Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-20193327

Vragen van het lid Nijkerken-de Haan (VVD) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de berichten «Rotterdam loopt teruggeëist bijstandsgeld mis», «Man mag 35.000 euro te veel uitgekeerde bijstand houden» en «Stoïcijnse reacties op CRvB-uitspraak vorderingen» (ingezonden 2 mei 2019).

Antwoord van Staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 5 juli 2019).

Vraag 1

Bent u bekend met de berichten «Rotterdam loopt teruggeëist bijstandsgeld mis»1, «Man mag 35.000 euro te veel uitgekeerde bijstand houden»2 en «Stoïcijnse reacties op CRvB-uitspraak vorderingen»?3

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Hoe verhoudt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, dat het recht op terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand na 5 jaar verjaart, zich tot uw mededeling in de Kamer dat er bij fraude met bijstandsuitkeringen sprake is van een verjaringstermijn van 20 jaar?

Antwoord 2

Bijstandsvorderingen ontstaan doordat bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt. Dit kan het gevolg zijn van fraude, maar daar kunnen ook andere redenen aan ten grondslag liggen. Daarnaast kan een vordering jegens een bijstandsgerechtigde ontstaan door het opleggen van een bestuurlijke boete. Deze vorderingen zijn allemaal bestuursrechtelijke geldschulden.

Als te lang niet op een vordering wordt afgelost kan deze verjaren. Het wettelijk kader omtrent de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden kent geen onderscheid naar oorzaak of bron. Al deze vorderingen, waaronder de ten onrechte verstrekte bijstand (al dan niet door fraude) en de bestuurlijke boete, worden aangemerkt als «onverschuldigde betalingen». De verjaringstermijn van een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling is 5 jaar vanaf het moment dat de schuldeiser en de schuldenaar bekend zijn met het bestaan van de vordering.4 Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Wanneer er sprake is van stuiting door een rechtelijke uitspraak dan geldt bijvoorbeeld de (langere) verjaringstermijn van 20 jaar. En wanneer de te hoge of ten onrechte verstrekte uitkering door een fout van de gemeente heeft plaatsgevonden, dan geldt een kortere termijn, namelijk 2 jaar. Fraude – al dan niet met (bijstands-)uitkeringen – vormt echter nooit de grondslag waarop de verjaringstermijn wordt bepaald.

Vraag 3

Klopt het dat er binnen het Burgerlijk Wetboek een onderscheid wordt gemaakt op de verjaringstermijn bij invordering van boetes en de invordering van onverschuldigde betalingen? Hoe komt dit onderscheid naar voren binnen de fraude met sociale zekerheid? Kunt u dit nader toelichten?

Antwoord 3

Voor bestuursrechtelijke geldschulden die ontstaan zijn vóór 1 juli 2009 (zoals in de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep) moet, voor wat betreft de verjaringstermijn, aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) in werking getreden. Titel 4.4.3 beoogt een volledige regeling te geven van de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden. In aansluiting op het BW, is ook in de Awb gekozen voor een verjaringstermijn van 5 jaar bij onverschuldigde betalingen. De verjaringstermijn van 5 jaar geldt dus voor alle bestuursrechtelijke onverschuldigde betalingen in de sociale zekerheid, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt of er sprake is van fraude en ongeacht of het BW of de Awb van toepassing is.6

Vraag 4

Kunt u aangegeven welke mogelijke financiële consequentie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft voor gemeenten en andere uitkeringsinstanties, zoals het UWV en de SVB?

Antwoord 4

De uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd aan de gemeenten. Zij hebben dan ook de bevoegd- en verantwoordelijkheid voor het rechtmatig verstrekken van de bijstand en de handhaving daarvan. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreft een individuele casus met specifieke omstandigheden. Daarmee valt niet uit te sluiten dat de uitspraak ook financiële consequenties kan hebben voor vergelijkbare gevallen in andere gemeenten, voor zover daar de verjaring van openstaande vorderingen ook niet op de in de CRvB-uitspraak opgenomen wijze is gestuit. Of hier sprake van is, hoe vaak dit voorkomt en wat de financiële consequenties exact zijn is aan de individuele gemeenten om in kaart te brengen. Het is bekend dat een aantal gemeenten daarmee aan de slag is gegaan, maar hier bestaat geen landelijk beeld van. Zie hiervoor ook de antwoorden op de vragen 5, 6 en 9.

