Vragen van de leden Peters en Van Toorenburg (beiden CDA) aan de Minister van Veiligheid
en Justitie over jongeren die van de jeugdrechter verplicht therapie moeten volgen,
maar langdurig op een wachtlijst terecht komen (ingezonden 2 augustus 2017).
Antwoord van Staatssecretaris Dijkhoff (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 5 september
2017) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2537
Vraag 1
Heeft u kennis genomen van het bericht1 waarin aangetoond wordt dat jongeren van de jeugdrechter verplicht therapie moeten
volgen, maar daar veel te lang (soms wel een jaar) op moeten wachten?
Antwoord 1
Ja, het artikel uit de Volkskrant is mij bekend.
Vraag 2
Deelt u de conclusie dat een veroordeling door de jeugdrechter blijkbaar geen garantie
is voor een daadwerkelijke plaatsing in therapie?
Antwoord 2
Nee, die conclusie deel ik niet. Op grond van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk
voor de beschikbaarheid van jeugdhulp. Dat geldt ook voor de beschikbaarheid van jeugdhulp
die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. Jeugdhulp opgenomen in een vonnis
door een jeugdrechter heeft voor de jeugdige een niet vrijblijvend karakter. Wachttijden
dienen dan zo kort mogelijk te zijn. In de praktijk blijkt dat geen eenvoudige opgave.
Daarom is het van belang dat reeds in de adviesfase door de Raad voor de Kinderbescherming
(RvdK) maar ook nadat het vonnis is gewezen een goede afstemming plaatsvindt tussen
de betrokken partijen. Hier ga ik in de beantwoording van vraag 3 verder op in.
Vraag 3
Deelt u de conclusie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die in een
reactie aangeeft dat dit komt omdat jeugdrechters zeer specifieke trajecten opleggen
aan jeugddelinquenten en niet op de hoogte zijn van contracten die gemeenten hebben
en eventuele wachtlijsten bij instellingen?
Antwoord 3
De specificering van de bijzondere voorwaarden in een vonnis dient de rechtszekerheid
van de veroordeelde en draagt bij aan de effectiviteit van de jeugdreclassering die
toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Als door de jeugdrechter
jeugdhulp wordt opgelegd buiten het aanbod van de gemeente, is een specifieke omschrijving
voorts van belang zodat de betrokken gemeente precies weet welke jeugdhulp zij alsnog
moet inkopen.
Door een goede samenwerking en afstemming tussen gemeenten en de instanties in de
justitie-keten kan worden voorkomen dat jeugdhulp wordt opgelegd die niet tijdig beschikbaar
is, of die niet is ingekocht terwijl binnen het bestaande aanbod van de gemeente vergelijkbare
jeugdhulp, of jeugdhulp waarmee hetzelfde resultaat bereikt kan worden, beschikbaar
is. Om zorg te kunnen dragen voor een kwantitatief en kwalitatief toereikend aanbod
aan jeugdhulp is het van belang dat gemeenten met de RvdK, de Gecertificeerde Instelling
(GI) die de jeugdreclassering uitvoert en de volwassenreclassering in het kader van
adolescentenstrafrecht, overleg voeren over het inkoopbeleid voor de forensische jeugdhulp.
Daar dient de kennis en ervaring te worden gedeeld over het jeugdhulp-aanbod dat voor
de forensische doelgroep nodig is.
Andersom is het belangrijk dat de RvdK, de GI en de volwassenreclassering (laatstgenoemde
in het kader van het adolescentenstrafrecht) in hun advies aan de rechtspraak en het
Openbaar Ministerie het lokale aanbod betrekken. Ook voor de tijdige inzet van de
noodzakelijke jeugdhulp zal in de adviesfase lokaal moeten worden afgestemd welke
jeugdhulp beschikbaar is en bij welke aanbieder zich wachtlijsten voordoen. Daaraan
kan behulpzaam zijn dat de Staatssecretaris van VWS met gemeenten en aanbieders in
gesprek is om op regionaal niveau de wachttijden voor jeugdhulp bespreekbaar en transparant
te maken.
Vraag 4 en 5
Verwacht u dat met het feit dat in de regio Midden-Nederland het Openbaar Ministerie,
Jeugdreclassering, Raad voor de Kinderbescherming en gemeenten na de zomer met elkaar
in overleg gaan, het probleem uit de wereld zal zijn? Zo ja, hoe gaat u dat monitoren
en hoe houdt u ons op de hoogte? Zo nee, wat gaat u doen om dit langer bestaande probleem
op te lossen?
Hoe gaat u er voor zorgen dat ook de andere regio’s de zelfde problemen worden opgelost?
Antwoord 4 en 5
Voor een tijdige en passende inzet van jeugdhulp in strafrechtelijk kader is een goede
samenwerking tussen gemeenten en de justitie-partners randvoorwaardelijk. Ik juich
het daarom toe dat dit gesprek in de regio Midden-Nederland daadwerkelijk gevoerd
wordt en reken erop dat dit tot een passend resultaat zal leiden. De Jeugdwet schrijft
ook voor dat gemeenten met de RvdK en de GI samenwerken en overleg voeren en dit in
een protocol vastleggen. De oplossing moet in de eerste plaats lokaal gevonden worden.
De RvdK heeft mij gemeld in de komende gesprekken met gemeenten waar dit een probleem
vormt, de beschikbaarheid van forensische jeugdhulp te bespreken en houdt mij daarvan
op de hoogte.
Tenslotte wijs ik erop dat ik, om de samenwerking tussen gemeenten en VenJ organisaties
te verbeteren, het programma «Samenwerken met de jeugdbeschermings- en jeugdstrafrechtketen»
bij de VNG subsidieer dat ondersteuning biedt voor alle jeugdzorgregio’s bij het maken
van samenwerkingsafspraken tussen gemeenten en justitiepartners. Ook zal ik het belang
van deze samenwerking en afstemming in het bestuurlijk overleg met de VNG onder de
aandacht brengen.
X Noot
1Volkskrant, «bevel rechter leidt niet tot snelle hulp jongere», 1 augustus 2017