstandigheden van de zaak. In de openbare Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003) van het OM staat dat het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn met 200% wordt verhoogd bij Veilige Publieke Taak-delicten. Dat betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf geëist krijgt. Dit is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende Aanwijzing ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir. Verder schenkt het OM – naar aanleiding van onderzoek waaruit volgde dat veelal enige mate van strafeisverhoging wordt toegepast maar zelden de 200%10 – blijvend aandacht aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is. Ten slotte geldt dat u nog dit jaar wordt geïnformeerd over de uitvoering van drie aangenomen moties die zien op (het verkrijgen van duiding bij) de strafeisen van het OM bij Veilige Publieke Taak-delicten, waaronder geweld tegen hulpverleners.11
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Als Minister van Justitie en Veiligheid past het mij niet om in te gaan op individuele casuïstiek. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
Mensen kiezen over het algemeen vanuit een intrinsieke motivatie voor het werken in zorg en welzijn. Als zij te maken krijgen met ernstige agressie kan dat een enorme impact hebben. Goede opvang en adequate nazorg, zijn van groot belang om dat zo veel mogelijk te voorkomen. Uit het Landelijk uitstroomonderzoek zorg en welzijn van Regioplus in 2025 blijkt dat agressie niet in de top vijf van redenen van medewerkers staat om de sector te verlaten.
Het is mij niet bekend of en in welke mate negatieve ervaringen met het doen van aangifte invloed hebben op de bereidheid van mensen om in de zorg te blijven werken.
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
In strafzaken heeft aangifte op naam altijd de voorkeur, zoals hieronder toegelicht. Er zijn daarnaast mogelijkheden om (deels) afgeschermd aangifte te doen of dat de werkgever voor de werknemer aangifte doet. In onderstaande antwoorden licht ik dit nader toe. Echter, volledige anonimiteit in het strafproces is praktisch niet mogelijk. Uit het oogpunt van waarheidsvinding kleven hier namelijk zwaarwegende bezwaren aan: de mogelijkheid om de juistheid en betrouwbaarheid van anonieme verklaringen te toetsen wordt beperkt doordat de bron onbekend is. Bovendien komt het in de zorg relatief vaak voor dat dader en slachtoffer elkaar kennen en er sowieso geen sprake is van anonimiteit van het slachtoffer. Dit kan inderdaad bijdragen aan terughoudendheid bij het doen van aangifte. Of en in hoeverre dit bijdraagt aan personeelstekorten hangt af van de mate waarin dit een rol speelt bij uitstroom uit de zorg. Zie hiervoor het antwoord op vraag 22 en 23.
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
Sinds 1 juli 2025 worden standaard alleen nog de naam en geboortedatum in de aangifte vermeld. Gegevens zoals woon- en verblijfplaats, geboorteplaats en/of -land, e-mailadres, telefoonnummer en Burgerservicenummer (BSN) worden niet meer opgenomen om zo de privacy van de aangever te beschermen.
Aangifte op naam heeft in de praktijk altijd de voorkeur. Voor de bewijsvoering in een strafzaak is het namelijk altijd van belang dat er toetsbare aangiftes en verklaringen aanwezig zijn. Aangiftes en verklaringen op naam voldoen hier eerder aan dan afgeschermde aangiftes en verklaringen omdat de bekendheid van de identiteit van de aangever/getuige het bijvoorbeeld voor de verdachte mogelijk maakt om de aangifte/verklaring te toetsen op betrouwbaarheid.
In principe worden persoonsgegevens genoteerd bij het doen van aangifte. Soms kan, bij wijze van uitzondering, alleen met de voornaam of het personeelsnummer worden volstaan. Ook kan de werkgever aangifte namens de werknemer doen, waarbij die laatste vermeld kan worden onder personeelsnummer. Het slachtoffer kan er verder ook voor kiezen om in zijn aangifte domicilie te kiezen. In dat geval wordt het adres van de werkgevers of het regionale Slachtofferloket Politie opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen kan iemand aangifte doen of een verklaring afleggen onder nummer. Dan wordt de identiteit van het slachtoffer niet in de stukken opgenomen, maar is deze wel bekend bij de politie en het OM. Daarvoor dienen bijzondere redenen te zijn als: vrees voor represailles of voor ernstige overlast of belemmering in de uitoefening van zijn beroep. De officier van justitie bepaalt of aan de vereisten is voldaan. De rechter kan ook dan oordelen dat het slachtoffer moet worden gehoord. In zeer bijzondere gevallen beslist de rechter dat hierbij de identiteit mag worden afgeschermd.
