Vragen van de leden Van den Hul en Moorlag (beiden PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over een breed plan voor technisch onderwijs dat volgens ondernemersorganisatie Techniek Nederland nu nodig is (ingezonden 4 april 2019).

Antwoord van Minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (ontvangen 22 mei 2019)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2537.

Vraag 1

Erkent u de zorgen van de voorzitter van Techniek Nederland over het misverstand dat nog altijd teveel jongeren, ouders, docenten en beleidsmakers het algemeen vormend onderwijs zien als de snelste weg naar succes, maar het onderwijs daardoor massaal mensen opleidt voor beroepen die er straks niet meer zijn?1

Antwoord 1

Ik erken dat er grote behoefte is aan vakmensen en er zijn in ons onderwijssysteem verschillende routes om daar te komen. Dit kabinet vindt het dan ook van belang om scholen te ondersteunen door het verbeteren van de overgangen tussen primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, zodat zoveel mogelijk jongeren op een plek in het onderwijs terecht komen, die het beste bij hen past en die hen kansen geeft op een goed arbeidsmarktperspectief (zie ook verder bij antwoord op vraag 3). Tegelijkertijd zie ik dat het goed gaat met jongeren op de arbeidsmarkt, zowel uit het mbo als uit het hoger onderwijs: onze jeugdwerkloosheid is zeer laag, lager dan die van vergelijkbare landen. Daarnaast schat de OECD de negatieve effecten van bijv. robotisering relatief laag in voor Nederland: 11,4% loopt een risico. Daarbij stelt de OECD dat de kans groot is dat nieuwe technologie ook veel nieuwe banen zal creëren.2 Het beeld dat het onderwijs massaal opleidt voor verdwijnende beroepen deel ik niet. Waar beroepen wel verdwijnen of veranderen, is het zaak dat mensen zich blijven ontwikkelen zodat zij inzetbaar blijven. Dit kabinet ondersteunt dit met maatregelen op het terrein van Leven Lang Ontwikkelen.

Vraag 2

Deelt u zijn analyse dat wij in een Vierde Industriële Revolutie verzeild zijn geraakt, waarin juist de maakindustrie en technisch vakmanschap van vitaal belang zijn?

Antwoord 2

Ik deel deze analyse. In een eerdere brief aan uw Kamer benoemt dit kabinet dit ook3.

Vraag 3

Hoe beoordeelt u zijn pleidooi voor een «Breed Technisch Onderwijsplan»?

Antwoord 3

De heer Terpstra beschrijft een breed spectrum aan maatregelen.

Ik juich hybride docenten toe en daarom is dit ook een onderdeel van het plan van aanpak lerarentekort. Hier is uw Kamer al eerder over geïnformeerd4. Ook in het kader van het Techniekpact is er met het concept van «hybride docenten» geëxperimenteerd. Een hybride docent is iemand die deels een aanstelling als docent heeft en deels een aanstelling in het bedrijfsleven. Het is ongewenst voor de continuïteit en planning van zowel scholen als bedrijven als alle docenten hybride zijn. Het is voor docenten wel van groot belang dat ze goed op de hoogte zijn van wat er in het bedrijfsleven speelt. Middelen als docentenstages en hybride leeromgevingen zijn, naast hybride docentschap, daar ook uitstekend geschikt voor.

Een hybride leeromgeving of hybride onderwijs houdt in dat het onderwijs zo is ontworpen dat het schoolse leren wordt verbonden en verweven met het leren in de beroepspraktijk. Het is heel goed als leerlingen in het beroepsonderwijs kennismaken met de praktijk in bedrijven. Daarom is cofinanciering van het bedrijfsleven een vereiste binnen de investering in het technisch vmbo. Met deze investering stimuleer ik dat leerlingen ook een deel van het beroepsgerichte onderwijs in de praktijk leren.

Verder heeft ook het programma Sterk beroepsonderwijs aandacht voor leren in de praktijk. Zo zullen de gemengde en theoretische leerwegen van het vmbo samengebracht worden in één leerweg waarbinnen elke jongere praktijkgericht onderwijs volgt. Zo zorgen we ervoor dat vmbo’ers uit de gemengde en theoretische leerwegen beter zijn voorbereid op het vervolgonderwijs (mbo en havo) en dat alle leerwegen in het vmbo aansluiten bij jongeren met verschillende leerstijlen. Op termijn levert dit een bijdrage aan het verkleinen van de maatschappelijke kloof tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Ook ontvangt uw Kamer dit najaar een wetsvoorstel dat vo-scholen, mbo-instellingen en arbeidsmarktpartijen in de gelegenheid stelt samen te kunnen werken om het beroepsonderwijs meer als één geheel vorm te geven. Zo kunnen we ervoor zorgen dat er in de toekomst een voldoende divers aanbod aan beroepsonderwijs is van hoog niveau dat aansluit op de wensen van de (regionale) arbeidsmarkt.

Over de studentenstops bij technische studies is uw Kamer al eerder geïnformeerd5. Een numerus fixus bij technische opleidingen kan tijdelijk nodig zijn om de kwaliteit van een opleiding te waarborgen, maar ik verwacht van hogescholen en universiteiten dat zij het maximale doen om een numerus fixus ook zo snel mogelijk weer in te trekken. In het wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid, dat uw Kamer in het najaar ontvangt, wordt een onderbouwing gevraagd voor het instellen van een numerus fixus. Bij de herziening van de bekostiging van het hoger onderwijs is er specifieke aandacht voor de knelpunten van de technische opleidingen. Op 15 mei is het advies van commissie Van Rijn over de herziening gepresenteerd en ik zal hier voor 21 juni op reageren.

