Vragen van het lid Sjoerdsma (D66) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over het Verdrag inzake de Voltrekking en de Erkenning van de Geldigheid van Huwelijken (ingezonden 7 juli 2022).

Antwoord van Minister Weerwind (Rechtsbescherming) (ontvangen 29 augustus 2022). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3613.

Vraag 1

Bent u bekend met het Verdrag inzake de Voltrekking en de Erkenning van de Geldigheid van Huwelijken?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met het feit dat er slechts zes landen lid zijn van dit verdrag?

Antwoord 2

Zes landen hebben het verdrag ondertekend, drie landen hebben het verdrag ook geratificeerd. Naast Nederland zijn dat Luxemburg en Australië.

Vraag 3

Bent u bekend met de casus van een Nederlandse vrouw die in 2019 op de Britse ambassade in Beijing trouwde met een Engelse vrouw, maar waarbij de Nederlandse overheid de huwelijksakte niet erkende, omdat het huwelijk gesloten zou zijn in een land dat het homohuwelijk niet erkent?

Antwoord 3

Ja.

Vraag 4

Klopt het dat dit huwelijk niet erkend werd omdat het niet zou voldoen aan artikel 9 van het Verdrag inzake de Voltrekking en de Erkenning van de Geldigheid van Huwelijken en dat dit doorwerkt in artikel 26 van ons Burgerlijk Wetboek waarin staat dat een buiten Nederland gesloten huwelijksvoltrekking niet rechtsgeldig is als het is voltrokken in een staat waar dit huwelijk niet wordt erkent?

Antwoord 4

Navraag bij de gemeente Land van Cuijk heeft geleerd dat de erkenning van het huwelijk is geweigerd op basis van artikel 10:31, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat artikel ziet op de erkenning van op een buiten Nederland voor een diplomatieke of consulaire ambtenaar voltrokken huwelijk. Dat vereist wordt dat het op een ambassade gesloten huwelijk ook erkend wordt door de gaststaat van de ambassade blijkt geen ongebruikelijke uitleg van dit artikel. In die zin sluit de toepassing door de gemeente aan bij een bestaande praktijk. Deze invulling lijkt evenwel niet te stroken met de uitleg die aan het artikel wordt gegeven in de wetenschappelijke literatuur.2

Over de toepassing van de in artikel 10:31, lid 2, BW opgenomen erkenningsregeling blijkt daarmee onduidelijkheid te bestaan in de praktijk. Dit vormt voor mij aanleiding de vraag omtrent die toepassing in dit soort gevallen voor te leggen aan de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit. Deze Commissie heeft tot wettelijke taak om op verzoek van ambtenaren van de burgerlijke stand en andere bestuursorganen advies uit te brengen over vragen betreffende de rechtstoepassing in zaken van burgerlijke staat of nationaliteit. Zij kan deze adviezen openbaar maken op een door haar te bepalen wijze (ingevolge artikel 1:29b BW). Na ontvangst van de reactie van de Commissie van Advies zal ik uw Kamer over de uitkomsten hiervan informeren.

Vraag 5

Klopt het dat de Britse ambassade juridisch onderdeel is van de Britse staat en de diplomatieke of consulaire ambtenaar die het huwelijk heeft voltrokken, dus een ambt vervult van een staat die het homohuwelijk wel erkent? Zo nee, hoezo niet?3 Zo ja, kan de Nederlandse overheid het huwelijk alsnog erkennen?

Antwoord 5

De Britse ambassade is de vertegenwoordiging van de Britse staat in een andere staat. Hoewel een diplomatieke of consulaire ambtenaar de Britse staat vertegenwoordigt ten opzichte van het gastland, dient daarbij wel de wet- en regelgeving van het gastland te worden gerespecteerd.

De vraag of Nederland het huwelijk kan erkennen wordt niet voorgeschreven door het Verdrag inzake de voltrekking en de Erkenning van de Geldigheid van Huwelijken, dat enkel stelt in welke gevallen een huwelijk in ieder geval moet worden erkend,4 maar is afhankelijk van het Nederlands internationaal privaatrecht, meer in het bijzonder het in het antwoord op vraag 4 genoemde artikel 10:31, lid 2, BW.

Vraag 6

Wegen de voordelen van de Nederlandse ondertekening van het Verdrag inzake de Voltrekking en de Erkenning van de Geldigheid van Huwelijken op tegen de nadelen? Hoe weegt u dit verdrag in verhouding tot het grote belang van de Wet Openstelling Huwelijk die heeft geleid tot een wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht?5

Antwoord 6

Ja, deze voordelen wegen zwaarder. Het verdrag regelt welke huwelijken in ieder geval worden erkend. Het vormt daarmee geen hindernis voor het erkennen van een rechtsgeldig gesloten huwelijk tussen personen van gelijk geslacht. Bij de totstandkoming van de Wet openstelling huwelijk is ook ingegaan op de verhouding tot het verdrag.6 Daarbij is overwogen dat ofschoon ervan mag worden uitgegaan dat de verdragsopstellers een regeling voor ogen stond voor huwelijken tussen personen van verschillend geslacht, [..] het verdrag geen bepaling [bevat] die de staten die daarbij partij zijn, belemmert om huwelijken tot stand te laten komen tussen personen van hetzelfde geslacht. Alle drie de verdragspartijen bij het verdrag hebben het huwelijk inmiddels opengesteld voor paren van gelijk geslacht. Het belang van de Wet openstelling huwelijk staat daarmee niet op gespannen voet met dit verdrag.

Tegelijkertijd biedt het verdrag de nodige ruimte voor het niet erkennen van huwelijken die in strijd komen met de Nederlandse openbare orde, zoals polygame huwelijken. Daarmee is mijn algemene oordeel over het verdrag positief.

Vraag 7

Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?

Antwoord 7

Ja.


X Noot
2

Asser/Vonken & Ibili 10-II2021/105.

X Noot
4

Vergelijk in dezelfde zin Å. Malmström, «Convention on Celebration and Recognition of the Validity of Marriages, Draft Convention adopted by the Thirteenth Session and Explanatory Report»,The Permanent Bureau of the Hague Conference on private international law, Den Haag 1978, p. 22.

X Noot
6

Kamerstukken II 1998/99, 26 672, nr. 3 p. 7 en Kamerstukken II 1999/2000, 27 256, nr. 3 p. 4.

Naar boven