Antwoord 1
Ik vermoed dat het gaat om het rapport Vervolgstap MIRT-onderzoek Utrecht–Amersfoort–Harderwijk
van 8 augustus 2017. Royal HaskoningDHV heeft dit rapport opgesteld in opdracht van
de provincies Gelderland en Utrecht. Ik heb kennis kunnen nemen van het rapport. Het
rapport is (nog) niet openbaar. De provincies Utrecht en Gelderland zullen gezamenlijk
over het rapport communiceren. Ik zal aan hen melden dat uw Kamer op dat moment graag
kennisneemt van het rapport.
Vraag 3 en 4
Hoe waardeert u de conclusie dat een tussenstop van intercity’s tussen Utrecht–Zwolle
in Harderwijk niet haalbaar is, mede gelet op de wens om forenzen uit de auto in de
trein te krijgen?
Hoe waardeert u de alternatieve mogelijkheden die Royal Haskoning aandraagt?
Antwoord 5
Het maken van de dienstregeling is de verantwoordelijkheid van NS. NS moet zich daarbij
houden aan de voorschriften die in de vervoerconcessie staan. De concessie bepaalt
onder meer hoe vaak een station per uur minimaal bediend moet worden, maar niet met
welk type trein dit moet gebeuren. Het is dus aan NS om op grond van de vervoervraag
te bepalen op welke stations Intercity’s stoppen.
Bij de afweging om op een station wel of niet met Intercity’s te stoppen moet NS verschillende
belangen tegen elkaar afwegen. Een extra Intercity-stop maakt het openbaar vervoer
aantrekkelijker voor de reizigers die van die stop gebruik willen maken. Maar een
extra stop maakt het openbaar vervoer juist minder aantrekkelijk voor doorgaande reizigers.
Die doen dan langer over hun reis, terwijl bekend is dat reissnelheid juist een belangrijke
factor is bij de keuze voor een vervoermodaliteit.
Het toevoegen van een Intercity-stop kan een groter netwerk van verbindingen raken.
Verslechtering van aansluitingen leidt tot langere reistijden. Daarom neemt NS ook
in beschouwing wat het effect is voor het totale OV-netwerk (zoals aansluitingen op
bus, tram, metro en de opgave om de reistijden tussen de Randstad en de landsdelen
te verbeteren). Daarnaast kijkt NS naar het verwachte groeipotentieel, de beschikbare
capaciteit, de inpasbaarheid in de dienstregeling en het effect op de exploitatiekosten.
NS heeft mij gelet op deze overwegingen laten weten geen plannen te hebben om station
Harderwijk met Intercity’s te gaan bedienen. Ik wil hieraan toevoegen dat er in het
verleden meermaals is gekeken naar de mogelijkheden om Intercity’s te laten stoppen
in Harderwijk. De conclusie was tot nu toe steeds dat de nadelen voor de dienstregeling
(en dus voor de reizigers) groter waren dan de voordelen, of dat er (te) grote infrastructurele
maatregelen nodig waren.2
Niet alleen in Harderwijk, maar ook in plaatsen als Hoogeveen, Bilthoven en Zoetermeer
is wel eens de wens geuit van een Intercity-stop. Daar gelden dezelfde afwegingen
en dilemma’s. Meer Intercity-stops maken het Intercity-product minder snel.
De vervoerconcessie schrijft voor dat NS over de dienstregeling moet overleggen met
regionale overheden. Deze kunnen zelf voorstellen uitwerken die ze met NS willen bespreken.
Soms is er sprake van verschillende wensen van partijen uit de regio. Sommige partijen
zien bijvoorbeeld meer Sprinters als beste optie voor betere bereikbaarheid, andere
pleiten voor meer Intercity-stops. Het is aan NS om voorstellen en opties met betrokkenen
af te wegen binnen de mogelijkheden die de infrastructuur biedt. Dat doet NS in de
reguliere overleggen over de dienstregeling.
Sommige voorstellen voor een aanpassing van de bediening van stations vergen aanpassing
of uitbreiding van de infrastructuur. Dan komt ook ProRail als infrastructuurbeheerder
in beeld. En er ontstaat een financieringsvraagstuk dat door het Rijk en/of de betrokken
decentrale overheden moet worden opgelost. Partijen kunnen dit meenemen in hun gezamenlijke
regionale uitwerking van het Toekomstbeeld OV.