Vragen van de leden Jasper vanDijk en Van Nispen (beiden SP) aan de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Rechtsbescherming over het
bericht «Incasso-oplichting blijft ongemoeid» (ingezonden 12 december 2017).
Antwoord van Minister Dekker (Rechtsbescherming) (ontvangen 24 januari 2018).
Vraag 1
Kent u het artikel «Incasso-oplichting blijft ongemoeid»?1
Vraag 2
Hoe verklaart u dat incassobureaus jarenlang onterecht kosten in rekening kunnen brengen
bij hun schuldenaren, oplopend tot wel 500 euro? Waarom is er niet ingegrepen?
Antwoord 2
Het onterecht kosten in rekening brengen is wettelijk niet toegestaan; crediteuren
moeten zich houden aan de vaste bedragen op grond van de staffel uit de Wet Incassokosten
(WIK). Meer mogen zij niet in rekening brengen. Wat eventueel teveel is betaald door
de debiteur, dus boven de wettelijke maxima, kan als onverschuldigd betaald worden
teruggevorderd. De toets of een incassobureau de berekening juist toepast is in eerste
instantie aan diegene die een betalingsverzoek krijgt. Dat is niet altijd even eenvoudig.
Daarom bevat (onder andere) de site www.consuwijzer.nl naast informatie over incassokosten ook een rekenhulp incassokosten. Daarmee kan
iemand nagaan wat de maximale incassokosten en rente mogen zijn. Als het incassobureau
niet bereid blijkt om de wet juist toe te passen, dan kan de debiteur een civiele
rechtszaak beginnen en zal er tijdens de kantonzitting een WIK-toets plaatsvinden.
Als het gaat om toezicht moet onderscheid gemaakt worden tussen een incassokantoor
en een gerechtsdeurwaarderskantoor. Een gerechtsdeurwaarder valt onder het integraal
toezicht van het Bureau Financieel Toezicht (BFT), een incassokantoor niet. Een gerechtsdeurwaarder
met een geïntegreerde incassopraktijk valt eveneens onder het toezicht van het BFT.
Artikel 20, lid 3, sub c Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt namelijk dat een gerechtsdeurwaarder
nevenwerkzaamheden mag verrichten, waaronder het innen van gelden voor derden. Het
gaat in onderhavige casus om gerechtsdeurwaarders.
De controle of een gerechtsdeurwaarder de incassokosten juist doorberekent, valt sinds
1 juli 2016 onder het toezicht van het BFT. Het BFT is in de uitoefening van zijn
toezichtstaak afhankelijk van een juiste, volledige, tijdige en actieve aanlevering
van gegevens door degene die onder toezicht staan. Er is naar het oordeel van het
BFT in deze casus sprake geweest van het opgeven van onjuiste cijfers, waardoor de
toezichthouder geruime tijd is misleid. Het BFT heeft echter wel degelijk ingegrepen,
zoals ook uit onderstaande antwoorden blijkt.
Vraag 3, 4, 5, 6
Klopt het dat noch het Openbaar Ministerie (OM), noch de curator, noch Bureau Financieel
Toezicht in deze zaak actie hebben ondernomen? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Waarom zijn de aangiften tegen betreffende deurwaarders niet in behandeling genomen?
Heeft het OM voldoende capaciteit voor dergelijke zaken?
Wat is de rol van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in deze geweest? Wat de rol
van Bureau Financieel Toezicht?
Antwoord 3, 4, 5, 6
Het BFT heeft vanuit de wettelijke toezichtstaak vragen gesteld naar aanleiding van
de door de gerechtsdeurwaarders ingediende kwartaalgegevens. Het BFT heeft vervolgens
het onderzoek gedaan, de spoedschorsing van de gerechtsdeurwaarders aangevraagd en
de tuchtklacht aangebracht. Naar aanleiding van de tuchtklacht van het BFT is er op
7 maart 2017 door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam uitspraak gedaan
en zijn de gerechtsdeurwaarders ontzet uit hun ambt (zie ECLI:NL:TGDKG:2017:25). Er
is geen beroep ingesteld. Het BFT heeft vervolgens toezicht gehouden op de waarnemer
en de afwikkeling.
Het Openbaar Ministerie raakte oktober 2017 bekend met de kwestie van deurwaarderskantoor
BSR omdat de waarnemend deurwaarder van het inmiddels failliete BSR contact opnam
met het College van procureurs-generaal. Vanaf dat moment heeft het College onderzocht
wat er vóór oktober 2017 is gebeurd met betrekking tot deze zaak en is het College
de waarnemend deurwaarder behulpzaam geweest bij het onder de aandacht brengen van
de zaak bij de betrokken partijen. Vervolgens hebben de waarnemend deurwaarder en
het BFT gezamenlijk aangifte gedaan tegen de deurwaarders van het failliete BSR. Deze
aangifte is momenteel in behandeling bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie.
De Autoriteit Consument & Markt heeft in deze specifieke zaak geen rol gehad.
Vraag 7, 8
Komen dit soort zaken vaker voor?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat dit vaker kan gebeuren?
Antwoord 7, 8
Helemaal voorkomen dat er te hoge rekeningen worden verstuurd en vervolgens door de
debiteur worden betaald, is in de praktijk zeer moeilijk te realiseren. Indien het
BFT aanleiding heeft om te veronderstellen dat gerechtsdeurwaarderskantoren zich schuldig
maken aan het stelselmatig en zonder dossiervorming in rekening brengen van onterechte
of niet-inzichtelijke kosten c.q. het maken van onnodige kosten, dan zal de toezichthouder
daartegen optreden. Een gerechtsdeurwaarder die zo te werk gaat, handelt in strijd
met zijn beroepsnormen, en riskeert op zijn minst een tuchtrechtelijke aanpak. Zo
is recentelijk in een dergelijke zaak een gerechtsdeurwaarder als ordemaatregel voor
zes maanden geschorst in afwachting van de klachtbehandeling. Dossiers als deze vormen
een belangrijk speerpunt binnen de wettelijke toezichtstaak. Het BFT zal ook in 2018
binnen zijn capaciteitsmogelijkheden hier extra aandacht aan besteden.
X Noot
1Telegraaf, 4 dec 2017