Het UWV stuurt voor elke vordering, waarop binnen een periode van vijf jaar geen betaling is ontvangen, een stuitingsbrief. Wanneer er meerdere vorderingen zijn, worden er per vordering stuitingsbrieven verstuurd. Het is dus mogelijk dat een debiteur eerst de stuitingsbrief voor één vordering ontvangt en enige tijd later een stuitingsbrief voor een andere vordering. Debiteuren kunnen te allen tijde een overzicht van openstaande schulden bij UWV opvragen. Het proces van het UWV is in lijn met de CRvB-uitspraak. Met die reden is er geen aanleiding om aan te nemen dat de CRvB-uitspraak financiële consequenties heeft voor het UWV.

De SVB heeft een proces bij invordering ingericht met periodiek en intensief contact met de klant dat het afboeken van vorderingen vanwege verjaring in principe voorkomt. Op grond van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen dient teveel betaalde uitkering, rekening houdende met een mogelijkheid tot het verlenen van uitstel tot betaling, binnen 36 dan wel 60 maanden plaats te vinden. Verjaring is dan niet aan de orde. Indien terugbetaling langer duurt dan 60 maanden, of terugbetaling (al dan niet tijdelijk) niet mogelijk is, verricht de SVB periodiek (jaarlijks) heronderzoek naar de betalingsmogelijkheden van de klant. Dit betekent dat er ieder jaar schriftelijk, en indien nodig tevens persoonlijk/telefonisch, contact is tussen de SVB en haar klant over de openstaande schuld. Dit leidt telkens tot stuiting van de verjaringstermijn. Ook bij de SVB is er zodoende geen aanleiding om aan te nemen dat de CRvB-uitspraak financiële consequenties heeft.

Vraag 5, 6, 9

Hoeveel van de uitstaande vorderingen komen met de uitspraak te vervallen?

Klopt de berichtgeving dat deze uitspraak mogelijk tot gevolg heeft dat gemeenten tientallen miljoenen van terugvorderingen niet terug zullen zien?

Wie draagt de financiële consequenties voor het administratief niet juist stuiten van de verjaringstermijn?

Antwoord 5, 6, 9

Vanuit de Bijstandsdebiteuren en -Fraudestatistiek van het CBS is het bekend dat er eind 2018 in totaal 481.130 openstaande bijstandsvorderingen zijn.7 Hiervan hebben 49.140 vorderingen (10%) een langere looptijd dan 5 jaar. Daarvan zijn 5.850 (1%) van deze vorderingen ontstaan door overtreding van de inlichtingenplicht of een bestuurlijke boete.

Hoeveel vorderingen van gemeenten (met een looptijd langer dan 5 jaar) daadwerkelijk onder het bereik van de CRvB-uitspraak vallen is niet op landelijk niveau bekend; dit geldt ook voor de financiële consequenties daarvan.8 Het is de expliciete bevoegdheid en (financiële) verantwoordelijkheid van de colleges en gemeenteraden om de terugvordering van onverschuldigde betalingen goed uit te voeren en om de gevolgen van de CRvB-uitspraak in de eigen gemeente vast te stellen. De eventuele financiële consequenties van het niet juist stuiten van de verjaringstermijn, draagt de gemeente dan ook zelf.

Vraag 7

Is het waar, zoals de woordvoerder van Divosa stelt, dat «de rechter heeft geoordeeld dat de gemeente Rotterdam in dit geval heeft nagelaten om de vordering goed te administreren en te communiceren. Daardoor kon de gemeente zich niet op stuiting van de verjaring beroepen»?

Antwoord 7

Het is een juiste interpretatie dat – in dit specifieke geval – onjuiste administratieve handelingen en onduidelijke communicatie hebben geleid tot de incorrecte stuiting van de vordering.

Vraag 8

Welke administratieve handelingen moet een gemeente uitvoeren om de verjaringstermijn te stuiten? Zijn deze noodzakelijke administratieve handelingen voldoende duidelijk voor gemeenten, ook waar het meerdere vorderingen per persoon betreft?

