Vragen van de leden Oosenbrug en Recourt (beiden PvdA) aan de Minister van Veiligheid
en Justitie over het bericht dat het openbaar ministerie toegang tot versleutelde
informatie wil (ingezonden 29 augustus 2016).
Antwoord van Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 24 oktober
2016). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 107.
Vraag 1
Kent u de berichten «OM: versleutelde diensten als WhatsApp steeds groter probleem»1 en «Wat wil het openbaar ministerie precies met versleuteling»?2 Kent u het twitterbericht van de officier van Justitie Egberts3 en herinnert u zich het kabinetstandpunt over versleuteling?4
Vraag 2, 3
Deelt u de mening dat «end-to-end versleuteling» van gegevens nodig is om burgers
en bedrijven veilig te laten communiceren via internet, WhatsApp of andere vergelijkbare
diensten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het toevoegen van extra encryptiesleutels of juist het moeten
afstaan van encryptiesleutels ten einde berichten die met end-to-end encryptie zijn
versleuteld alsnog te kunnen lezen te grote risico's voor de veiligheid van het internet
met zich meebrengen en dus onwenselijk zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2, 3
De mening van het kabinet over versleuteling is weergegeven in het kabinetsstandpunt
van 4 januari 2016. Dit standpunt is sindsdien niet veranderd.
Vraag 4
Welke Europese landen, anders dan Frankrijk en Duitsland, zijn van mening dat er beperkende
maatregelen ten aanzien van de ontwikkeling, de beschikbaarheid en het gebruik van
encryptie moeten komen?
Antwoord 4
Tijdens de Informele JBZ raad van 7 en 8 juni is er tijdens de lunch gesproken over
encryptie, waarbij het Nederlandse standpunt is ingebracht. Over onze inbreng en die
van andere landen bent u in het verslag van de informele JBZ5 reeds geïnformeerd.
Vraag 5
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is om beperkende maatregelen te nemen of
af te spreken ten aanzien van de ontwikkeling, de beschikbaarheid en het gebruik van
encryptie binnen Nederland? Zo ja, waarom? En zo ja, wilt u dit standpunt in internationale
context bijvoorbeeld in het verband van de JBZ-raad uitdragen? Zo nee, waarom niet
en hoe verhoudt zich dat tot het genoemde kabinetsstandpunt?
Antwoord 5
Voor de mening van het kabinet over beperkende maatregelen binnen Nederland verwijs
ik u naar het antwoord op vragen 2 en 3 en het kabinetsstandpunt van 4 januari 2016.
In internationale contacten en fora worden dit standpunt en de afwegingen die daaraan
ten grondslag liggen actief uitgedragen. Hiertoe is onder meer het kabinetsstandpunt
van 4 januari 2016 vertaald naar het Engels om verdere verspreiding te faciliteren.
Vraag 6
Op welke manier wil het openbaar ministerie concreet invulling geven aan de wens dat
het «het liefste zou willen dat er een mogelijkheid is om een bedrijf te vragen die
[versleutelde] informatie beschikbaar te stellen»? Wat bedoelde de officier van justitie
concreet toen hij in het genoemde twitterbericht suggereerde dat hij wellicht een
niet eenvoudige oplossing had om zonder de versleuteling aan te tasten toch aan versleutelde
informatie te kunnen komen?
Antwoord 6
In het interview met de NOS heeft het openbaar ministerie gezegd dat het voor het
oplossen van ernstige misdrijven belangrijk kan zijn dat politie en justitie toegang
krijgen tot gegevens in niet versleutelde vorm. Het OM is hierbij deels afhankelijk
van de samenwerking met aanbieders van ICT-producten en -diensten. Desgevraagd heeft
de geïnterviewde officier van justitie aangegeven dat het openbaar ministerie het
liefst ziet dat de voor de opsporing en vervolging noodzakelijke informatie wordt
verkregen via het bedrijf dat het communicatiemiddel aanbiedt, uiteraard met inachtneming
van ieders rol en verantwoordelijkheden, met inachtneming van de wettelijke kaders
en zonder encryptie in zijn algemeenheid te verzwakken.
Vraag 7
Wat is uw mening over de concrete wensen van het openbaar ministerie? Bent u voornemens
daar aan tegemoet te komen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Ik onderschrijf het belang van rechtmatige toegang tot niet-versleutelde informatie
ten behoeve van de opsporing. Ik wijs in dit verband ook op de indiening van het wetsvoorstel
Computercriminaliteit III bij uw Kamer. Ook wijs ik op de instemming van de JBZ-Raad
tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de EU met een tweetal Raadsconclusies
ter verbetering van de bestrijding van criminele activiteiten in cyberspace en de
oprichting van het Europees Justitieel Cybercrime Netwerk (brief van 27 juni 2016,
TK, vergaderjaar 2015–2016, Kamerstuk 32 317, nr. GP). Daarnaast kan overleg met private partijen in bepaalde gevallen behulpzaam zijn.
X Noot
4Kamerstuk 26 643, nr. 383, brief van de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken, 4 januari
2016.