Ten slotte dringt de heer Terpstra aan op arbeidsmarktrelevante financiering van opleidingen. Dit lijkt mij in relatie tot het beoogde doel geen nuttig of wenselijk middel. Het huidige onderwijsstelsel voorziet al in zowel de kwalitatieve als kwantitatieve aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Dit stelsel bewijst zich, gezien de zeer lage jeugdwerkloosheid6. Zowel in het vo, mbo als hoger onderwijs werken we aan het verbeteren van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB):

  • Halverwege 2017 is het Expertisepunt LOB opgericht. Hierin delen scholen materialen en praktijkvoorbeelden, zodat zij hun studiekeuzebegeleiding en loopbaanoriëntatie kunnen verbeteren.

  • Ook wordt door de website Studiekeuze123 informatie beschikbaar gesteld over het arbeidsmarktperspectief van opleidingen in het hoger onderwijs. Het gaat hier bijvoorbeeld om de kans op het vinden van een baan, een salarisindicatie en andere arbeidsmarktprognoses.

  • Verder faciliteer ik het studiekeuzeportaal KiesMBO. Dit portaal geeft inzicht per opleiding in onder andere de kans op werk, stage of leerbaan. Ook kan op basis van de wet een numerus fixus worden ingesteld op een mbo-opleiding met een beperkt arbeidsmarktperspectief of vanwege een capaciteitsbeperking. Indien een opleiding gebruik maakt van deze mogelijkheid, moeten zij dit duidelijk kenbaar maken voor de buitenwereld. In juni bied ik de Kamer de eerste rapportage van de monitor van de wet «Vroegtijdige aanmelddatum voor en Toelatingsrecht tot het mbo» aan. Daarin komt ook de numerus fixus aan bod.

Daarnaast zijn er al bestaande maatregelen in het vo, mbo en hoger onderwijs om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren. Bijvoorbeeld:

  • In het programma Sterk Techniekonderwijs (VO) krijgen regio’s alleen middelen voor de versterking van het technisch vmbo als de plannen zijn gebaseerd op een arbeidsmarktanalyse, zijn gemaakt in samenwerking met het bedrijfsleven, en het bedrijfsleven minimaal 10% cofinanciering levert.

  • In het mbo worden de kwalificatiedossiers mede door de werkgevers vormgegeven binnen de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en zijn daardoor arbeidsmarktrelevant.

  • In de sectorakkoorden hbo en wo is afgesproken dat de aansluiting van het onderwijsaanbod op de arbeidsmarkt periodiek wordt geanalyseerd. Indien hier uit blijkt dat er verbeteringen nodig zijn, geeft de sector dat gezamenlijk vorm met betrokkenheid van werkgevers.

Vraag 4

Wat is in het bijzonder uw reactie op zijn voorstellen om

  • binnen vijf jaar «hybride» docenten tot de norm te maken;

  • volop ruimte te bieden aan hybride opleidingen in het voortgezet onderwijs?

Antwoord 4

Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.

Vraag 5

Bent u bereid om de voorstellen over te nemen en in overleg te treden met Techniek Nederland over de uitwerking en uitvoering van de voorstellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

De zorgen rondom de vraag naar technisch opgeleid personeel adresseert dit kabinet binnen het Techniekpact. Uw kamer wordt voor eind mei nader geïnformeerd over de voortzetting van het Techniekpact. Techniek Nederland zit bij het Techniekpact aan tafel.

Daarbij moeten we beseffen dat er meerdere sectoren op de arbeidsmarkt zijn die kampen met een personeelstekort, zoals de onderwijssector zelf. De voorstellen van Techniek Nederland moeten in dat bredere perspectief worden bezien. Mijn collega’s en ik blijven vanzelfsprekend in gesprek met de heer Terpstra en andere (technische) werkgeverspartijen, zodat wij ook in de toekomst kunnen samenwerken aan passende oplossingen voor de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

Werkgevers kunnen eraan bijdragen te laten zien hoe mooi een loopbaan vanuit het technisch beroepsonderwijs kan zijn. Het technische bedrijfsleven kan bijdragen aan een hogere instroom van jongeren door zichzelf als aantrekkelijke werkgever te positioneren en zo jongeren aan te trekken tot een loopbaan in de techniek of technologie. Een goed voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de Carrière Startgarantie, die het Rotterdamse bedrijfsleven in samenwerking met STC en het Techniek College Rotterdam geeft aan studenten in procestechniek, maintenance en Civiele techniek/Infra. Door deze garantie zijn studenten verzekerd van een stageplaats, extra begeleiding via een mentor uit het bedrijfsleven en een carrièrestart in de sector na het behalen van een diploma.


X Noot
1

Doekle Terpstra: «Industriële Revolutie IV vergt breed plan voor technisch onderwijs» in Trouw 3 april 2019 (https://www.trouw.nl/opinie/-industriele-revolutie-iv-vergt-breed-plan-voor-technisch-onderwijs-~a5e873c0/).

X Noot
2

OECD, Automation, Skill Use and training(maart 2018).

X Noot
3

Kabinetsreactie op SER-verkenning «Mens en Technologie: samen aan het werk» (Kamerstuk 29 544, nr. 773)

X Noot
4

Kamerbrief met plan van aanpak lerarentekort (Kamerstuk 27 923, nr. 245)

X Noot
5

Kamerbrief Toegankelijkheid en kansenongelijkheid in het hoger onderwijs (31 288, nr. 664)

Naar boven