Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-20172094

Vragen van het lid Helder (PVV) aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over het bericht «Voortvluchtige criminelen ontlopen gevangenisstraf» (ingezonden 21 april 2017).

Antwoord van Staatssecretaris Dijkhoff (Veiligheid en Justitie) mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie (ontvangen 14 juni 2017) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1910

Vraag 1

Kent u het bericht «Voortvluchtige criminelen ontlopen gevangenisstraf»?1

Antwoord 1

Ja, ik ken het bericht evenals het rapport «Onvindbaren» van Politie en Wetenschap, dat de aanleiding vormde voor dit krantenbericht.

Vraag 2

Klopt het bericht en zo ja, deelt u de mening dat geen enkele veroordeelde crimineel zijn straf dient te ontlopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze criminelen zo snel mogelijk op te sporen zodat ze alsnog de opgelegde straf zullen uitzitten?

Antwoord 2

Ja, ik deel het standpunt dat geen enkele veroordeelde crimineel zijn straf dient te ontlopen. Wie veroordeeld wordt, moet de straf ook ondergaan. Dat is belangrijk voor het slachtoffer, de samenleving en ook voor een geloofwaardig strafrechtsysteem. Zoals bekend informeer ik u jaarlijks over de stand van zaken van de aanpak en ook de omvang van de openstaande vrijheidsstraffen.

Op dit moment wordt 90% van de opgelegde vrijheidsstraffen uitgevoerd binnen 24 maanden en wordt ongeveer 1% in het derde jaar na de onherroepelijke veroordeling ten uitvoer gelegd. Er resteert een groep, die niet via het reguliere opsporingsproces wordt aangehouden. Dit zijn voor een groot deel veroordeelden zonder verblijfsindicaties of met indicaties voor verblijf in het buitenland. In geval de resterende duur van de openstaande vrijheidsstraf minder dan 120 dagen betreft, staan deze personen ter signalering aangemerkt. Dat wil zeggen dat ze worden ingesloten, zodra ze in aanraking komen met de justitiële autoriteiten. De overige zaken komen in aanmerking voor actieve opsporing. Dat zijn de zwaardere zaken van 120 dagen of meer en de zaken met indicaties voor verblijf in Nederland. Politiecapaciteit kan zodoende gericht en ook efficiënt worden ingezet. Bij de zaken met een strafrestant van meer dan 120 dagen wordt FAST.NL ingeschakeld, een samenwerkingsverband tussen het Openbaar Ministerie en de politie, gespecialiseerd in het (internationaal) opsporen van veroordeelden met een buitenlands of onbekend adres.

Recent heeft u de kabinetsreactie op het rapport «Onvindbaren» van Politie en Wetenschap ontvangen, waarin wordt ingegaan op de aanbevelingen om de aanpak openstaande vrijheidsstraffen te versterken. Een uitgebreide stand van zaken ten aanzien van de aanpak en de verbetermaatregelen kunt u in mijn jaarlijkse voortgangsbrief «tenuitvoerlegging sancties» rond de zomer 2017 verwachten.

Vraag 3

Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat de opgelegde straf in ieder geval niet zal verjaren?

Antwoord 3

In de wet is gekozen voor een differentiatie van executieverjaringstermijnen, een systeem waar ik nog steeds achter sta. De executieverjaringstermijnen, die een derde langer zijn dan de vervolgingsverjaringstermijnen (art.76 Sr), zijn per 1 april 2013 verlengd naar ruim 26 jaar voor misdrijven waarop een gevangenisstraf is gesteld van acht jaar of meer. Voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat en ernstige zedenmisdrijven tegen minderjarigen zijn de executieverjaringstermijnen opgeheven. De tenuitvoerlegging van veroordeelden van die misdrijven verjaart dus niet.

Daarnaast kan de verjaringstermijn worden gestuit (dat wil zeggen dat deze opnieuw aanvangt), geschorst (dat betekent dat de verjaringstermijn tijdelijk niet loopt) of verlengd. Zo vangt de verjaringstermijn onder andere opnieuw aan wanneer een veroordeelde, die zijn straf in een inrichting ondergaat, ongeoorloofd afwezig is. En wordt de verjaringstermijn met twee jaar verlengd wanneer een geldboete bij een overtreding is opgelegd en er uitstel van betaling is verleend of een betalingsregeling wordt getroffen. Eerder heb ik in mijn brief van 29 november 2016 een toelichting gegeven2 op de verlenging van de executieverjaringstermijnen.

Vraag 4 en 5

Deelt u de mening dat er een verschijningsplicht moet zijn voor verdachten, in die zin dat ze op de zitting, waar het vonnis wordt uitgesproken, aanwezig moeten zijn? Zo nee, waarom niet?

Deelt u de mening dat een verplichte aanwezigheid op de zitting er voor zorgt dat ze de straf niet kunnen ontlopen, omdat ze dan na de uitspraak meteen naar de gevangenis gebracht kunnen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4 en 5

De officier van justitie kan nu al de verschijning van een verdachte vorderen en de rechter kan deze gelasten. Als de rechter een bevel tot medebrenging geeft, is de verdachte verplicht aanwezig te zijn bij de zitting.

