Vragen van het lid Van Dam (CDA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Geruïneerd door het faillissement van iemand anders» (ingezonden 30 januari 2018).

Antwoord van Minister Dekker (Rechtsbescherming) (ontvangen 3 april 2018). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1241.

Vraag 1

Bent u bekend met de uitzending van Opgelicht?! van 23 januari 2018, en in het bijzonder het item «Geruïneerd door het faillissement van iemand anders»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Is het waar dat sinds de invoering van het civielrechtelijk bestuursverbod op 1 juli 2016 nog geen enkel bestuursverbod onherroepelijk is opgelegd? In hoeveel gevallen is tot nog toe op vordering van een curator dan wel op verzoek van het Openbaar Ministerie door een rechtbank een bestuursverbod opgelegd? Indien er bestuursverboden zijn opgelegd, waarom zijn deze dan nog niet onherroepelijk geworden dan wel waarom zijn deze nog niet gepubliceerd op de site van het Handelsregister?

Antwoord 2

Er zijn op dit moment nog geen onherroepelijke civielrechtelijke bestuursverboden opgelegd of geregistreerd. De vraag over het aantal opgelegde strafrechtelijke bestuursverboden en het aantal civiele zaken in het kader van bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures heb ik recent beantwoord op Kamervragen van het lid Kuiken (PvdA) inzake het opleggen van bestuursverboden. Ik verwijs u kortheidshalve naar die beantwoording.2

Vraag 3

Worden er in de praktijk problemen of obstakels ervaren – door curatoren, door het Openbaar Ministerie, door rechtbanken, dan wel door andere partijen of instanties – bij het vorderen en/of opleggen van civielrechtelijke bestuursverboden ex artikel 106a Faillissementswet? Waar bestaan die problemen en/of obstakels uit? Bent u voornemens of is er een wettelijke verplichting om de Wet civielrechtelijk bestuursverbod te evalueren en (indien dit zo is) wanneer gaat dit plaatsvinden? Ziet u aanleiding om tussentijds de Kamer te informeren over de voortgang en uitwerking van deze wet?

Antwoord 3

Omdat de Wet civielrechtelijk bestuursverbod op 1 juli 2016 in werking is getreden en het enige tijd zal duren voordat ingestelde vorderingen leiden tot onherroepelijke vonnissen, is de verwachting dat naar verloop van tijd civielrechtelijke bestuursverboden effectief kunnen worden toegepast.

Door mijn voorganger is aan uw Kamer toegezegd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 97) om de Wet civielrechtelijk bestuursverbod vijf jaar na inwerkingtreding (2021) te evalueren. In die evaluatie zal het verschil en de verhouding tussen het strafrechtelijk bestuursverbod en het civielrechtelijk bestuursverbod worden bezien. Ook zullen eventuele knelpunten in deze evaluatie aan bod komen. Rekening houdend met een zekere aanloopperiode voordat de wet in de praktijk effectief kan worden toegepast, zie ik thans geen aanleiding om te besluiten tot een tussentijdse evaluatie.

Vraag 4

Kunt u op hoofdlijnen schetsen hoe de samenwerking loopt tussen bij faillissementsfraude betrokken partijen (curator, rechter-commissaris, politie, FIOD, Openbaar Ministerie en andere relevante partijen)? Is er sprake van periodiek (casus-)overleg tussen deze partijen, ook bij faillissementen met een schade beneden de 100.000 euro? Is het voor curatoren makkelijk om signalen van misdaad en/of fraude af te geven? Is er sprake van voldoende juridische basis voor informatiedeling, hoe ziet die basis er uit?

Antwoord 4

Alle meldingen en aangiftes van mogelijke faillissementsfraude komen in beginsel direct of indirect binnen bij het centraal meldpunt faillissementsfraude (CMF) dat ondergebracht is bij de FIOD. Curatoren kunnen hun signaal melden via een digitaal meldformulier. De signalen worden bij het CMF geregistreerd en uitgezet bij de FIOD of bij de politie. In beide gevallen wordt in samenspraak met het OM bekeken of het wenselijk is om meer informatie te vergaren alvorens over te gaan tot een beslissing over strafrechtelijke opsporing en vervolging. Voor die informatie wordt contact met de curator opgenomen. Er is geen landelijk periodiek casusoverleg. Er bestaat in diverse regio’s een spreekuur faillissementsfraude. In de beantwoording van eerdere Kamervragen over faillissementsfraude heb ik uw Kamer geïnformeerd over deze spreekuren.3

Indien een curator in een afzonderlijk lopende strafzaak informatie wenst van het Openbaar Ministerie, kan de curator bij de zaakofficier een zogenoemd Wjsg-verzoek indienen. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de daarbij behorende Aanwijzing Wjsg4 geven aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken. De curator is een apart genoemde, potentieel belanghebbende partij om aan te verstrekken, doch alleen in de specifiek benoemde gevallen. Uit de Aanwijzing Wjsg volgt dat die strafvorderlijke gegevens aan de curator kunnen worden verstrekt die nodig zijn voor «een correcte afwikkeling van een faillissement in geval van faillissementsfraude».

