Vragen van de leden Lahlah en Kröger (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een snelle oplossing voor het Noodfonds energie (ingezonden 13 maart 2026).

Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 20 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1535.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1

Antwoord 1

Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.

Vraag 2

Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?

Antwoord 2

Ja, dat klopt. Na een intensief jaar van verkenning met diverse publieke uitvoeringsorganisaties is de eenduidige conclusie dat een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF) voor zowel huishoudens als uitvoerder zeer complex zou zijn en voor de continuïteit van de bestaande taken en dienstverlening door deze uitvoeringsorganisaties zeer risicovol zou zijn. Dit betreft onder meer het verwachte aantal aanvragen dat handmatig moet worden beoordeeld en de verantwoording over rechtmatige toekenning aan de Europese Commissie. Daarom kwalificeren de uitvoerders dit energiefonds als niet uitvoerbaar en niet verantwoord, zowel op korte (operationeel in de winter van 2026/2027) als op lange termijn. Dit geldt zowel voor alle betrokken uitvoerders individueel als voor uitvoering door een consortium van uitvoerders.

Dit neemt niet weg dat het kabinet inzet op gerichte inkomensondersteuning dit jaar. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord. Hiertoe worden ook varianten uitgewerkt waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut, zodat de bestaande uitvoerders niet worden belast. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang.

Vraag 3

Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?

Antwoord 3

Ja dat klopt. Zie het antwoord op vraag 2.

Vraag 4

Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?

Antwoord 4

Er is gesproken met Uitvoering van Beleid (UVB, onderdeel van SZW), Dienst Toeslagen, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarnaast is gesproken met een aantal organisaties, voornamelijk over een ondersteunende rol. Dit betrof de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV; inclusief Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)), het Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN, voorheen Stichting Inlichtingenbureau) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Alle organisaties zien dezelfde uitvoeringsproblemen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.

Vraag 5

Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?

Antwoord 5

Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. Het is van belang dat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening de komende winter ondersteund kunnen worden. Zoals aangegeven in antwoord 2 zal dit niet het publieke energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF zijn.

Vraag 6

Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?

Antwoord 6

Dit is niet bekend. De uitvoeringskosten zouden volgen uit de nadere uitwerking met een uitvoerder. Maar de uitvoerders hebben de uitvoering van een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF als niet uitvoerbaar en niet verantwoord gekwalificeerd. Daarom is het stadium van kostenraming niet bereikt.

Het kabinet bereidt nu een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF. Daarbij werken we ook varianten uit waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang en uw Kamer informeren over de verwachte uitvoeringskosten wanneer hier voldoende duidelijkheid over is.

Vraag 7

Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis?

Antwoord 7

In 2025 bedroegen de uitvoeringskosten € 13,15 miljoen. Voor deze uitvoeringskosten heeft TNE ongeveer 210.000 aanvragen verwerkt en aan ongeveer 120.000 huishoudens uitgekeerd. Dit is een beperkt deel van het aantal huishoudens dat op basis van de gehanteerde criteria in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming vanuit TNE. De uitvoeringskosten van TNE zouden bij volledig bereik van de doelgroep hoger zijn geweest.

Vraag 8

Kunt u de budgettaire gevolgen van verschillende varianten van energiesteun voor huishoudens in kaart brengen, waaronder:

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 6% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 200% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 300% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 350% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 6% of hoger en huishoudens met een inkomen tussen 130% en 200% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger en huishoudens met een inkomen tussen 130% en 200% van het sociaal minimum met een energiequote van 10% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger en huishoudens met een inkomen tussen 130% en 300% van het sociaal minimum met een energiequote van 10% of hoger;

  • Huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum met een energiequote van 8% of hoger en huishoudens met een inkomen tussen 130% en 350% van het sociaal minimum met een energiequote van 10% of hoger;

waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?

Antwoord 8

Onderstaande tabel geeft een schatting van de budgettaire gevolgen (doelgroep x steunbedrag) per variant. De schattingen zijn voor 2026. Deze zijn berekend op basis van CBS Microdata over inkomens en energiekosten uit 2024. De inkomens zijn geïndexeerd naar 2026 o.b.v. de CEP2026. De energiekosten zijn geïndexeerd naar de gemiddelde energietarieven voor consumenten in februari 2026 o.b.v. CBS Statline. Verbeterede isolatie vanaf 2024 en gedragseffecten zijn niet meegenomen. Vanaf 2027 zijn er ook (beleidsmatige) ontwikkelingen zoals stijgende nettarieven, ETS2, en de bijmengverplichting groen gas. Deze zitten nog niet in de schattingen van 2026.

