Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-20211759

Vragen van de leden Van Beukering-Huijbregts en Van Weyenberg (beiden D66) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Medische Zorg over instroom in de WIA van mensen met ME/CVS (ingezonden 4 februari 2021).

Antwoord van Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 18 februari 2021).

Vraag 1

Klopt het dat mensen die overduidelijk in het geheel niet kunnen werken door Myalgische Encefalomyelitis/Chronisch Vermoeidheid Syndroom (ME/CVS) op dit moment niet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt?

Antwoord 1

Nee. UWV moet bij de WIA-claimbeoordeling vaststellen of en zo ja, in welke mate betrokkene verdienvermogen heeft, gegeven de door UWV vastgestelde arbeidsbeperkingen als gevolg van een achterliggende ziekte of gebrek. Dit geldt ook voor verzekerde werknemers met de ziekte ME/CVS met een aanvraag voor een WIA-claimbeoordeling. Als UWV vaststelt dat betrokkene verdienmogelijkheden heeft op een niveau lager dan 20% van zijn maatmaninkomen, dan is betrokkene volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA.

Vraag 2

Klopt het dat een aantal mensen die vanuit de ziektewet op dit moment de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in stromen, niet opnieuw gezien worden door een verzekeringsarts? Klop het dat op basis van een beoordeling van meer dan een jaar geleden wordt gekeken naar het arbeidsvermogen, wat bepalend is voor de hoogte van de uitkering?

Antwoord 2

Nee, dat is niet juist. Voor elke Ziektewetgerechtigde geldt dat hij of zij de mogelijkheid heeft om bij einde WIA-wachttijd (twee jaar) een aanvraag voor een WIA-claimbeoordeling in te dienen bij UWV. UWV verricht vervolgens de WIA-claimbeoordeling op exact dezelfde wijze als voor verzekerden die tijdens de twee ziektejaren vielen onder de verplichte loondoorbetaling bij ziekte op grond van het Burgerlijk Wetboek. Bij de WIA-claimbeoordeling is altijd een verzekeringsarts betrokken voor het verrichten van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

Vraag 3

Wordt er bij deze beoordeling ook informatie uitgevraagd bij de medisch specialist als deze wel de patiënt nog fysiek heeft gezien?

Antwoord 3

UWV betrekt alle informatie die men nodig acht voor het kunnen verrichten van het verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Als de benodigde informatie van de medisch specialist niet is meegestuurd en als de verzekeringsarts bij UWV van mening is dat deze informatie relevant is of kan zijn voor de beoordeling, dan heeft UWV de mogelijkheid om, met toestemming van de verzekerde, deze informatie bij de medisch specialist op te vragen. Dit conform de richtlijn «Beheer gegevens vallend onder het medisch beroepsgeheim van de verzekeringsarts» (2010).

Vraag 4

Deelt u de mening dat het niet juist worden beoordeeld op arbeidsvermogen veel stress kan veroorzaken bij mensen?

Antwoord 4

Dat kan ik mij voorstellen. Daarom is er een zorgvuldig proces waarin UWV uitvoering geeft aan zijn wettelijke taak om claimbeoordelingen te verrichten in lijn met alle voor dat doel opgestelde richtlijnen en standaarden. Daarnaast staat voor elke verzekerde de mogelijkheid open van bezwaar en beroep in die situaties waarin de verzekerde van mening is dat de beslissing onjuist en/of op onjuiste gronden is getroffen.

Ik realiseer mij dat een perceptie van een door UWV onjuist getroffen beslissing en/of het bewandelen van een bezwaar- en/of beroepstraject voor betrokkene stressvol kan zijn.

Vraag 5

Kunt u aangeven wat er is gebeurd met de motie-Raemakers c.s. die vraagt om ME/CVS-patiënten bij wie de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is afgewezen, actief te informeren over hun mogelijkheden om zich opnieuw bij het UWV te laten beoordelen?1

Antwoord 5

De motie Raemakers stelt dat klanten met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/CVS) zich in bepaalde gevallen opnieuw bij UWV moeten kunnen melden voor een sociaal-medische beoordeling. Het betreft hier ME/CVS-patiënten bij wie de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is afgewezen vanwege het feit dat zij geen cognitieve gedragstherapie (CGT) dan wel graded exercise therapie (GET) hadden gevolgd.

