Vragen van het lid Wassenberg (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
over de jacht op wilde zwijnen zonder deugdelijke schietvaardigheidstoets (ingezonden
8 december 2020).
Antwoord van Minister Schouten (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) (ontvangen 22 januari
2021).
Vraag 1
Kent u het bericht «Provincies openen jacht op wilde zwijnen»?1
Vraag 2
Klopt het dat de jacht op wilde zwijnen dit jaar sterk is toegenomen?
Antwoord 2
Nee, dit klopt niet. Onder andere als gevolg van de coronamaatregelen heeft in 2020
minder afschot van wilde zwijnen uit oogpunt van schadebestrijding en populatiebeheer
plaatsgehad dan in voorgaande jaren. Jacht op wilde zwijnen is in ons land niet toegestaan.
Vraag 3
Hoeveel wilde zwijnen zijn er dit jaar al geschoten?
Antwoord 3
Afschot van wilde zwijnen vindt plaatst in de provincies Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant
en Limburg. Van de in die provincies werkzame faunabeheereenheden zijn de volgende
afschotcijfers over 2020 ontvangen:
Overijssel: 52 (peildatum 8 december)
Gelderland: 4200 (peildatum 8 december)
Noord-Brabant: 771 (peildatum 10 december)
Limburg: 892 (peildatum 20 november)
Vraag 4
Klopt het dat het zwart wildbrevet (bewijs van schietvaardigheid) is afgeschaft na
afschaffing van de drijfjacht op wilde zwijnen?
Vraag 5
Hoe is nu geborgd dat jagers bekwaam en effectief op bewegende en vluchtende dieren,
zoals zwijnen, kunnen schieten zonder dat de dieren gewond weg kunnen vluchten na
te zijn aangeschoten? Hoe is dit juridisch vastgelegd?
Antwoord 5
Op grond van artikel 3.24, eerste lid, van de Wet natuurbescherming moet eenieder
die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomen dat het dier onnodig lijdt.
Om deze reden wordt er niet op bewegende en vluchtende dieren wordt geschoten. Het
overgrote deel van het afschot van wilde zwijnen vindt plaats vanaf de hoogzit op
stilstaande dieren. Afschot vanaf de grond komt enkel voor bij de beperkte bewegingsjacht,
ook wel drukjacht genoemd. Dit kan alleen indien de provincie een ontheffing hiervoor
heeft afgegeven (zie artikel 3.33 eerste en tweede lid van de Wet natuurbescherming).
Bij deze vorm van schadebestrijding, die overigens maar sporadisch plaats vindt, wordt
niet op bewegende dieren geschoten.
Vraag 6
Hoe vaak moeten jagers in het algemeen en jagers op grote hoefdieren in het bijzonder
hun trefzekerheid aantonen of zich laten hertesten op hun trefzekerheid? Hoe is dit
juridisch vastgelegd?
Antwoord 6
De wettelijke eisen voor de opleiding van de jager liggen vast in de Wet natuurbescherming,
artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, en zijn verder ingevuld in het besluit Natuurbescherming
Artikel 3.18 (e.v.).
Hertesten zijn niet juridisch voorgeschreven. Deze worden door de beheerders van de
leefgebieden vaak wel verplicht opgelegd aan de bij hun in dienst zijnde medewerkers
belast met afschot in kader van schadebestrijding en populatiebeheer.
Vraag 7
Beaamt u dat vluchtende dieren die bejaagd worden niet zouden mogen lijden door de
onkunde van een jager, zowel uit ethische overwegingen als op basis van artikel 3.24
lid 3 van de Wet natuurbescherming? Zo ja, hoe kunt u garanderen dat vluchtende en
bewegende dieren niet lijden vanwege kennelijke onbekwaamheid van een jager bij gebreke
van een deugdelijke schietvaardigheidstoets?2
Antwoord 7
Op bewegende en vluchtende dieren wordt niet geschoten, zie ook antwoord op vraag
5. Daarnaast werken de jagers met zogeheten weidelijkheidsregels. Daarin is vastgelegd
dat een jager respectvol met dieren omgaat en onnodig lijden voorkomt, met de middelen
die hem wettelijk ter beschikking staan.
X Noot
2«Bij een aanwijzing krachtens het tweede lid wordt mede rekening gehouden met het
voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.»