Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Ministers van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen» (ingezonden 15 april 2026).

Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen 23 april 2026)

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?

Antwoord 2

De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.

Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.

Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.

Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.

Vraag 3

Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?

Antwoord 3

Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.

Vraag 4

Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?

Antwoord 4

Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.

Vraag 5

Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?

Antwoord 5

De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.

Vraag 6

Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?

Antwoord 6

Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.

Vraag 7

Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?

Antwoord 7

Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.

Vraag 8

Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?

Antwoord 8

Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.

Vraag 9

Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?

Antwoord 9

Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.

Vraag 10

Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?3, 4

Antwoord 10

Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.

Vraag 11

Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?

Antwoord 11

Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).

Vraag 12

Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?

Antwoord 12

Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.

Vraag 13

Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?

Antwoord 13

Zie het antwoord op vraag 12.


X Noot
1

Nieuwe Oogst, 7 april 2026, «Nepluvi luidt noodklok: pluimveesector verliest slag om voedselzekerheid», https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2026/04/07/nepluvi-luidt-noodklok-pluimveesector-verliest-slag-om-voedselzekerheid

X Noot
2

Kamerstukken, 2024–2025, 22 112, nr. 4016

X Noot
3

Wageningen University & Research, «Werken aan dierenwelzijn in de veehouderij: Een sociaaleconomische impactanalyse», https://research.wur.nl/en/publications/werken-aan-dierenwelzijn-in-de-veehouderij-een-sociaaleconomische/


X Noot
1

Nieuwe Oogst, 7 april 2026, «Nepluvi luidt noodklok: pluimveesector verliest slag om voedselzekerheid», https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2026/04/07/nepluvi-luidt-noodklok-pluimveesector-verliest-slag-om-voedselzekerheid

X Noot
2

Kamerstukken, 2024–2025, 22 112, nr. 4016

X Noot
3

Wageningen University & Research, «Werken aan dierenwelzijn in de veehouderij: Een sociaaleconomische impactanalyse», https://research.wur.nl/en/publications/werken-aan-dierenwelzijn-in-de-veehouderij-een-sociaaleconomische/

Naar boven