UWV voert op dit moment de motie Raemakers uit. Concreet betekent dit dat elke verzekerde die door een verzekeringsarts van UWV is beoordeeld voor een WIA-, Wajong-, WAZ- of WAO-uitkering vanwege ME/CVS, zich kan melden bij UWV aan de hand van een voor dat doel opgesteld formulier. Dat formulier is te vinden op de website van UWV.2 Een verzekerde met ME/CVS komt mogelijk in aanmerking voor een herbeoordeling indien de verzekeringsarts bij de vorige beoordeling heeft vastgesteld dat de verzekerde niet voldoende gedaan had aan zijn herstel, met de door de verzekeringsarts opgevoerde reden dat de verzekerde geen CGT of GET had gevolgd.

Vraag 6

Kunt u aangeven hoe vaak mensen in bezwaar gaan tegen een beoordeling van een verzekeringsarts bij een WIA-aanvraag?

Antwoord 6

In 2020 zijn bijna 82.500 beslissingen genomen door UWV op een WIA-aanvraag of herbeoordeling en zijn 12.637 verzekerden in bezwaar gegaan tegen een beslissing van UWV op een WIA-beoordeling. Deze bezwaren richten zich tegen het besluit van UWV betreffende de uitkeringsclaim; de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en de arbeidsdeskundige beoordeling maken hier onderdeel van uit.

Vraag 7

Kunt u aangeven hoe vaak dat tot een andere uitkomst leidt en hoe vaak het bezwaar tot een beroepszaak leidt?

Antwoord 7

Van de hierboven genoemde 12.637 bezwaren hebben 3.577 zaken geleid tot een wijziging van een beslissing van UWV.

In 2020 hebben 2.083 verzekerden beroep aangetekend tegen een beslissing WIA-bezwaar. Gezien de termijnen voor het indienen van een beroepszaak (6 weken), kunnen deze aantallen niet exact gerelateerd worden aan de 12.637 bezwaarbeslissingen in 2020, maar geven ze een goede indicatie van de verhouding.

Vraag 8

Wat is de gemiddelde doorlooptijd van bezwaar en beroep bij een WIA-beoordeling?

Antwoord 8

De gemiddelde doorlooptijd van een bezwaarzaak bij een WIA-beoordeling is 129 dagen.

Vraag 9

Wat is het aandeel mensen per regio dat instroomt in de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en het aandeel mensen dat instroomt in de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) 80–100 en WGA 35–80?

Antwoord 9

Onderstaand is een verdeling van de instroom WIA in 2019 naar provincie weergegeven3. De totale instroom bedroeg 45.810 mensen, waarvan 10.132 mensen een WGA 35–80 uitkering, 23.945 mensen een WGA 80–100 uitkering en 11.733 een IVA-uitkering kregen. Een uitsplitsing van de instroom naar WGA 35–80, WGA 80–100 en IVA per provincie of gemeente is op korte termijn niet voorhanden. Wel is in de Atlas SV (2019)4 een uitsplitsing van het lopende bestand naar gedeeltelijk arbeidsgeschikt (WGA 35–80) en volledig arbeidsongeschikt (WGA 80–100 en IVA) per gemeente terug te vinden.

In de tabel is de totale WIA-instroom per provincie weergegeven, het percentage van de totale instroom in de WIA per provincie en het percentage van de beroepsbevolking in een bepaalde provincie dat de WIA in is gestroomd in 2019. In de rij met het totaal is ook het gemiddelde instroompercentage van de beroepsbevolking in de WIA weergegeven voor Nederland.

 

Instroom WIA

% van instroom

% van beroepsbevolking

Groningen

1.506

3,3%

0,39%

Friesland

1.270

2,8%

0,31%

Drenthe

1.366

3,0%

0,45%

Overijssel

3.040

6,6%

0,41%

Gelderland

5.257

11,5%

0,40%

Utrecht

3.361

7,3%

0,38%

Noord-Holland

7.039

15,4%

0,37%

Zuid-Holland

8.621

18,8%

0,36%

Zeeland

962

2,1%

0,41%

Noord-Brabant

6.635

14,5%

0,40%

Limburg

3.940

8,6%

0,55%

Flevoland

1.208

2,6%

0,43%

Onbekend

1.605

3,5%

 

Totaal

45.810

 

0,41%

Vraag 10

Als deze cijfers verschillen laten zien, hoe zou dat kunnen worden verklaard?

Antwoord 10

Het is niet eenvoudig om verschillen in instroompercentages te verklaren. Verschillen kunnen te maken hebben met een veelvoud aan redenen. Factoren die een rol kunnen spelen zijn demografische factoren (leeftijdsopbouw en geslacht), opleidingsniveau van de beroepsbevolking en de soorten arbeid die in een regio veel voorkomen (bijvoorbeeld kenniswerk of fysieke arbeid).