Vragen van het lid Voortman (GroenLinks) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over het bericht «Soa-sjoemelaars liegen voor gratis test» (ingezonden
23 november 2016).
Antwoord van Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
7 december 2016)
Vraag 1 en 2
Kent u het bericht «Soa-sjoemelaars liegen voor gratis test»?1, en «Aantal mensen met soa's toegenomen in 2016»?2 3
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als jonge mensen moeten liegen over hun klachten
om een soa-test te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1 en 2
Ja, het bericht is mij bekend. Jongeren tot 25 jaar vallen onder de risicogroepen
die staan gedefinieerd in de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheid (ASG). Zij kunnen
zich melden bij de centra seksuele gezondheid (CSG) en in aanmerking komen voor een
gratis soa-test. De professionals maken een afweging op zowel risicogroep als risicogedrag
of een soa- test of breder seksueel gezondheidsconsult opportuun is. De regeling is
bedoeld als vangnet voor degene die niet makkelijk bij de huisarts terecht kunnen
of op basis van epidemiologische gegevens een verhoogd risico lopen.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het signaal dat twaalf van de achttien GGD’s in het nieuwsbericht
vermoeden dat mensen liegen om een gratis soa-test te krijgen?
Antwoord 3
Ik neem dat signaal serieus. Het is een verschijnsel van alle tijden dat personen
onterecht gebruik proberen te maken van gratis voorzieningen. Het is aan de professionals
om zo goed mogelijk triage uit te voeren om zoveel mogelijk misbruik te voorkomen.
Soms komt daar toch een individu doorheen, door bijvoorbeeld een situatie anders te
schetsen dan in werkelijkheid is. Natuurlijk is dat niet de bedoeling. Uit cijfers
van het RIVM blijkt wel dat de mensen die uiteindelijk na de triage bij de CSG’s worden
getest daar wel een goede reden voor hebben gezien de stijgende vindpercentages. Sinds
het financiële plafond op de regeling is het vindpercentage van soa’s onder de mensen
die zich laten testen bij de CSG’s toegenomen (zie thermometer seksuele gezondheid
2016 RIVM).
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat preventie van soa’s op de korte en lange termijn wenselijk
is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Ja, die mening deel ik en samen met veldpartijen doe ik ook van alles aan de preventie
van soa’s. Zoals gezegd is de ASG-regeling aanvullend aan de reguliere zorg en één
van de pijlers binnen de soa-preventie. Naast de ASG-regeling voor GGD’en subsidieer
ik landelijke instituten zoals SOA Aids Nederland, Rutgers en FIOM voor voorlichting
en om bewustzijn over seksuele gezondheid te vergroten. Daarnaast zijn er allerlei
preventieve activiteiten op het gebied van soa’s en seksuele gezondheid zoals bijvoorbeeld
aandacht op lagere en middelbare scholen, www.sense.info, gerichte activiteiten voor hoogrisicogroepen, zoals hepatitis B vaccinatie voor
mannen die seks hebben met mannen en sekswerkers.
Vraag 5
Deelt u voorts de mening dat een eigen bijdrage van 150 euro voor jongeren met geen
of weinig inkomen te hoog is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Zoals ik heb aangegeven maakt de ASG-regeling het mogelijk voor jongeren tot 25 jaar
om gratis seksuele gezondheidszorg bij CSG te ontvangen. Hieronder valt als het nodig
is een soa-test.
Daarnaast vergoedt een aantal zorgverzekeraars soa-zorg in hun aanvullende verzekering.
Ondanks de mogelijke eigen bijdrage is het nog steeds zo dat tweederde van de personen
zich op een soa laten testen via de huisarts (zie RIVM jaarrapport).
Vraag 6
Kunt u toelichten of de stijging van het aantal soa’s in 2016 vooral bij jongeren
(onder 25 jaar) het geval is? Ziet u een verband met het afschaffen van de openeinde
financiering van de regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg? Deelt u de mening
dat er door dit financiering plafond onwenselijke belemmeringen voor het af laten
nemen van soa-testen zijn?
Antwoord 6
De stijging van het aantal soa’s onder personen die zich bij CSG’s laten testen is
in alle leeftijdsgroepen te zien. In de eerste helft van 2016 was het soa-vindpercentage
bij jongeren (onder 25 jaar) 19,4% en bij niet-jongeren (25 jaar of ouder) 17,1%.
In de eerste helft van 2015 was het soa-vindpercentage bij jongeren 17,2% en bij niet-jongeren
16,2%.
Bij het laten vervallen van de openeinde financiering heeft geen bezuiniging plaatsgevonden.
Door invoering van het plafond zijn de GGD’en gedwongen de seksuele gezondheidszorg
efficiënter en effectiever uit te voeren, bijvoorbeeld door scherpere triage en scherpere
afspraken met laboratoria over de prijs van de testen. Daarmee kunnen meer consulten
worden uitgevoerd binnen hetzelfde budget. De hogere vindpercentages kunnen ook toe
te schrijven zijn aan de scherpere triage, waardoor juist de hoogrisicogroepen bereikt
worden. Het RIVM monitort de ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast gaf ik in antwoord
op vraag 5 al aan dat zowel voor als na het plafond nog steeds de meeste testen uitgevoerd
worden in de reguliere zorg bij de huisarts.
Vraag 7
Hoe gaat u ervoor zorgen dat belemmeringen voor kwetsbare jongeren met geen of weinig
inkomen om een soa-test te nemen worden weggenomen, zodat het aantal soa’s daalt in
plaats van stijgt? Gaat u naar aanleiding van de stijging nog andere maatregelen nemen?
Antwoord 7
Zie antwoord 5 en 6.
X Noot
3soa: seksueel overdraagbare aandoening