Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017909

Vragen van de leden Van Nispen (SP), Swinkels (D66), Van Tongeren (GroenLinks) en Segers (ChristenUnie) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de financiering van de rechtspraak (ingezonden 20 juni 2016).

Antwoord van Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 27 september 2016).

Vraag 1

Wat is uw reactie op het artikel over de financiering van de rechtspraak in rechtsstatelijk kader? Kunt u daarbij gemotiveerd aangeven waar u zich in herkent en waarin niet?1

Vraag 2

In hoeverre wordt op dit moment de rechterlijke en institutionele onafhankelijkheid gewaarborgd bij de totstandkoming van de begroting van de rechtspraak?

Vraag 3

Welke betekenis geeft u aan de doelmatigheidsfactor bij het vaststellen van het budget van de rechtspraak? In hoeverre spelen deze overwegingen van doelmatigheid slechts een marginale rol bij het bepalen van de hoogte van de begroting voor het primaire proces?

Vraag 4

Op welke manier voorziet het huidige financieringssysteem in een adequaat budget voor vernieuwing? Wat is uw reactie op de suggestie om standaard een bedrag beschikbaar te stellen voor elk nieuw project of programma? Kunt u uw antwoord toelichten?

Vraag 5

Wat zijn de redenen dat extra middelen in verband met extra werklast naar aanleiding van nieuwe wetvoorstellen pas bij de eerstvolgende vaststelling van de tarieven een rol kunnen spelen?

Vraag 6

Wat is uw reactie op de suggestie om de financiering van een hogere of lagere werklast als gevolg van nieuwe wetgeving te verbeteren door bij het aannemen van de wet door de regering en het parlement de financiering van de rechtspraak op dit punt expliciet te regelen?

Vraag 7

Wat zijn de redenen dat u zich vanaf 2010 niet houdt aan uw eigen instroomprognoses? In hoeverre spelen hierbij overwegingen van doelmatigheid en dus de (beperkte) beschikbare middelen bij uw ministerie een rol?

Vraag 8

Deelt u de mening dat het in strijd is met de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) indien doelmatigheidsoverwegingen een meer dan marginale rol spelen bij de vaststelling van het budget van de rechtspraak? Zo nee, waarom niet?

Vraag 9

Op welke manier gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling van het Europees netwerk van de Raden van de rechtspraak die is opgenomen in zijn verklaring van Warschau van 3 juni 2016, namelijk dat het budget van de rechtspraak gebaseerd moet zijn op objectieve en transparante criteria?2

Vraag 10

Welke mogelijkheden ziet u om de begroting van de rechtspraak los te trekken van de begroting van uw ministerie of het in ieder geval zo te regelen dat problemen op uw begroting geen invloed hebben op het budget van de rechtspraak?

Nader antwoord

De schriftelijke vragen van de leden Van Nispen (SP), Swinkels (D66), Van Tongeren (GroenLinks) en Segers (ChristenUnie) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de financiering van de rechtspraak, vraagnummer 2016Z12431, zijn beantwoord middels brief «Positionering en financiering rechtspraak» (Kamerstuk 29 279, nr. 352).


X Noot
1

«Financiering van de Rechtspraak in rechtsstatelijk kader: generieke kortingen op het rechtspreken zijn in strijd met de wet», K. Sterk en F. van Dijk, http://njb.nl/blog/financiering-van-de-rechtspraak-in.19968.lynkx

X Noot
2

ENCJ, The Warsaw declaration on the Future of Justice in Europe of 3rd June 2016, onder punt 3. Zie www.encj.eu.