Vragen van het lid Albert deVries (PvdA) aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst
over de verhuur van woonruimte aan studenten door «The Student Hotel» (ingezonden
16 september 2016).
Antwoord van Minister Blok (Wonen en Rijksdienst) (ontvangen 15 november 2016) Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 146
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Student Hotels schenden huurrecht studenten»
op de website van de LSVb?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat de Student Hotels, die in steeds meer studentensteden verrijzen,
aan studenten in feite gewoon woonruimte verhuren die in aard sterk lijkt op het aanbod
van studentenhuisvesters? Zo nee, waarin verschilt dit aanbod wezenlijk van elkaar?
Antwoord 2
In het geval van huur van woonruimte is in beginsel huurprijsbescherming en huurbescherming
van toepassing, behalve wanneer het gaat om huur «welke een gebruik van woonruimte
betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is» (artikel 7:232 lid 2 BW). In
dat geval geldt de huurprijsbescherming en huurbescherming van woonruimte niet, en
geldt slechts wat door partijen is overeengekomen.
Bij de beoordeling of van dit «gebruik naar zijn aard van korte duur» sprake is zijn
blijkens de jurisprudentie een aantal criteria van belang, waarvan de duur van de
huurovereenkomst er (slechts) een is. Er geldt daarbij dus geen harde grens van 6
maanden.
Het is aan de huurcommissie en uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of sprake
is van reguliere huur van woonruimte en of daarbij vervolgens de huurprijsregelgeving
wordt overschreden. Het is bij huurprijsgeschillen aan de betreffende huurders om
zich in voorkomende gevallen tot de huurcommissie en indien nodig de rechter te wenden.
Het rijk heeft op dit punt geen handhavende taak.
Bij geschillen over de huurbescherming bij huurbeëindiging zal het Student Hotel uitspraak
van de rechter moeten vragen (de huurbescherming bij huurbeëindiging houdt in dat
de huurovereenkomst niet eindigt door opzegging door de verhuurder als de huurder
niet schriftelijk instemt met de opzegging, en dat in dat geval alleen de rechter
de huurovereenkomst kan beëindigen; deze bescherming geldt niet voor huur van woonruimte
die een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is).
Met de introductie van de nieuwe vormen van tijdelijke huur van artikel 7:271 lid
1 tweede volzin BW is het mogelijk gemaakt om woonruimte (met huurprijsbescherming)
ook voor zeer korte periodes tijdelijk te verhuren. Naar verwachting zal daardoor
minder snel een beroep gedaan worden dan wel gehonoreerd worden op de uitzondering
van het «gebruik naar zijn aard van korte duur».
Vraag 3
Welke rechtsbescherming ten aanzien van de huurprijs en de contractzekerheid is er
voor mensen die woonruimte huren bij een Student Hotel ten opzichte van mensen die,
al dan niet tijdelijk, reguliere woonruimte huren?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Wie of wat bepaalt of woonruimte aangeboden mag worden als hotelkamer of als regulier
te huren woonruimte? Zijn daar rijksregels voor? Welke rol heeft de gemeentelijke
regelgeving hierin?
Antwoord 4
Het is aan de gemeente zelf om voor een gebouw een woonfunctie of een hotelvergunning
af te geven.
Vraag 5
Deelt u de analyse dat de interesse voor langdurig wonen in een Student Hotel sterk
bepaald wordt door de schaarste aan andere beschikbare woningen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
De sociale studentenhuisvesters, verenigd in Kences, hebben bij de ondertekening van
het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting toegezegd in de periode 2011–2016 16.000
extra studenteneenheden te realiseren. Zoals ik in mijn brief van 10 september 2015
(Kamerstukken II 2014./2015, 33 104, nr. 9) heb is dit streven behaald.
Vraag 6
Bent u van mening dat studentenhuisvesting, ook in een gespannen markt, gepaard moet
gaan met volwaardige huur- en huurprijsbescherming? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Wat gaat u doen om de opkomst van hotel-constructies voor studenten in overspannen
woningmarkten af te remmen? Welke rol spelen gemeenten en andere partners hierin?
Antwoord 7
Het is aan gemeenten om te bezien in hoeverre hotelconstructies een nuttige functie
kunnen vervullen in het tijdelijk huisvesten van bijv. studenten. Zoals ik reeds in
het antwoord op vraag 2 heb aangegeven is het aan de huurcommissie en uiteindelijk
aan de rechter om te bepalen of sprake is van reguliere huur van woonruimte en of
daarbij vervolgens de huurprijsregelgeving wordt overschreden. Het is bij huurprijsgeschillen
aan de betreffende huurders om zich in voorkomende gevallen tot de huurcommissie en
indien nodig de rechter te wenden. Het rijk heeft op dit punt geen handhavende taak.
En bij geschillen over huurbescherming bij huurbeëindiging is het aan de rechter om
te oordelen of sprake is van reguliere huur van woonruimte (met huurbescherming) of
van huur dat een gebruik betreft dat naar zijn aard van korte duur is (zonder huurbescherming).