Antwoord 8

Artikel 4:105 Awb regelt de stuiting: de handeling die de lopende verjaringstermijn afbreekt. Het artikel kent twee gronden voor stuiting (die gelijk zijn aan artikel 3:316 en 3:318 uit het BW): het instellen van een daad van rechtsvervolging (lid 1)9 of de erkenning van het recht van de schuldeiser (lid 2)10. Daarnaast kan een bestuursorgaan de vordering stuiten middels een aanmaning11, een beschikking tot verrekening, een dwangbevel of een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel, art. 4:106 Awb. Middels deze handelingen moet het bestuursorgaan de bedoeling om alsnog tot invordering over te gaan duidelijk tot uitdrukking hebben gebracht. Om dit te bereiken, moet het stuitingsbericht voldoende helder, specifiek en inzichtelijk zijn. Er moet vermeld worden op welke vordering de stuiting betrekking heeft en er moet een overzicht van het openstaande bedrag worden gegeven waarin eventuele reeds gedane aflossingen en verrekeningen inzichtelijk worden gemaakt. Nadat de verjaring is gestuit, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met aanvang van de volgende dag. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, maar niet langer dan vijf jaar.

Gemeenten behoren bekend te zijn met deze regels, ook daar waar het de complexe situaties met meerdere vorderingen betreft. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft, vooralsnog, bij VNG en Divosa ook niet tot veel extra vragen geleid. Dit neemt niet weg dat het van belang is dit nogmaals onder de aandacht te brengen. Zie hiervoor ook de beantwoording van de vragen 10 en 11.

Vraag 10, 11

Deelt u de mening dat fraude nooit mag lonen en dat onterecht uitbetaalde bijstandsuitkeringen in principe terugbetaald moeten worden?

Hoe gaat u er voor zorgen dat gemeenten goed geïnformeerd zijn over de gevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, zodat zij ervoor kunnen zorgen dat hun administratieve processen volledig op orde komen?

Antwoord 10, 11

Ik acht het zeer onwenselijk dat (bijstands-)vorderingen om administratieve redenen verjaren. Onterecht betaalde uitkeringen moeten terugbetaald worden, zeker daar waar het fraude betreft. Fraude mag immers niet lonen.

Ik vind het van belang dat gemeenten hier actief werk van maken. Ik zal, in overleg met VNG en Divosa, bekijken hoe daaraan expliciet aandacht kan worden besteed en een bericht opnemen in het gemeentenieuws van SZW. De aandacht voor juiste administratieve processen bij vorderingen is niet alleen van belang bij gemeenten, maar ook bij andere overheidsinstanties. Dit thema zal daarom via de betreffende departementen ook bij uitvoeringsorganisaties van het rijk onder de aandacht worden gebracht.


X Noot
4

Als de opeisbaarheid nog niet aangevangen is, geldt op grond van het Burgerlijk Wetboek de verjaringstermijn van 20 jaar.

X Noot
5

Artikel 3:309 e.v. BW.

X Noot
6

Als een afwijkende verjaringstermijn van toepassing is, dan is dit niet gelegen in het gegeven dat er sprake is van fraude. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.

X Noot
7

108.480 van deze vorderingen zijn ontstaan door overtreding van de inlichtingenplicht of een boetevordering.

X Noot
8

De totale openstaande saldoschuld is eind 2018 € 14,09 miljard. Hoe hoog het vorderingsbedrag is dat bij de 5.850 vorderingen hoort die al langer dan 5 jaar open staan, is niet bekend. Bovendien valt niet te zeggen of, en voor welk deel, deze vorderingen ook daadwerkelijk onder het bereik van de CRvB-uitspraak vallen.

X Noot
9

Daaronder wordt begrepen het instellen van een vordering bij de civiele rechter, maar ook het leggen van conservatoir beslag, of het indienen van een vordering ter verificatie bij faillissement.

X Noot
10

Voor de erkenning geldt nadat het niet noodzakelijk is dat de schuld uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring.

X Noot
11

Een dergelijke aanmaning moet voldoen aan de daar aan gestelde vormvereisten in artikel 4:112 Awb.