Vragen van het lid Hijink (SP) aan de Minister voor Medische Zorg over de uitzending
van Zembla «Stoppen met de pillen» (ingezonden 26 april 2021).
Mededeling van Minister Van Ark (Medische Zorg) (ontvangen 18 mei 2021).
Vraag 1
Wat is uw oordeel over de onthulling van Zembla dat het voor duizenden mensen enorm
moeilijk is om te stoppen met het gebruik van antidepressiva?1
Vraag 2
Klopt het dat er jaarlijks tussen de 60.000 en 180.000 patiënten last krijgen van
ontwenningsverschijnselen, wanneer zij proberen te stoppen met antidepressiva?
Vraag 3
Heeft u zicht op hoeveel mensen momenteel gebruik maken van antidepressiva, terwijl
hier niet langer een medische noodzaak voor is?
Vraag 4
Had u voor de uitzending van Zembla zicht op de problematiek omtrent het afbouwen
van antidepressiva? Zo ja, waarom heeft u hier onvoldoende actie op ondernomen? Zo
nee, hoe kan het dat zo’n groot probleem niet bekend is bij het ministerie?
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk is dat het voor patiënten vele malen
duurder is om afbouwmedicatie, zoals taperingstrips, te gebruiken dan om de normale
doseringen antidepressiva door te slikken, terwijl ze deze eigenlijk niet meer nodig
hebben? Kunt u dit toelichten?
Vraag 6
Wat is uw oordeel over het feit dat de meeste zorgverzekeraars alleen één specifiek
afbouwschema standaard vergoeden, ondanks dat deze specifieke afbouwschema’s slechts
«Voorbeelden van afbouwschema’s» werden genoemd in het Multidisciplinair document «Afbouwen SSRI’s & SNRI’s» en het voor veel patiënten noodzakelijk is om langzamer en met meer tussenstappen
af te bouwen?2
Vraag 7
Bent u het ermee eens dat het vanuit het perspectief van de volksgezondheid veel wenselijker
is dat afbouwmedicatie van antidepressiva wordt vergoed, dan dat de huidige situatie
blijft bestaan, waarbij duizenden mensen onnodig lang antidepressiva blijven slikken?
Kunt u dit toelichten?
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is om nog langer te wachten op verder wetenschappelijk
onderzoek naar de effectiviteit van afbouwmedicatie zoals taperingstrips, terwijl
in de praktijk en uit de eerste onderzoeken duidelijk blijkt dat stoppen met behulp
van taperingstrips veel beter werkt dan zonder, en de urgentie voor veel gebruikers
van antidepressiva groot is? Kunt u dit toelichten?
Vraag 9
Wat vindt u ervan dat de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie zo weinig vooruitgang
ziet in hun gesprekken met de zorgverzekeraars over de vergoeding van afbouwmedicatie,
dat zij zich genoodzaakt voelen om dit publiekelijk aan te kaarten?
Vraag 10
Is er niet sprake van willekeur bij het vergoeden van afbouwmedicatie en taperingstrips,
gezien het feit dat de zorgverzekeraars DSW en Eno in principe wel verschillende afbouwschema’s
vergoeden in tegenstelling tot de vier grote zorgverzekeraars Menzis, VGZ, CZ en Achmea?
Hoe kan het dat de ene verzekeraar verschillende schema’s van afbouwmedicatie wel
als rationele therapie beoordeelt en de andere niet?3
Vraag 11
Hoe beoordeelt u het antwoord van uw ambtsvoorganger dat er consensus bestaat tussen
de beroepsgroepen en patiëntenorganisaties over wat rationele therapie is bij de afbouwmedicatie
van antidepressiva en dat zorgverzekeraars dit ondersteunen? Moet deze constatering
er niet toe leiden dat zorgverzekeraars één lijn trekken in deze kwestie?4
Vraag 12
Bent u bereid om gesprekken aan te gaan met de zorgverzekeraars om de druk op te voeren
om zo de oplossing van dit probleem te versnellen? Kunt u dit toelichten?
Vraag 13
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is om afbouwmedicatie van antidepressiva op
te nemen in het basispakket, vanwege de noodzakelijkheid van deze medicatie voor veel
patiënten?
Mededeling
De vragen van over de uitzending van Zembla «Stoppen met de pillen» (2021Z06997) kunnen tot mijn spijt niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord.
De reden van het uitstel is dat de afstemming ten behoeve van de beantwoording van
de vragen meer tijd kost.
Ik zal u zo spoedig mogelijk de antwoorden op de Kamervragen doen toekomen.
X Noot
3Aanhangsel van de Handelingen II, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3988.
X Noot
4Aanhangsel van de Handelingen II, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1635.