Vraag 5

Deelt u de mening dat er in Nederland sprake is van een relatief beperkte groep criminelen die stelselmatig betrokken is bij het plegen van faillissementsfraude? Kunt u een inschatting maken van de omvang van deze groep mensen of criminele organisaties? Deelt u de mening dat een veel meer preventieve, (rechts)persoonsgerichte aanpak effectiever zal zijn dan de huidige aanpak die vooral reactief van karakter is? Is er in Nederland een instantie die actief informatie verzamelt van en rond faillissementsfraudeurs en deze informatie benut om proactief faillissementsfraude tegen te gaan? Bent u bereid te onderzoeken of een (rechts)persoonsgerichte aanpak zinnig kan zijn?

Antwoord 5

Het is mij niet bekend hoeveel personen of leden van criminele organisaties op dit moment veroordeeld zijn voor stelselmatige faillissementsfraude of financieel-economische fraudedelicten. Beroepsfraudeurs maken zich vaak schuldig aan verschillende vormen van fraude. Zij zoeken actief naar nieuwe mogelijkheden. Dit vraagt om een verbinding tussen het strafrecht en andere vormen van handhaving, toezicht en nalevingsbevordering.

Ik onderschrijf het belang van een dadergerichte aanpak van fraudeurs en facilitators en de rol die burgers en bedrijven daar zelf bij spelen. Er bestaan diverse mogelijkheden. Ik licht deze aanpak hieronder nader toe.

Vanwege de wens om faillissementsfraudeurs in preventieve zin beter aan te kunnen pakken, heeft de wetgever besloten tot invoering van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod. Met een door de rechter opgelegd bestuursverbod is te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten. Een verbod is ook te vorderen tegen indirecte of feitelijke bestuurders en katvangers. Mijn verwachting is dat deze wet op termijn zal bijdragen aan de gerichte aanpak van faillissementsfraudeurs.

In Nederland zijn meerdere overheidsinstanties belast met toezicht en proactieve bestrijding van faillissementsfraude, zoals de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst en Justis. Zo valt de aanpak van veelplegers en hun netwerken onder het subjectgerichte toezicht van de Belastingdienst en zal de Kamer van Koophandel inschrijvingen als bestuurder in het Handelsregister weigeren als gevolg van een opgelegd bestuursverbod. Het toezicht op grond van de Wet controle op rechtspersonen wordt uitgevoerd door Justis. Dit doorlopend toezicht betreft rechtspersonen en daaraan gelieerde personen. Aan de hand van risicomeldingen van Justis kunnen toezichthouders of opsporingsinstanties nader onderzoek instellen of Justis vragen om een specifieke risicoanalyse. Het opleggen van gepaste, preventieve maatregelen is vervolgens aan de bevoegde toezichthouders en opsporingsinstanties.

Het beleid is er ook op gericht om samen met burgers en het bedrijfsleven fraude aan de voorkant, preventief, te bestrijden. Met behulp van private partijen, waaronder banken, notarissen en (forensisch) accountants een barrièremodel en een lijst met indicatoren opgesteld die kunnen duiden op de voorbereiding van faillissementsfraude. Deze informatie is via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid raadpleegbaar.5 Dit is erop gericht om het een fraudeur zo moeilijk mogelijk te maken, het fraudebewustzijn van burgers en bedrijfsleven te versterken en schade en slachtofferschap te voorkomen.

Tot slot merk ik op dat ik in overleg blijf met de betrokken partijen, zoals het Openbaar Ministerie, Justis, de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel, en zal bezien hoe de toegelichte (rechts)persoonsgerichte aanpak inclusief de werking van het bestuursverbod in de praktijk zijn beslag krijgt.


X Noot
1

Opgelicht?! (AVROTROS), uitzending d.d. dinsdag 23 januari 2018

X Noot
2

Handelingen II 2017–2018, nr. 1117.

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2266.

X Noot
4

Aanwijzing Wjsg, 2013A014 onderdeel III, onder 3, sub c, ad V

X Noot
5

https://www.barrieremodellen.nl

Naar boven