Vragen van het lid Futselaar (SP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat de vergoeding aan gehandicapte studenten fors verschilt per gemeente (ingezonden 9 februari 2018).

Antwoord van Staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 26 februari 2018).

Vooraf: Omdat het Kamervragen betreft die betrekking hebben op het wettelijk instrument «individuele studietoeslag» zoals opgenomen in artikel 36b van de Participatiewet, is de beantwoording overgedragen aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vraag 1

Kent u het bericht «Vergoeding aan gehandicapte student verschilt fors per gemeente».1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2 en 3

Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is dat twee gehandicapte studenten in dezelfde klas uiteenlopende bedragen ontvangen, omdat ze in verschillende gemeenten wonen? Kunt u dit toelichten?

Wat vindt u van het minimumbedrag van 282 euro per maand dat CNV Jongeren en de LSVb aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vragen?2

Antwoord 2 en 3

De individuele studietoeslag in de Participatiewet heeft als doel studenten en scholieren met een arbeidsbeperking een steuntje in de rug te geven. De gemeenteraden zijn gehouden in een gemeentelijke verordening nadere invulling aan de individuele studietoeslag te geven, waaronder de hoogte van de studietoeslag. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op de lokale omstandigheden en in te passen in het eigen re-integratie en armoedebeleid. Deze decentralisatie brengt – als gevolg van het lokale democratisch proces – met zich mee dat er verschillen kunnen zijn in de ondersteuning die een student uiteindelijk van een gemeente krijgt. Het centraal voorschrijven van de hoogte van de individuele studietoeslag past hier niet bij.

Vraag 4 en 5

Bent u het met CNV Jongeren en de LSVb eens dat de aanvraagprocedures te ingewikkeld zijn en de mogelijkheid om een studietoeslag aan te vragen te onbekend is? Kunt u dit toelichten?

Wat gaat u doen om de studietoelage die studenten en scholieren met een arbeidsbeperking ontvangen beter onder de aandacht van deze studenten en scholieren te brengen?

Antwoord 4 en 5

Het besluit op een aanvraag individuele studietoeslag vergt een beoordeling aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden van het geval. Het is uitdrukkelijk de bevoegd- en verantwoordelijkheid van gemeenten om op lokaal niveau een invulling te geven aan de hierbij te volgen procedure.

Bij de behandeling van de begroting van 2018 van het Ministerie van SZW is de motie van de leden Raemakers en Peters (Kamerstuk 34 778 XV nr. 58) aangenomen. Deze motie roept de regering op om gemeenten te ondersteunen bij het vergroten van de bekendheid van de regeling van de individuele studietoeslag en om vóór 1 september 2018 de besteding van de vrijgemaakte budgetten te evalueren en daarbij ook de verschillen in gebruik door de diverse gemeenten mee te nemen.

De mogelijkheden voor het beter onder de aandacht brengen van de individuele studietoeslag onder scholieren en studenten met een arbeidsbeperking, wordt meegenomen bij de invulling van de genoemde motie.

Vraag 6

Hoe verhoudt deze ongelijkheid tussen gemeenten zich tot het VN-verdrag voor de rechten van personen met een beperking?

Antwoord 6

In de Participatiewet is gemeenten bewust veel beleidsvrijheid gegeven bij het voeren van beleid ter zake van de ondersteuning mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bij het vinden van werk. Gemeenten kunnen op die manier maatwerk leveren. Inherent aan de keuze voor decentrale uitvoering is dat een regeling, zoals de individuele studietoeslag, in de ene gemeente anders kan zijn ingevuld dan die in een andere gemeente.

Het VN-Gehandicaptenverdrag verplicht overheden om via passende maatregelen te bevorderen dat arbeidsbeperkten «op gelijke voet met anderen» kunnen deelnemen aan de maatschappij, dus ook aan werk en studie. Het doel van de Participatiewet is om mensen die nu (nog) moeilijk aan het werk komen meer kansen op regulier werk te bieden en daarbij zo nodig ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld aan studenten met een arbeidsbeperking via een regeling als de individuele studietoeslag. Dit sluit dus aan bij het doel en de verplichtingen van het VN-Gehandicaptenverdrag. Het enkele feit dat de ene gemeente zijn taak op een andere wijze invult dan een andere is in dit kader niet in strijd met het VN-Gehandicaptenverdrag.

Naar boven