Vragen van het lid Snels (GroenLinks) aan de Staatssecretaris van Financiën over de effectieve belastingdruk van grote bedrijven in Nederland (ingezonden 24 oktober 2019).

Antwoord van Staatssecretaris Snel (Financiën) (ontvangen 1 november 2019).

Vraag 1

Bent u bekend met het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar de effectieve belastingdruk van grote bedrijven (23 oktober 2019)?1 Kunt u reageren op de resultaten?

Antwoord 1

Ja.

Het CBS berekent voor de bedrijven in de Statistiek Financiën Grote Ondernemingen (niet-financiële ondernemingen met een balanstotaal van meer dan 40 miljoen) een effectieve belastingdruk op basis van de resultatenrekening die deze bedrijven zelf rapporteren aan het CBS. Het CBS geeft aan dat dit onderzoek een benadering is van de effectieve belastingdruk.

Bij de berekening van de effectieve druk gebruikt het CBS de winst die bedrijven zelf rapporteren (de «commerciële winst»). Dat komt niet noodzakelijkerwijs overeen met de winst waarover bedrijven vennootschapsbelasting moeten betalen (het «belastbaar bedrag»). Verschillen tussen commerciële winst en belastbaar bedrag ontstaan van jaar tot jaar door de toepassing van gebruikelijke fiscale regels, zoals de verrekening van verliezen, de innovatiebox, renteaftrekbeperkingen, of een andere manier van afschrijven op vaste activa. Het CBS heeft de commerciële winsten wel gecorrigeerd voor resultaten uit groepsmaatschappijen en deelnemingen, omdat deze doorgaans zijn vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. Dit geeft een betrouwbaarder beeld omdat zodoende het effectief tarief berekend wordt over de in Nederland behaalde winsten van het rapporterende bedrijf, en buitenlandse winsten niet worden meegenomen. Alle overige verschillen tussen de commerciële winst en het belastbaar bedrag blijven echter bestaan en zorgen voor de berekende afwijkingen tussen het effectieve tarief en het statutaire tarief.

Het CBS presenteert twee manieren om de effectieve belastingdruk te meten. De eerste methode is door de betaalde belasting te berekenen over alle bedrijven, dus zowel de winstgevende als de verlieslatende bedrijven. Bij deze benadering varieert de effectieve belasting tussen de 18,9 en 36,9% in de periode 2008–2017, met een totaalgemiddelde over die periode van 26,7%. Bij de tweede methode wordt de betaalde vennootschapsbelasting afgezet tegen alleen de winsten van de winstgevende bedrijven (en tellen de verliezen dus niet mee). Dit leidt tot effectieve belastingdrukpercentages tussen de 16,0 en 23,9% in dezelfde periode, met een gemiddelde van 18,7%.

De vennootschapsbelasting wordt in beginsel geheven over de totaalwinst, dat is de totale som van winsten en verliezen gedurende de gehele levensloop van een onderneming. Vanuit dit perspectief sluit de eerste methode daarbij het beste aan, met name als de uitkomsten over een langere periode worden beschouwd. Bij de tweede methode zijn de verliezen uit de grondslag geëlimineerd, wat per definitie tot een lagere effectieve belastingdruk leidt omdat in de te betalen belasting wel de verliesverrekening is opgenomen, maar de verliezen zelf niet in de grondslag opgenomen zijn. Dat geeft een beeld van de belastingdruk op bedrijven die in een zeker jaar winstgevend zijn, maar negeert het effect van de in het verleden geleden verliezen van die bedrijven. Uit de cijfers van het CBS blijkt dat vooral in 2012–2014 er relatief veel verliezen waren. Dit heeft een neerwaarts effect op het gemeten effectieve belastingtarief in de jaren daarna. Tabel 1 geeft een voorbeeld van de werking van de verliesverrekening in deze statistiek.

Tabel 1 Voorbeeld verliesverrekening
 

2013

2014

2015

Gehele periode

Commerciële Winst

– 100

– 50

250

100

Fiscale Winst

– 100

– 50

250

100

Verrekenbare verliezen jaar 2013 en 2014

   

– 150

 

Belastbaar bedrag

   

100

 

Verschuldigde Vpb (25%)

0

0

25

25

Effectieve druk

10%

25%

Dit voorbeeld laat het effect zien van het uitsluitend meenemen van positieve winsten in de berekening van het effectief tarief, wat een van de resultaten is van het CBS en waar u naar verwijst. Het bedrijf in dit voorbeeld haalt in 2013 en 2014 een verlies en in het jaar 2015 een winst. Over de gehele periode betaalt dit bedrijf effectief 25% vennootschapsbelasting. Maar vanwege de verliesverrekening valt het gemeten effectief tarief in het jaar waarin de winst behaald wordt (in dit voorbeeld in 2015), een stuk lager uit. Dit effect drukt het door u aangehaalde resultaat van het CBS (17,1% in 2017), terwijl het bedrijf onderworpen is aan een effectieve druk van 25%. Dus zelfs als er van jaar tot jaar geen verschillen zijn tussen de commerciële en de fiscale winst, kan er door verliesverrekening een sterke vertekening optreden van de effectieve tarieven. Dit effect is zichtbaar in de CBS-cijfers die u aanhaalt.

