Vragen van de leden Van Ojik en Van Tongeren (beiden GroenLinks) aan de Ministers
van Buitenlandse Zaken en van Infrastructuur en Waterstaat over het artikel «Nuclear
accident sends «harmless» radioactive cloud over Europe» (ingezonden 21 november 2017).
Antwoord van Minister Zijlstra (Buitenlandse Zaken), mede namens de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 14 december 2017).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Nuclear accident sends «harmless» radioactive cloud
over Europe»?1
Vraag 2
Weet u wie verantwoordelijk is voor het nucleaire incident, waardoor er een wolk van
de radioactieve stof ruthenium-106 vrij is gekomen? Zo nee, bent u bereid dit uit
te zoeken?
Antwoord 2
Nee, dat is niet bekend. De Russische meteorologische dienst Rosgidromet heeft onlangs
aangegeven dat er eind september hoge concentraties radioactief ruthenium-106 zijn
gemeten in het zuidelijke deel van de Oeral. Rusland ontkent dat er sprake is geweest
van een nucleair incident.
Nederland heeft, tezamen met een aantal andere Europese landen, tijdens de afgelopen
bestuursraad van de Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) opheldering gevraagd
aan de andere IAEA-lidstaten. Ook is het belang van het (tijdig) delen van informatie
onderstreept. Tijdens de bestuursraad van de IAEA in maart 2018 zal er op worden teruggekomen.
Vraag 3
Deelt u de inschatting van het Franse nucleaire onderzoeksinstituut IRSN dat de radioactieve
wolk tot stand is gekomen door een incident in Rusland of Kazachstan?
Antwoord 3
Op basis van de beschikbare informatie lijkt de afkomst uit het zuidelijke deel van
de Oeral aannemelijk.
Vraag 4
Deelt u de inschatting dat het incident heeft geleid tot gezondheidsgevaren voor de
plaatselijke bevolking?
Antwoord 4
Op basis van de beschikbare informatie is hierover geen uitspraak te doen.
Vraag 5
Heeft u opheldering gevraagd over het incident bij de Russische en Kazachstaanse regering?
Zo nee, gaat u dit alsnog doen?
Antwoord 5
Nederland heeft in de bestuursraad van de IAEA om opheldering gevraagd (zie onder
vraag 2).
Vraag 6
Had dit incident gemeld moeten worden conform de meldplicht voor kernongevallen volgens
de internationale procedures van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA)?
Antwoord 6
Op basis van de «Convention on Early Notification of a Nuclear Accident 1986» onder
het International Atomic Energy Agency (IAEA) bestaat er een meldplicht voor ongevallen
waarbij radioactieve stof vrijkomt, of waarschijnlijk vrij zal komen, met significante,
grensoverschrijdende veiligheidsgevolgen. Begin oktober 2017 hebben diverse landen
in Europa aangegeven dat er radioactief ruthenium-106 in de lucht werd gemeten. De
(hoogst) gemeten waarde had praktisch geen effect op volksgezondheid en milieu in
Europa. In Nederland heeft het RIVM gemeten op ruthenium-106. Daarbij is geen ruthenium-106
aangetroffen in de lucht.
Desalniettemin acht het Kabinet het wenselijk dat een ongeval -met een grensoverschrijdend
karakter- te allen tijde wordt gemeld. Nederland heeft dit dan ook aan de orde gesteld
tijdens de recente bestuursraad van de IAEA (zie onder vraag 2).
Vraag 7
Welke consequentie wordt verbonden aan het niet voldoen aan de meldplicht?
Antwoord 7
Indien er een meldplicht is, waaraan niet wordt voldaan, is er sprake van een schending
van de »Convention on Early Notification of a Nuclear Accident 1986». Verdragspartijen
kunnen elkaar daarop aanspreken.
Vraag 8
Hebt u, net als het Franse nucleaire onderzoeksinstuut IRSN, het vermoeden dat de
Russische en Kazachstaanse regering het nucleaire incident bewust hebben verzwegen?
Antwoord 8
Het Kabinet beschikt niet over informatie die hierop wijst.
Vraag 9
Welke risico’s bestaan er volgens u voor Nederland en andere EU-lidstaten als landen
zoals Rusland en Kazachstan de internationale plichten rondom het melden van nucleaire
incidenten niet naleven? Wat gaat u doen om deze risico’s te ondervangen?
Antwoord 9
De mogelijke risico’s, zoals bijvoorbeeld voor volksgezondheid en milieu, zijn uiteraard
afhankelijk van de aard van het incident.
Mocht informatie niet (tijdig) worden gemeld, kunnen risico’s worden ondervangen door
het zogenoemde «Nationaal Meetnet radioactiviteit» (NMR). Na het ongeval in Tsjernobyl
in 1986, is dit stralingsmeetnet opgericht. Hiermee kan de hoeveelheid radioactiviteit
in luchtstof worden gemeten, waardoor een mogelijk kernongeval kan worden gesignaleerd.
Afhankelijk van de gemeten hoeveelheid, kan worden besloten tot opschaling van de
betrokken nationale crisisorganisaties.