Vragen van het lid Gijs van Dijk (PvdA) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid over de inzet van Oost-Europese uitzendkrachten bij sociale werkplaatsen
(ingezonden 26 april 2017).
Antwoord van Staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen
13 juni 2017).
Vraag 1
Kent u het bericht «Oost-Europese uitzendkrachten ingezet bij sociale werkbedrijven»?1
Antwoord 1
Ja, ik heb kennis genomen van de uitzending van Nieuwsuur dd. 21 april jl.
Vraag 2
Wat is uw reactie op het bericht dat sociale werkplaatsen Oost-Europese uitzendkrachten
inzetten? Kunt u inzicht geven in de aard en omvang van de inzet van Oost-Europese
uitzendkrachten bij sociale werkplaatsen? Deelt u de mening dat sociale werkplaatsen
primair bedoeld zijn voor het bieden van werk aan mensen met een arbeidsbeperking
en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in plaats van aan Oost-Europese uitzendkrachten?
Antwoord 2
Ik deel de mening dat het werk dat primair bedoeld is voor mensen met een arbeidsbeperking
niet door (Oost-Europese) uitzendkrachten moet worden gedaan.
Ik heb bij de koepelorganisatie van de sociale werkvoorziening, Cedris, nagevraagd
of men inzicht heeft in de aard en omvang van de inzet van Oost-Europese uitzendkrachten
bij sociale werkplaatsen. Cedris geeft aan dat geen sprake is van een structurele
inzet, maar dat incidenteel gebruik wordt gemaakt van (Oost-Europese) uitzendkrachten
als niet tijdig aan de vraag van de opdrachtgever kan worden voldaan. Daarmee wordt
de opdrachtgever naar tevredenheid bediend en zorgt het sw-bedrijf ervoor dat deze
opdrachten ook in vervolg naar het sw-bedrijf toekomen, zodat de plaatsen voor mensen
door de doelgroep van de Participatiewet behouden blijven.
Vraag 3
In hoeverre leidt de inzet van Oost-Europese uitzendkrachten tot verdringing bij sociale
werkplaatsen van mensen met een arbeidsbeperking of andere (daar werkzame) mensen
die vallen onder de Participatiewet? In hoeverre is er bij de inzet van deze uitzendkrachten
voor de sociale werkplaatsen sprake van kostenvoordelen ten opzichte van mensen met
een arbeidsbeperking of andere mensen die vallen onder de Participatiewet? Bestaat
hierbij het risico op onderbetaling? Hoe verhoudt de inzet van uitzendkrachten zich
tot de financiële problemen die een aantal sociale werkplaatsen ervaren? In hoeverre
worden Oost-Europese uitzendkrachten gebruikt om deze problemen op te vangen?
Antwoord 3
Zie de beantwoording onder vraag 2. In aanvulling hierop laat de Tomingroep weten
dat er af en toe pieken optreden in het werk. De inzet van (Oost-Europese) uitzendkrachten
leidt niet tot verdringing, omdat er sprake is van een incidentele opvang van werkzaamheden.
De sw-medewerkers worden beloond volgens de cao voor de Wsw. Ook uitzendkrachten –
van welke nationaliteit ook – worden volgens de in Nederland geldende regels behandeld
en gehonoreerd. Uitzendbureaus zijn verplicht de cao te hanteren zoals die voor het
inlenend bedrijf van toepassing zijn.
Vraag 4
Ziet u mogelijkheden tot actie om de inzet van Oost-Europese uitzendkrachten ten koste
van mensen met een arbeidsbeperking of anderzijds een afstand tot de arbeidsmarkt
bij sociale werkplaatsen te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid in dit
kader te treffen en op welke termijn? Bent u bereid om hierover in overleg te treden
met de sector? Zo neen, waarom niet?
Antwoord 4
Zoals uit de beantwoording van bovenstaande vragen blijkt, zie ik geen noodzaak tot
het treffen van maatregelen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van
de Participatiewet en maken daarover afspraken met de sw-bedrijven.
Vraag 5
Wat is uw reactie op de situatie dat het gemeenten niet goed lukt om mensen met een
afstand tot de arbeidsmarkt te bereiken? Welke oplossingen ziet u voor dit probleem?
Deelt u de mening dat het een en ander geen excuus mag zijn om beschikbare plaatsen
vervolgens te vullen met de genoemde uitzendkrachten?
Antwoord 5
Sw-bedrijven spelen een belangrijke rol bij de uitvoering van de Participatiewet.
Gemeenten organiseren het nieuw beschut werk veelal bij sw-bedrijven. Onlangs heb
ik uw Kamer geïnformeerd over de besteding van de middelen (30 miljoen euro) uit de
motie Kerstens om de omvorming van sw-bedrijven tot toekomst gerichte werkbedrijven
te ondersteunen. De resultaten waren positief en veel gemeenten kiezen voor een brede
uitvoering van de Participatiewet door de nieuwe werkbedrijven.
Dat het nog beter kan en moet blijkt uit het gegeven dat gemeenten de mensen uit de
doelgroep onvoldoende kennen. Om de transparantie van de bestanden bij gemeenten te
vergroten heb ik daarom extra middelen (3 miljoen euro) aan gemeenten beschikbaar
gesteld om de kandidatenverkenner, zoals ontwikkeld door UWV, ook door gemeenten versneld
te laten vullen.
Daarnaast is per 1 januari 2017 de mogelijkheid geschapen om zichzelf te melden bij
het UWV om voor beschut werk in aanmerking te komen, ook de «warme» overdracht van
leerlingen van de VSO/PRO scholen aan gemeenten stimuleert de participatie van mensen
met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid De Jong (PVV),
ingezonden 25 april 2017 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2072).