Vragen van het lid Van Nispen (SP) aan de Minister voor Rechtsbescherming over de noodzaak tot het wettelijk verankeren van zaakstoedeling in de rechtspraak (ingezonden 15 juni 2022).

Antwoord van Minister Weerwind (Rechtsbescherming) (ontvangen 4 augustus 2022). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3457.

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «De regeling van toedeling van zaken aan rechters»?1 Wat is daarop uw reactie?

Antwoord 1

Ja, dit artikel is mij bekend. Ik heb het met veel interesse gelezen en vind het van grote waarde dat er in de rechtswetenschappelijke literatuur, waaronder dit artikel, aandacht is voor eventuele mogelijkheden de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak verder te versterken. Het is immers een belangrijk fundament van onze rechtsstaat.

Vraag 2

Deelt u de mening dat zaakstoedeling de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid beïnvloed en dat rechters daarom altijd aselect moeten worden toebedeeld aan zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 2

Ik deel de mening dat een objectief en transparant systeem van zaakstoedeling, waarin zaken worden toebedeeld op basis van objectieve, transparante en controleerbare criteria, een wezenlijk element is van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Dit betekent echter niet dat alle zaken aselect moeten worden toebedeeld. Uitgangspunt van internationale standaarden, zoals het rapport van the European Commission for Democracy through Law (Venice Commission)2 en de standaard voor de zaakstoedeling van het Europese Netwerk van Raden voor de rechtspraak3, is dat zaken binnen gerechten in beginsel neutraal en willekeurig worden toebedeeld aan rechters. Wanneer zaken niet aselect worden toebedeeld, moeten de criteria op basis waarvan zaken in dat geval worden toebedeeld, objectief, transparant en controleerbaar zijn. De deskundigheid en ervaring van rechters, maar ook de werkbelasting, kan daarbij een rol spelen.

Vraag 3

Bent u het met de auteur eens dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) inderdaad heeft vastgesteld dat het ontbreken van een wettelijke regeling voor zaakstoedeling een inbreuk vormt op artikel 6 EVRM? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 3

Naar aanleiding van op 1 december 2020 gestelde schriftelijke vragen van uw Kamer4 over de code zaakstoedeling heb ik onderzocht of het EHRM-arrest Miracle Europe KFT t. Hongarije5 noodzaakt tot nadere wettelijke verankering van de door de Rechtspraak ontwikkelde Code zaakstoedeling. De rechtspraak van het EHRM vereist een systeem voor zaakstoedeling op basis van objectieve, transparante en controleerbare criteria. Uit de rechtspraak van het EHRM vloeit echter niet onverkort de eis voort dat de criteria op basis waarvan de toedeling van zaken plaatsvindt, bij wet in formele zin moeten zijn gecodificeerd. Ook uit de internationale standaarden blijkt expliciet dat nadere regels opgesteld door de rechtspraak zelf, met een grondslag in de wet, volstaan. In het hiervoor genoemde rapport van the Venice Commission valt te lezen: «To sum up, the Venice Commission strongly recommends that the allocation of cases to individual judges should be based to the maximum extent possible on objective and transparent criteria established in advance by the law or by special regulations on the basis of the law, e.g. in court regulations.» Deze nadere regels zijn in dit geval de landelijk opgestelde Code zaakstoedeling en de door de gerechtsbesturen vastgestelde en inmiddels gepubliceerde regeling voor zaakstoedeling in de bestuursreglementen.

Vraag 4

Deelt u de mening dat de Code zaakstoedeling geen enkele juridische betekenis heeft omdat het wordt vastgesteld in de vergadering van de presidenten van de gerechten, terwijl die vergadering geen wettelijke verankering kent?

Antwoord 4

Artikel 20, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de rechterlijke organisatie geeft het gerechtsbestuur de opdracht om een bestuursreglement vast te stellen dat nadere regels bevat inzake de toedeling van zaken aan de leden van de enkelvoudige en meervoudige kamers. Dat is, conform het genoemde artikel, gebeurd in de op 1 april 2021 in werking getreden bestuursreglementen, waarbij waar mogelijk rekening is gehouden met de (landelijke) Code zaakstoedeling. Deze Code zaakstoedeling is door de presidenten en de Raad voor de rechtspraak opgesteld uitsluitend met het oog op de gewenste coördinatie en samenhang in de totstandkoming. De Code zaakstoedeling doet niet af aan de eigenstandige wettelijke bevoegdheid van het gerechtsbestuur nadere regels op te stellen voor de toedeling van zaken aan de leden van de enkelvoudige en meervoudige kamers.

Vraag 5

Bent u bereid een wetsvoorstel aan de Staten-Generaal toe te zenden om de Code zaakstoedeling wettelijk te verankeren van rechtbanken, gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad?

Antwoord 5

Met verwijzing naar mijn beantwoording van bovenstaande vragen, en met verwijzing naar de antwoorden op de eerder gestelde schriftelijke vragen van 1 december 2020, acht ik het niet noodzakelijk een wetsvoorstel in te dienen dat strekt tot een nadere wettelijke verankering van de door de Rechtspraak opgestelde regels voor de toedeling van zaken.

Vraag 6

Hoe kijkt u aan tegen het Duitse model zoals door de auteur geschetst?

Antwoord 6

Op hoofdlijnen is dit model mij bekend. De federale structuur van de Bondsrepubliek Duitsland, waarin de rechtspraak wordt uitgeoefend door federale rechtbanken en de rechtbanken van de zestien deelstaten, verschilt in belangrijke mate van de organisatie van de rechtspraak in Nederland. De vraag of een model naar Duits voorbeeld zich leent voor toepassing in Nederland kan daarom niet op voorhand worden beantwoord. Ik ben daarom voornemens een rechtsvergelijkende inventarisatie te laten doen naar zaakstoedelingsregelingen in voor Nederland relevante EU-lidstaten, waarbij ook gekeken zal worden naar het Duitse model zoals in het artikel wordt beschreven.

Vraag 7

Bent u in ieder geval bereid in objectieve criteria vast te leggen welke zaken niet aselect te hoeven worden toebedeeld in artikel 4 van de Code? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 7

Ik zal de Raad voor de rechtspraak vragen om de werking van de door de Rechtspraak opgestelde regels voor de toedeling van zaken te evalueren, 2 jaar na inwerkingtreding van de Code Zaakstoedeling (inwerkingtreding: 1 april 2021). Ik kan mij voorstellen dat het mogelijk is de regels op onderdelen verder te verfijnen nadat er enige tijd met de Code is gewerkt. Ik zal de Raad voor de rechtspraak vragen bij deze evaluatie specifiek in te gaan op het in vraag 7 genoemde punt. Over de uitkomsten van de evaluatie en van de hiervoor genoemde rechtsvergelijkende inventarisatie zal ik met de Raad voor de rechtspraak in gesprek gaan en uw Kamer hierover informeren.


X Noot
1

NJB, 2022(20), De regeling van toedeling van zaken aan rechters, 10 juni 2022

X Noot
2

CDL-AD(2010)004, Report on the Independence of the Judicial System Part I: The Independence of Judges, §§62, 81. Zie ook CDL-AD(2002)026, Opinion on the Draft Law on Judicial Power and Corresponding Constitutional Amendments of Latvia, §70.7.

X Noot
4

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1354

X Noot
5

12 januari 2012, nr. 5774/13

Naar boven