Vragen van de leden Van Meenen (D66) en Jasper vanDijk (SP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat promotiestudenten volgens arbeidsrechtsadvocaten een arbeidscontract kunnen eisen (ingezonden 7 september 2016).

Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 25 oktober 2016).

Vraag 1

Bent u bekend met de artikelen: «Advocaten: Promotiestudent kan arbeidscontract eisen» en «Wat schieten de promovendi ermee op?»?1

Antwoord 1

Ja

Vraag 2

Wat is uw reactie op de stelling van de genoemde arbeidsrechtadvocaten dat promotiestudenten bij de rechter een arbeidscontract kunnen afdwingen?

Antwoord 2

De in het bericht genoemde arbeidsrechtadvocaten zeggen dat «blijkt de praktijk af te wijken van de formulering op papier, dan kan de rechter de promotiestudent in het gelijk stellen als hij een arbeidsovereenkomst eist.»

Dat de praktijkinvulling van de verhouding tussen universiteit en promotiestudent zodanig kan zijn dat er feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst blijkt ook uit de toelichting op het Besluit experiment promotieonderwijs, op grond waarvan Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en de Erasmus Universiteit toestemming hebben gekregen om te experimenteren met promotieonderwijs.2 Daarin staat dat «het ontbreken van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding uit de feitelijke invulling van de verhouding tussen universiteit en promotiestudent moeten blijken.» Als aantrekkelijke aspecten van een promotieonderwijstraject zijn genoemd een grotere vrijheid in de keuze van het promotieonderwerp en een grotere vrijheid in het promotietraject zelf. Uit het hiervoor genoemde citaat blijkt duidelijk dat alleen deze aspecten nog niet maken dat van een gezagsverhouding in arbeidsrechtelijke zin geen sprake is, maar dat ook andere aspecten in de feitelijke vormgeving van de relatie tussen instelling en student meewegen. De universiteiten zijn zelf verantwoordelijk voor deze vormgeving. De RUG heeft daarmee al ervaring opgedaan. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 april 2013 op basis van de vormgeving door de RUG van haar relatie met bursalen, geoordeeld dat deze bursalen géén werknemers waren.3

Vraag 3

Kunt u aangeven waarom er in de praktijk geen sprake zou zijn van een arbeidsrelatie?

Antwoord 3

De rechter beoordeelt aan de hand van drie criteria of er (feitelijk) sprake is van een arbeidsrechtelijke verhouding werkgever – werknemer. Er moet sprake zijn van het verrichten van arbeid gedurende een zekere tijd (werknemer), waarvoor de andere partij (werkgever) loon betaalt, terwijl er tussen werknemer en werkgever een gezagsverhouding bestaat. Indien bij een promotiestudent aan alle drie criteria wordt voldaan, dan hoort daarbij een arbeidscontract of – in geval van een openbare universiteit – een aanstelling naar ambtenarenrecht. Als uit zowel de schriftelijke vastlegging als uit de feitelijke invulling van de relatie tussen universiteit en promotiestudent blijkt dat er geen sprake is van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding, dan is aan een van de drie criteria niet voldaan. De promotiestudent is dan geen werknemer.

Vraag 4

Wat gebeurt er met de pilot indien een promotiestudent succesvol een arbeidscontract afdwingt via de rechter?

Antwoord 4

Als de rechter oordeelt dat geen sprake is van een promotiestudent, maar van een werknemer-promovendus, dan gelden de voor de werknemer-promovendus geldende regels. In de toelichting op het genoemde Besluit experiment promotieonderwijs is opgenomen dat de universiteit dan afdrachten sociale zekerheid, pensioen en zorgverzekering zal moeten doen. De werknemer-promovendus is loonbelastingplichtig en moet sociale premies en pensioenpremies afdragen.

Mocht deze situatie zich gaan voordoen dan zal dit aspect worden meegewogen in de evaluatie van het experiment.

Naar boven