Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de
Genocidezaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof (ingezonden
9 maart 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 2 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de mogelijkheid voor staten om op grond van artikel 63 van het Statuut
van het Internationaal Gerechtshof te interveniëren in de procedure die Zuid-Afrika
heeft aangespannen tegen Israël inzake het Genocideverdrag?
Vraag 2
Klopt het dat staten tot omstreeks 12 maart 2026 nog een interventieverklaring kunnen
indienen in verband met de procesplanning van het Hof? Zo ja, beschouwt u dit als
een relevant beslismoment voor Nederland?
Antwoord 2
Ja. De uiterste datum voor indiening van een verklaring tot interventie in deze zaak
was 12 maart 2026. Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend op 11 maart
2026.
Vraag 3
Heeft de Nederlandse regering overwogen om gebruik te maken van het recht tot interventie
in deze zaak? Zo ja, wanneer is deze afweging gemaakt en welke ministeries waren daarbij
betrokken?
Antwoord 3
Ja, Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend. De uiterste deadline
voor indiening van een verklaring tot interventie in deze was 12 maart 2026. In aanloop
hiertoe is de afweging gemaakt een verklaring in te dienen. Het Ministerie van Buitenlandse
Zaken is verantwoordelijk voor het opstellen van dergelijke verklaringen tot interventie.
Uw Kamer heeft een brief over dit onderwerp ontvangen op 17 maart 2026.1
Vraag 4
Welke juridische, diplomatieke en politieke overwegingen spelen een rol bij de beslissing
om al dan niet te interveniëren?
Antwoord 4
Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over
de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij
het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.2
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat interventie op grond van artikel 63 primair betrekking heeft
op de interpretatie van het Genocideverdrag en niet betekent dat een staat partij
kiest in het onderliggende conflict? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Voor het antwoord op deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse
verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal
Gerechtshof van 17 maart 2026.3
Vraag 6
Hoe verhoudt een eventueel besluit om niet te interveniëren zich tot: de verplichting
van staten onder het Genocideverdrag om genocide te voorkomen; de Nederlandse inzet
voor versterking van de internationale rechtsorde en de bijzondere positie van Nederland
als gastland van internationale gerechtshoven?
Antwoord 6
Het indienen van de verklaring tot interventie is op zichzelf geen invulling van de
verplichting tot voorkoming van genocide zoals opgenomen in het Genocideverdrag. Het
kabinet beschouwt het van belang dat Nederland bijdraagt aan de consistente en uniforme
uitleg van het internationaal recht. Interveniëren in een specifieke zaak kan daaraan
bijdragen. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat Nederland met deze interventie
een bijdrage kan leveren aan een consistente uitleg van het Genocideverdrag, en zijn
visie op de reikwijdte van relevante bepalingen kan geven.
Vraag 7
Welke EU-lidstaten hebben inmiddels een interventie ingediend of aangekondigd, en
heeft hierover afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie?
Antwoord 7
De lijst van staten die een verzoek tot interventie hebben ingediend is te vinden
op de website van het Internationaal Gerechtshof. De volgende lidstaten van de Europese
Unie hebben een verklaring tot interventie ingediend: België, Hongarije, Ierland,
Nederland, en Spanje. Hierover heeft geen inhoudelijke afstemming plaatsgevonden binnen
de Europese Unie. Dit laatste is ook niet gebruikelijk.
Vraag 8
Op welke wijze geeft Nederland momenteel invulling aan zijn verplichting om genocide
te voorkomen in relatie tot de lopende procedure bij het Internationaal Gerechtshof?
Antwoord 8
Uit de lopende zaak tussen Zuid-Afrika en Israël vloeien op zichzelf geen verplichtingen
tot voorkoming van genocide voort voor Nederland, aangezien Nederland geen partij
is bij de zaak.
Vraag 9
Bent u bereid om deze vragen vóór 11 maart te beantwoorden?
Antwoord 9
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.