Vragen van de leden De Graaf en De Roon (beiden PVV) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken over het artikel «Qatar financiert omstreden Deense moskee via Den Haag» (ingezonden 25 november 2016).

Antwoord van Minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (ontvangen 19 december 2016).

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Qatar financiert omstreden Deense moskee via Den Haag»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Vindt u het wenselijk dat ambassades in Nederland gebruikt worden om islamitische infrastructuur in binnen- en buitenland te financieren? Zo ja, waarom?

Antwoord 2

In beginsel zijn religieuze instellingen vrij om financiering vanuit binnen- of buitenland aan te trekken. Op het moment dat het niet transparant is op welke wijze financiering verkregen wordt ontstaat er een risico op buitenlandse beïnvloeding die bijdraagt aan anti-integratief, antidemocratisch of onverdraagzaam gedrag. Deze vormen van financiering beschouwt het kabinet als onwenselijk. Het kabinet stelt daarom nadere regels op over de transparantie van financieringsstromen. U bent hierover op 4 december jongstleden schriftelijk geïnformeerd.

Vraag 3, 4

Bent u bekend met andere gevallen waarin ambassades gebruikt worden om geld door te sluizen naar islamitische infrastructuur of -organisaties in Nederland of het buitenland en bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Zo neen, waarom niet?

Bent u bereid de ambassadeur van Qatar de deur te wijzen vanwege deze praktijken, indien het in de publicatie van NRC gestelde juist blijkt te zijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 3, 4

De ambassade van Qatar in Nederland is tevens geaccrediteerd voor Denemarken. De kwestie die speelt rondom de financiering van de moskee in Kopenhagen, is daarmee primair een bilaterale aangelegenheid tussen Denemarken en Qatar. De keuze om maatregelen hierover te nemen ligt bij Denemarken. Voor de kabinetsreactie op deze zaak verwijs ik u door naar de Kamerbrief over dit onderwerp van 5 december jongstleden.2

Naar boven