Recent is de mogelijkheid van een vordering tot bevel tot medebrenging van de verdachte nogmaals met het OM besproken. Hierin is stil gestaan bij de ervaringen van slachtoffers. Gebleken is dat slachtoffers eerder opzien tegen de verschijning van de verdachte dan dat een slachtoffer behoefte heeft aan een verplichte verschijning. Mocht een slachtoffer echter wensen dat de verdachte verschijnt, kan de officier dit bij de rechter vorderen. Het invoeren van een wettelijke verschijningsplicht is dus in het algemeen niet in het belang van slachtoffers.

Daarnaast kan een wettelijke aanwezigheidsplicht ertoe leiden dat strafprocessen enorme vertragingen oplopen. De afweging om bij een verdachte een bevel tot verschijning ter zitting op te leggen wil ik dan ook graag per individuele zaak bij de rechter laten.

De redenatie, dat een verplichte aanwezigheid op de zitting er voor zorgt dat de straf niet wordt ontlopen, ondersteun ik niet. Iemand die in eerste aanleg is veroordeeld heeft tot twee weken na de rechterlijke uitspraak de mogelijkheid om in beroep te gaan. Pas na onherroepelijkheid van het vonnis kan de veroordeelde worden gedetineerd. Daarbij is het van belang dat 50% tot de zitting in eerste aanleg en 80% tot de behandeling van het hoger beroep in voorlopige hechtenis vastzit, veelal vanwege verdenking van zwaardere strafbare feiten. Dat betekent dat een verdachte aansluitend aan de voorlopige hechtenis zijn of haar straf ondergaat en dus niet zijn straf kan ontlopen.

Vraag 6

Deelt u de mening dat het rapport «De onvindbaren» aantoont dat de zogenoemde zelfmeldplicht veel te vrijblijvend is en veroordeelden zo hun straf gemakkelijk kunnen ontlopen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

De zelfmeldprocedure is in mijn ogen een nuttige procedure, waarmee efficiënt omgegaan wordt met de beschikbare capaciteit in de executieketen.

Niet iedereen komt in aanmerking voor de zelfmeldprocedure. Ongeveer de helft van het totaal aantal opgelegde vrijheidsstraffen wordt ten uitvoer gelegd in aansluiting op de voorlopige hechtenis.

De zelfmeldprocedure is aan criteria verbonden. De zelfmeldprocedure is bedoeld voor veroordeelden tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die niet of relatief kort in voorlopige hechtenis hebben gezeten. Een veroordeelde komt niet in aanmerking als bijvoorbeeld de bijzondere aard en ernst van het strafbaar feit waarvoor aan de veroordeelde een straf is opgelegd daaraan in de weg staan (o.a. bij zware geweldsmisdrijven) of als hij zich na een eerdere zelfmeldprocedure niet heeft gemeld. Niet iedereen, die in aanmerking komt, meldt zich ook (43,5% in 2016). Diegenen, die zich niet melden, worden via een arrestatiebevel door de politie opgehaald.

Vraag 7

Deelt u de mening dat het zich niet zelfstandig melden bij de gevangenis om de straf te ondergaan, strafverhogend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan ondernemen om er voor te zorgen dat veroordeelden aan de zelfmeldplicht voldoen als u deze makkelijk te omzeilen plicht wenst te behouden?

Antwoord 7

Nee, ik deel die mening niet. Het is uitsluitend aan de rechter om de duur van de opgelegde vrijheidsstraf te bepalen. Daarvan kan en mag niet worden afgeweken in de executie. Om te stimuleren dat veroordeelden die onder de zelfmeldprocedure vallen, zich daadwerkelijk melden, wordt overigens in de wijze van tenuitvoerlegging wel onderscheid gemaakt. Een zelfmelder die zichzelf meldt komt in een plusregime terecht, terwijl een zelfmelder die zich niet meldt, wordt gearresteerd met de consequentie dat hij of zij de eerste acht weken in een sober regime wordt geplaatst.

Vraag 8

Indien er meer (opsporings)capaciteit nodig is bij de politie om de voortvluchtige criminelen op te sporen, bent u bereid om daar voor te zorgen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8

De opsporing van de zwaardere executiezaken is een speerpunt van de politie. Daarvoor zijn binnen de eenheden de basisteams en de Diensten Regionale Recherche aan zet en op landelijk niveau voor de zwaardere zaken het team FAST.NL. De politie heeft het afgelopen jaar gekeken waar verbetering mogelijk is. Opsporingscapaciteit is altijd schaars. Daarom bezie ik met alle ketenpartners welke investeringen kunnen worden gedaan om de kwaliteit van de tenuitvoerlegging te verbeteren, waardoor de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet. Zo hebben het OM, de politie en het AICE recent besloten om met elkaar een ketenregietafel in te richten. Deze tafel richt zich op het verbeteren van de kwaliteit van (verblijfs)gegevens, die door het OM en het CJIB aan de politie worden verstrekt, op basis waarvan de opsporing gericht door de politie kan plaatsvinden.


X Noot
1

Voortvluchtige criminelen ontlopen gevangenisstraf (NRC 19 april 2017)

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/04/19/voortvluchtige-criminelen-ontlopen-gevangenisstraf-8320953-a1555185

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 24 587, nr. 668 5