Voor de energiekosten is in onderstaande tabel uitgegaan van het scenario dat energieprijzen 28% stijgen. Dit is ten opzichte van de gemiddelde prijzen in februari 2026 en in lijn met de prijsstijging die we de afgelopen periode hebben gezien. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het feit dat veel huishoudens nog vaste contracten hebben. Daarom wordt in de raming uitgegaan dat slechts 55% van de prijsstijging doorwerkt. Als de hoge prijzen aanhouden zijn de structurele kosten dus een stuk hoger.

De grootte van de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en daarmee budgettaire gevolgen hangen verder af van de daadwerkelijke energieprijs. Om dit te illustreren: Als er in het eerste jaar van 50% of 76% prijsstijging uitgegaan wordt (i.p.v. 28%), bestaat de doelgroep onder de criteria oorspronkelijke voorwaarden van TNE (variant 7) uit 1.132.000, en respectievelijk 1.240.000 huishoudens in het eerste jaar.

Voor de grenzen van het sociaal minimum is uitgegaan van het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026, inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden is dat € 1.790 per maand, voor samenwonenden is dat € 2.500 per maand.

Variant

Aantal huishoudens in variant

Budgettaire gevolgen (x € mln.), exclusief uitvoeringskosten bij:

   

Zes maanden € 80

Zes maanden € 90

Zes maanden € 100

1

1.200.000

580

650

720

2

890.000

430

480

530

3

1.131.000

540

610

680

4

1.163.000

560

630

700

5

1.165.000

560

630

700

6

1.442.000

690

780

860

7

973.000

470

530

580

8

980.000

470

530

590

9

981.000

470

530

590

De motie Klaver c.s.2 verzoekt om bij het uitwerken van de opties mee te nemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op het fonds. Bovenstaande en andere varianten betrek ik daarom bij de besluitvorming en voer daarmee deze motie uit. Over de uiteindelijke doelgroep en tegemoetkoming zal ik uw Kamer later nader informeren.

Vraag 9

Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?

Antwoord 9

De onderstaande inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026. Hiervoor is aangesloten bij de bruto normbedragen voor de Toeslagenwet. Deze inkomensgrenzen van TNE waren ook op deze normen gebaseerd. De inkomensgrenzen zijn op maandbasis, bruto, exclusief de inkomensondersteunende toeslagen, inclusief 8% vakantietoeslag en afgerond op tientallen euro. Het aantal huishoudens is geschat voor 2026. De schatting is gemaakt met CBS Microdata over inkomens uit 2024 die zijn geïndexeerd naar 2026. Bij deze schatting is geen rekening gehouden met het energieverbruik.

Percentage sociaal minimum

Bruto inkomensgrens, per huishoudtype

Aantal huishoudens

 

Alleenstaande

Samenwonenden

 

130%

€ 2.330

€ 3.260

1.387.000

200%

€ 3.590

€ 5.010

2.804.000

300%

€ 5.380

€ 7.760

4.579.000

350%

€ 6.270

€ 8.760

5.250.000

Vraag 10

Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?

Antwoord 10

Dit was helaas niet mogelijk. Ik doe u deze beantwoording toekomen voor het debat naar aanleiding van de kabinetsbrief op 22 april.


X Noot
1

Telegraaf, 6 maart 2026, «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»», (www.telegraaf.nl/financieel/essent-vraagt-snelle-oplossing-noodfonds-energie-er-is-geen-vangnet-voor-kwetsbare-huishoudens/139767050.html).

X Noot
2

Kamerstukken II 2025/26, 23 432, nr. 671


X Noot
1

Telegraaf, 6 maart 2026, «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»», (www.telegraaf.nl/financieel/essent-vraagt-snelle-oplossing-noodfonds-energie-er-is-geen-vangnet-voor-kwetsbare-huishoudens/139767050.html).

X Noot
2

Kamerstukken II 2025/26, 23 432, nr. 671

Naar boven