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak zorgmedewerkers afgeschermd aangifte doen. Wel is politie voldoende bekend met de mogelijkheden rondom afgeschermd aangifte doen. Uit de ELA volgt dat zij het slachtoffer daarover ook informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals bij vraag 25 aangegeven is volledige anonimiteit in het strafdossier praktisch niet mogelijk. Wel zijn er mogelijkheden om bepaalde gegevens van de aangever te verhullen in het strafdossier (als beschermingsmaatregel). Een uitbreiding hiervan zal ik niet verder onderzoeken.
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HL) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen. Samen met het veld zet het kabinet de volgende stappen:
• Het halveren van de administratietijd;
• De inzet van kunstmatige intelligentie (AI) en technologische innovaties die arbeidsbesparend werken;
• Investeren in opleiding en ontwikkeling van professionals buiten het ziekenhuis.
Daarnaast blijft dit kabinet de komende jaren inzetten op het behoud van medewerkers door werkgevers te stimuleren het werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen. Het gaat daarbij om onderwerpen als professionele autonomie en zeggenschap, het voorkomen van verzuim en de aanpak van agressie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 29.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Werkgevers hebben op basis van de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. De Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport ondersteunt werkgevers hierbij door:
• Subsidie aan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) te verstrekken om een handelingskader op te stellen voor zorgverleners als zij te maken krijgen met agressie. De KNMG doet dit in samenwerking met andere beroepsverenigingen en het handelingskader is breed te gebruiken in de zorg. De KNMG is van plan dit handelingskader voor de zomer te publiceren.
• In juni vorig jaar is er een publiekscampagne gestart tegen verbale agressie tegen medewerkers in zorg en welzijn. Werkgevers kunnen nog steeds gebruik maken van de toolkit van deze campagne om binnen hun eigen organisatie aandacht te vragen voor agressie (https://www.campagnetoolkits.nl/tel-tot-11).
• Om werkgevers te stimuleren aangifte te doen bij agressie tegen hun werknemers zijn er de afgelopen jaren regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie.
• In 2022 zijn subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn, om aan de slag te gaan met de ontwikkeling van een aanpak voor het tegengaan van agressie welke aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche.
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals ik bij vraag 27 toegelicht is volledige anonimiteit in het strafdossier niet mogelijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beschermd aangifte doen.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Hiermee ben ik samen met de politie en het OM aan de slag in het kader van de herziening van de ELA, welke ik naar verwachting in de zomer aan uw Kamer zal aanbieden.
Pointer, 4 november 2025, Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar? (pointer.kro-ncrv.nl/dominique-mishandeld-deed-aangifte-maar-hoort-niets-van-politie-herkenbaar).
Zoals ook staat vermeld op deze openbare website van het Openbaar Ministerie: Geweld tegen personen met een publieke taak | Openbaar Ministerie.
WODC, 15 april 2025, Effect afspraken tegen agressie en geweld in publieke sector kan groter (www.wodc.nl/actueel/nieuws/2025/04/15/effect-afspraken-tegen-agressie-en-geweld-in-publieke-sector-kan-groter).
Pointer, 4 november 2025, Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar? (pointer.kro-ncrv.nl/dominique-mishandeld-deed-aangifte-maar-hoort-niets-van-politie-herkenbaar).
Zoals ook staat vermeld op deze openbare website van het Openbaar Ministerie: Geweld tegen personen met een publieke taak | Openbaar Ministerie.
WODC, 15 april 2025, Effect afspraken tegen agressie en geweld in publieke sector kan groter (www.wodc.nl/actueel/nieuws/2025/04/15/effect-afspraken-tegen-agressie-en-geweld-in-publieke-sector-kan-groter).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1858.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.