Zoals gezegd kunnen naast deze verliezen ook andere afwijkingen tussen commerciële winst en belastbaar bedrag van invloed zijn op het door het CBS berekende effectieve tarief.

Vraag 2

Herinnert u zich uw uitspraak van 25 juli 2019 dat het effectieve tarief in Nederland «heel erg dicht ligt bij het nominale tarief»?2 Waar was dat op gebaseerd?

Antwoord 2

Ja. Deze uitspraak is gebaseerd op het rapport «Corporate tax statistics» van de OESO. Daarin wordt een effectief tarief van 23% voor Nederland genoemd. Ik verwijs ook naar mijn brief aan uw Kamer van 19 februari 2019.3

Vraag 3

Wat zijn de oorzaken achter het feit dat het effectieve tarief van grote bedrijven sinds 2007 is gedaald van 22,7% naar 17,1%, terwijl het nominale tarief niet of nauwelijks is veranderd?

Antwoord 3

De vennootschapsbelasting wordt in beginsel geheven over de totaalwinst, dat is de totale som aan winsten en verliezen gedurende de gehele levensloop van een onderneming. Ondernemingen mogen daarom geleden verliezen verrekenen met winsten in latere jaren. Deze methode van meten van op effectief verschuldigde winstbelasting ten opzichte van een positieve winst kan daarom in de jaren na een laagconjunctuur relatief laag uitvallen omdat dan meer gebruik wordt gemaakt van verliesverrekening. Uit de cijfers van het CBS blijkt dat vooral in 2012–2014 er relatief veel verliezen waren. Dit heeft een neerwaarts effect op het gemeten effectieve belastingtarief in de jaren daarna. Naast verliesverrekening kunnen ook andere afwijkingen tussen commerciële winst en belastbaar bedrag van invloed zijn op het door het CBS berekende effectieve tarief.

Wat de invloed van elk van deze factoren precies is, vergt nadere analyse. Het CBS heeft aangegeven dat later dit jaar een publicatie verschijnt met nader onderzoek. Ik zie uit naar die nadere publicatie. Daarnaast heeft de Adviescommissie belastingheffing van multinationals als taak maatregelen te adviseren die leiden tot een grondslagverbreding in de vennootschapsbelasting. Daarbij vind ik het belangrijk eerst inzicht te hebben in welke bedrijven de vennootschapsbelasting momenteel voornamelijk opbrengen en wat de achterliggende factoren zijn. De adviescommissie zal daar ook inzicht in verschaffen.

Vraag 4

Ligt een effectief tarief van 17,1% volgens u «heel erg dicht» bij het nominale tarief van 25%? Vindt u een dergelijk effectief tarief uitlegbaar aan alle belastingbetalers in Nederland?

Antwoord 4

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het effectieve tarief van 17,1% vanwege de berekeningsmethode in ieder geval beïnvloed door de verliesverrekening. Daarnaast kunnen ook andere afwijkingen tussen commerciële winst en belastbaar bedrag van invloed zijn op het door het CBS berekende effectieve tarief. Alvorens conclusies aan deze cijfers te verbinden, vindt het kabinet een nadere analyse van belang. Het kabinet wacht daarom op de nadere publicatie van het CBS en het advies van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.

Vraag 5

Herinnert u zich uw verwijzing van 24 april 2019 naar het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waaruit zou blijken dat er in Nederland een effectief tarief van 23% geldt?4 Hoe verhoudt die conclusie zich tot dit rapport van het CBS? Klopt het dat dit CBS-onderzoek een realistischere weergave geeft van de realiteit dan het OESO-rapport?

Antwoord 5

In mijn brief van 19 februari 2019 geef ik aan dat het berekenen van een effectief belastingtarief een exacte definitie vergt en dat het effectief belastingtarief bovendien sterk kan verschillen per jaar en per bedrijf. Dit onderzoek van het CBS bevestigt dat. Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat onderzoek wordt gedaan naar een effectief vennootschapsbelastingtarief waarbij ook verschillende benaderingen gebruikt worden. Het kabinet wacht daarom op de nadere publicatie van het CBS en het advies van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.»

Vraag 6

Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden voor het eerste wetgevingsoverleg over het pakket Belastingplan 2020 op 28 oktober 2019?

Antwoord 6

Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.

Naar boven