Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-2020313

Vragen van het lid Gijs vanDijk (PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de rechterlijke uitspraak dat Deliveroo zijn medewerkers pensioen moet betalen (ingezonden 29 augustus 2019).

Antwoord van Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 10 oktober 2019).

Vraag 1

Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak dat Deliveroo zijn medewerkers pensioen moet betalen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Wat is uw oordeel over deze rechterlijke uitspraak? Vindt u ook, net als de rechter, dat Deliveroo ook een bezorgbedrijf is en niet alleen een digitaal platform? Deelt u de mening dat de bezorgers van dit soort bedrijven zeker moeten zijn van een fatsoenlijk loon, bescherming tegen ziekte en een goed pensioen?

Antwoord 2

Zoals ik eerder in mijn brief van 12 februari jl.2 aan uw Kamer heb medegedeeld, doe ik geen uitspraken over individuele bedrijven en over zaken die onder de rechter zijn. De termijn waarbinnen partijen tegen deze uitspraak3 in hoger beroep kunnen gaan, is nog niet verstreken.

De in dit artikel besproken rechterlijke uitspraak gaat over de uitleg van de werkingssfeer van een verplichtstelling. De reikwijdte van de werkingssfeer van de verplichtstelling en de beoordeling of de activiteiten van de onderneming vallen onder de verplichtstelling is in eerste aanleg een zaak van sociale partners. Deze uitspraak gaat niet over de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie. Hier heeft de kantonrechter eerder dit jaar twee vonnissen over gewezen.4 Tegen deze uitspraken is hoger beroep aangetekend.

Vraag 3

Heeft deze rechterlijke uitspraak ook positieve gevolgen voor andere platformwerkers?

Antwoord 3

Het kabinet wil nogmaals5 benadrukken dat het de kansen die innovatie en technologische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt bieden, zoals het werken via platforms, toejuicht. Het kabinet wil daarnaast benadrukken dat er ook aandachtspunten in dit kader zijn die zij nauwlettend in de gaten houdt: de opkomst van de platformeconomie mag uiteraard niet ten koste gaan van de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van werkenden.

Het kabinet hecht eraan dat het contractpartijen in beginsel vrij staat om hun arbeidsrelatie vorm te geven. Feiten en omstandigheden bepalen daarbij of er sprake is van bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Daarnaast is van belang of partijen vallen onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds.

Vraag 4

Welke maatregelen kunt u nemen om er voor te zorgen dat alle Deliveroo en Uber Eats medewerkers hun rechtmatige opgebouwd pensioen krijgen?

Antwoord 4

Deze uitspraak gaat over de specifieke vraag of de onderneming Deliveroo valt onder de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de Hoge Raad heeft bepaald dat medewerkers die vallen onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds recht hebben op pensioen, ook als zij niet bekend zijn bij het bedrijfstakpensioenfonds en er geen premie voor hen is afgedragen.6 Het is primair de verantwoordelijkheid van de werkgever om zich te melden bij het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds en zijn medewerkers aan te melden. Dit laat onverlet dat medewerkers die menen onder de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds te vallen, zich ook zelf kunnen melden bij het pensioenfonds.

Vraag 5

Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat deze onrechtvaardigheid voor platformwerkers via de rechter wordt uitgevochten? Zo ja, wanneer komt u met oplossingen om ervoor te zorgen dat platformbedrijven geen gebruik meer kunnen maken van de schijnconstructies die zij nu gebruiken?

Antwoord 5

Zoals ik eerder in mijn brief van 12 februari jl. aan uw Kamer heb aangegeven, vindt het kabinet het wenselijk dat door middel van rechterlijke uitspraken, meer helderheid komt over de kwalificatie van arbeidsrelaties in de platformeconomie. De verwachting is dat in deze gerechtelijke procedures tot het hoogste niveau wordt geprocedeerd en daarmee binnen de huidige juridische kaders meer duidelijkheid zal worden verschaft over de arbeidsrechtelijke grenzen in relatie tot platforms. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet.

Net als uw Kamer maakt het kabinet zich zorgen over de groep schijnzelfstandigen en kwetsbare zelfstandigen. Met mijn brief van 24 juni jl. heb ik u geïnformeerd over de voortgang maatregelen «werken als zelfstandige», waaronder een minimumtarief ter bescherming van zzp’ers die werkzaam zijn aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Zoals in die brief is vermeld, wordt beoogd de wetgeving in het derde kwartaal van 2019 voor internetconsulatie uit te zetten.

Vraag 6

Wat vindt u van het feit dat Deliveroo eenzijdig de vergoeding heeft verlaagd voor haar bezorgers? Vindt u dat hier dan nog sprake is van zelfstandigen? Is hier geen sprake van een gezagsverhouding en dus een arbeidsrelatie?

Antwoord 6

Bij geschillen over de inhoud van de arbeidsrelatie is het aan partijen om dit al dan niet voor de rechter te brengen. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, laat ik mij niet uit over individuele bedrijven.

Vraag 7

Is deze zaak een voorbeeld van het criterium van «kwaadwillendheid' dat u samen met de Staatssecretaris van Financiën heeft toegevoegd aan de handhaving door de Belastingdienst? Zo ja, waarom grijpt de Belastingdienst dan niet in? Zo nee, kunt u dan aangeven wanneer er wel sprake is van kwaadwillendheid?

Antwoord 7

De handhaving door de Belastingdienst in het kader van kwaadwillendheid betreft de handhaving op de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie in relatie tot de loonheffingen. Bij handhaving op kwaadwillendheid gaat het om handhaving bij opdrachtgevers die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid van een opdrachtnemer laten ontstaan of voortbestaan. In die situatie wordt buiten dienstbetrekking gewerkt, terwijl er sprake is van een dienstbetrekking en onder andere inhouding en afdracht van loonheffingen zou moeten plaatsvinden.

In de genoemde zaak lag de vraag voor of Deliveroo als werkgever valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg en dientengevolge verplicht was om pensioen af te dragen voor de bij hem in dienst zijnde werknemers met een arbeidsovereenkomst. Het ging in die zaak dus niet om de vraag of de arbeidsrelatie juist was gekwalificeerd in relatie tot de loonheffingen, maar of de werkgever zijn werkgeversverplichtingen richting zijn werknemers (volledig) was nagekomen. Dat betreft een arbeidsrechtelijke vraag. De Belastingdienst houdt geen toezicht op de naleving van arbeidswetten. Bij een geschil hierover kan de civiele rechter om uitsluitsel worden gevraagd, zoals in casu ook is gedaan.


X Noot
2

Kamerstuk 29 544, nr. 877.

X Noot
3

Rb. Amsterdam 26 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6292.

X Noot
4

Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL: RBAMS:2019:198 en ECLI:NL:RBAMS:2019:210.

X Noot
5

Kamerstuk 29 544, nr. 877.

X Noot
6

HR 3 februari 2012, PJ 2012, 39.