Vragen van het lid Ploumen (PvdA) aan de Staatssecretaris van Defensie over het bericht
«Wees een voorbeeld, geen bullebak» (ingezonden 15 december 2017).
Antwoord van Staatssecretaris Visser (Defensie) (ontvangen 8 januari 2018).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Wees een voorbeeld, geen bullebak»?1
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de conclusies van Luitenant-kolonel Dalenberg dat de coördinatietijd
bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA) door fysieke en mentale uitputting zijn
doel voorbij schiet?
Antwoord 2
De in het promotieonderzoek geschetste praktijken vinden nu niet meer plaats. Op basis
van de bevindingen van Dalenberg en de gesprekken daarover binnen de KMA zijn al verschillende
veranderingen doorgevoerd in de coördinatietijd (de co-tijd). De focus ligt nu minder
op het «schreeuwen» en «fysiek belasten» en meer op het «confronteren met het eigen
onvermogen» en het «enthousiasmeren door het goede voorbeeld te geven». Door het onderzoek
van Dalenberg en de gesprekken daarover, tussen de cadetten onderling, werden de opdrachten
meer gericht op het kunnen presteren onder druk en het snel kunnen verwerken van informatie,
competenties die passen bij het werk van een officier.
Vraag 3
Neemt u de uitkomsten van het onderzoek dat de inwijdingsrituelen, zoals die nu bij
de KMA gangbaar zijn, niet zoveel toevoegen aan de professionele vorming? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 3
Uit het onderzoek van Dalenberg blijkt dat er in de huidige vorm van de Co-tijd wel
degelijk sprake is van positieve effecten: deelnemers zijn enthousiaster voor de organisatie
en identificeren zich meer met de waarden van die organisatie. Het in korte tijd bereiken
van deze positieve effecten toont aan dat een socialisatieperiode, mits uitgevoerd
met de juiste begeleiding, een belangrijk instrument is.
Een van de aanbevelingen die uit het onderzoek van Dalenberg volgt is dat het verder
integreren van de militaire opleiding vanuit de KMA met de wetenschappelijke vorming
vanuit de Faculteit en met de ontwikkelmogelijkheden (persoonsvorming) die het Cadettencorps
biedt, kan bijdragen aan een betere officiersvorming. In die zin is er wel degelijk
een belangrijke rol weggelegd voor het Cadettencorps en dus ook de Co-tijd, met betrekking
tot de professionele vorming.
Vraag 4
Op welke wijze gaat u de kennis die is opgedaan in het promotieonderzoek binnen de
krijgsmacht delen om daarvan te kunnen leren?
Antwoord 4
Het promotieonderzoek van luitenant-kolonel Dalenberg is een goed voorbeeld van het
belang van wetenschappelijk onderzoek bij en voor Defensie. Defensie is hem dan ook
erkentelijk voor zijn onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de co-tijd een goede
potentie heeft om ingezet te worden als opleidingsinstrument voor zowel de nieuwkomers
als de derde- en vierdejaars cadetten. Mede door het onderzoek van Dalenberg zijn
de opdrachten nu meer gericht op competenties die passen bij het werk van een officier.
De voorbeeldfunctie van de ouderejaars is hiermee versterkt en er is geen plaats meer
voor de bestraffende bullebak verminderd. De Co-tijd is daardoor niet alleen productiever
voor cadetten, die hierdoor mentaal weerbaarder worden, maar ook voor ouderejaars
die hierdoor meer aan hun verantwoordelijkheidsgevoel en leiderschapskwaliteiten werken.
Het is belangrijk scherp te blijven op de te bereiken doelen en effecten van de co-tijd.
De Co-tijd is door de jaren heen met de tijd mee veranderd en zal dat blijven doen.
Alle cadetten en begeleiders hebben er baat bij kritisch te kijken naar hun gedrag
en de bestaande procedures en daarover met elkaar in gesprek te blijven.
Vraag 5
Deelt u de mening dat het promotieonderzoek aantoont dat de regels over inwijdingsrituelen
binnen Defensie duidelijker moeten worden gemaakt, inclusief een expliciet verbod
op ontgroeningen, zoals voorgesteld in motie Ploumen/Karabulut (kamerstuk 34 775 X, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Ik heb u eerder gemeld dat ontgroeningen verboden zijn en dat inwijdingsrituelen wel
zijn toegestaan. Inwijdingsrituelen zijn bedoeld om de saamhorigheid te versterken
en het naleven van normen en waarden te bevorderen. Voor deze inwijdingsrituelen bestaat
een defensie-brede aanwijzing, die in algemene zin de regels beschrijft waaraan de
inwijdingsrituelen moeten voldoen. Hiermee worden commandanten gewezen op hun verantwoordelijkheden,
zoals het voorkomen van excessen en misstanden. Commandanten houden toezicht en zijn
verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van inwijdingsrituelen. Deze aanwijzing
uit 2013 wordt momenteel herzien. Gekeken wordt of de oorspronkelijke aanwijzing voldoende
«scherp» is om de goede uitvoering van inwijdingsrituelen te waarborgen. Vooral de
rol en de verantwoordelijkheid van het (leidinggevend) kader wordt verder verduidelijkt.
Vraag 6
Hoe en op welke termijn gaat u het promotieonderzoek onder aandacht brengen van de
Commissie sociaal veilige werkomgeving?
Antwoord 6
Luitenant-kolonel Dalenberg heeft zijn promotieonderzoek intussen al aangeboden aan
de commissie sociaal veilige werkomgeving defensie.
X Noot
1NRC Handelsblad, 7 december 2017