Vragen van de leden Omtzigt (CDA) en Lodders (VVD) aan de Staatssecretaris van Financiën over het rendement in Box 3 (ingezonden 28 december 2018).

Mededeling van Staatssecretaris Snel (Financiën) (ontvangen 24 januari 2019).

Vraag 1

Herinnert u zich dat u de Kamer in uw antwoorden van 21 december 2018 op vragen van de leden Omtzigt (CDA) en Lodders (VVD) van 5 december 2018 meedeelde a) dat de Belastingdienst bij de Hoge Raad gemotiveerd betoogd heeft dat ook AEX-hoofdfondsen en onroerende zaken een stabiele beleggingsvorm vormen met weinig risico’s zijn, en b) dat het geen kabinetsbeleid is om AEX-beleggingen te beschouwen als risico-arm?

Vraag 2

Kunt u uitleggen hoe het het kabinet lukt zowel het hierboven onder a genoemde als het onder b genoemde te beweren?

Vraag 3

Herinnert u zich dat u dat u in uw antwoord op vraag 4 van 5 december 2018 heeft gezegd dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) de genoemde beleggingscategorieën (hoofdfondsen en onroerende zaken) terecht niet per definitie ziet als stabiel en met weinig risico.»?

Vraag 4

Kunt u een voorbeeld geven van een beleggingsfonds, dat alleen in AEX-hoofdfondsen belegt en een 1, 2 of 3 scoort op de risicometer van AFM en dus relatief weinig risicovol is?

Vraag 5

Kunt u één omstandigheid geven waarin de AFM hoofdfondsen wel ziet als een stabiele beleggingscategorie met weinig risico?

Vraag 6

Indien u op de vorige vraag geen antwoord kunt geven, is het dan waar dat uw antwoord op de vierde vraag van 5 december had moeten luiden dat de AFM de genoemde beleggingscategorieën (hoofdfondsen en onroerende zaken) terecht nooit ziet als stabiel en met weinig risico?

Vraag 7

Herinnert u zich dat in het regeerakkoord staat dat in de vermogensrendementsheffing (box 3) sneller wordt aangesloten op het werkelijk rendement van spaartegoeden en dat in deze kabinetsperiode een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement zal worden uitgewerkt?

Vraag 8

Herinnert u zich dat in uw fiscale beleidsagenda van 23 februari 2018 schreef dat in het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement zal uitwerken, waarbij u, onder verwijzing naar het verzoek van de vaste commissie voor Financiën van de om een kabinetsstandpunt over box 3 op basis van werkelijk rendement en uw voorgenomen tijdpad, de Kamer meedeelde dat u de brief daarover in het voorjaar van 2018 zou sturen (Kamerstuk 32 140, nr. 33)?

Vraag 9

Klopt het dat deze brief nog steeds niet aan de Kamer verstuurd is?

Vraag 10

Kunt u voor elk van de 28 EU-landen aangeven of zij een heffing hebben op basis van forfaitair rendement of op basis van reëel rendement (zoals een vermogenswinstbelasting of een vermogensaanwasbelasting)?

Vraag 11

Kunt u voor elk van de 28 EU-landen aangeven hoeveel belasting een alleenstaande belastingplichtige betaalt die 120.000 euro op de bank heeft staan in 2018 en daar 0,15% rente over ontvangst (180 euro per jaar)?

Kunt u dus voor elk van deze landen aangeven hoe groot de belastingdruk is, namelijk de verhouding tussen verschuldigde belasting en betaalde rente?

Vraag 12

Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken aan de Kamer doen toekomen?

Mededeling

Hierbij laat ik u weten dat de schriftelijke vragen van de leden Omtzigt (CDA) en Lodders (VVD) over het rendement in box 3 (ingezonden op 28 december 2018) niet binnen drie weken beantwoord kunnen worden. De reden van het uitstel is dat een zorgvuldige beantwoording en de benodigde afstemming meer tijd vergen.

Ik verwacht de vragen binnen drie weken te kunnen beantwoorden.

Naar boven