Vragen van het lid Dik-Faber (ChristenUnie) aan de Ministers van Economische Zaken
en van Infrastructuur en Milieu over de plannen voor olie- en aardgaswinning bij Woerden
(ingezonden 13 april 2017).
Mededeling van Minister Kamp (Economische Zaken) (ontvangen 28 april 2017).
Vraag 1
Kunt u schetsen wat de stand van zaken is met betrekking tot een mogelijk winningsplan,
omgevingsvergunning en exploitatie van het Woerdense gasveld bij Papekop dat zich
uitstrekt tot onder de woonwijk Molenvliet waar 10.000 mensen wonen?
Vraag 2
Wat vindt u van de opmerking in het Annual Information Form 2016 van Vermilion Energy:
«There can be no assurance that the Company will be able to satisfy its actual future
environmental and reclamation obligations»?1
Vraag 3
Hoe verhoudt de (BB -)credit rating van moedermaatschappij Vermilion Energy zich tot
opmerkingen bij de evaluatie van de Mijnbouwwet 2007 dat «afdoende garanties [dienen]
te worden ingebouwd dat deze nieuwe partijen hun wettelijke verplichtingen nakomen»?.
Hoe is deze verplichting tot het inbouwen van voldoende garanties geregeld bij bestaande
partijen en op welke wijze wordt hiervoor kapitaal gereserveerd?2
Vraag 4
Hoe ziet u de volgende opmerking uit de Structuurvisie Ondergrond in de context van
de garanties dat partijen hun wettelijke verplichtingen kunnen nakomen: «Productie
van gas uit kleine velden levert de Nederlandse samenleving financiële baten en werkgelegenheid
op. Door de lage olieprijzen en de discussies rondom gaswinning op land, wordt het
voor mijnbouwmaatschappijen steeds minder interessant om gas te winnen. Indien geen
maatregelen worden genomen verdwijnen deze mijnbouwmaatschappijen en wordt het gas
uit de kleine velden niet meer gewonnen.»? Is toestemming voor winning aan een bedrijf
met BB-rating een maatregel, in de zin van verminderde verplichting ten aanzien van
eerder genoemde garanties en kredietwaardigheid (AAA-rating), teneinde winning interessant
te maken en de financiële baten voor de Staat uit kleine velden veilig te stellen?
Vraag 5
Kunt u nader ingaan op de opmerking in de Structuurvisie Ondergrond dat «ingrepen
in de ondergrond moeilijk ongedaan te maken zijn. Als het al kan is dat vaak tegen
hoge kosten of met een lange hersteltijd»? Hoe kwantificeert u het bedrag dat nodig
is voor de reservering die gedaan moet worden voor het geval een risico zich daadwerkelijk
zou manifesteren? Welke tijdshorizon hanteert u waarbinnen een risico zich zou kunnen
manifesteren, ook nadat winning is beëindigd? Met welke hersteltijden houdt u rekening
vanaf het moment van openbaring van een risico? Wordt een dergelijke reservering ook
gedaan voor compensatie van mogelijke schadelijke gevolgen in de lokale infrastructuur,
bodemdaling, grondwaterpeil, trillingen, waardevermindering van Onroerend Goed of
gezondheidsrisico’s?
Vraag 6
Hoe en door wie vindt onafhankelijke monitoring plaats van de cumulatieve risico’s,
de cumulatieve financiële blootstelling voor herstel en het cumulatieve verplichtingen
per mijnbouwbedrijf (wereldwijd)? Is er sprake van progressieve kapitaalreserveringen
naarmate het cumulatieve risico een bepaalde waarde overschrijdt? Hoe worden gewijzigde
marktomstandigheden hierbij betrokken?
Vraag 7
Hoe staat het met de kredietwaardigheid van andere (relatief kleine) olie- en gasproducenten
in ons land, mede in het licht van fossiele economische activiteiten die steeds minder
rendabel zijn, terwijl de mogelijke gevolgen daarvan nog tientallen jaren kunnen doorwerken
in onze leefomgeving?
Vraag 8
Wat is de huidige omvang van het mijnbouwfonds voor het geval een mijnbouwonderneming
toch niet aan de verplichtingen zou kunnen voldoen of de hele mijnbouwsector in problemen
komt? Hoe wordt voorkomen dat eventuele kosten voor rekening van de belastingbetaler
komen?
Vraag 9
Heeft u kennisgenomen van de opmerkingen van Vermilion-woordvoerder in Energeia dat
de bezwaren van de provincie Utrecht en gemeente Woerden niet onoverkomelijk zijn,
want «het is uiteindelijk niet aan de gemeente of provincie om te zeggen of wij mogen
produceren, dat ligt bij de nationale overheid.»? Hoe beoordeelt u deze opmerkingen
in relatie tot de gewijzigde Mijnbouwwet, waarin de positie van decentrale overheden
steviger is verankerd?
Vraag 10
Op welke manier weegt u de bezwaren van provincie en gemeente?3
Wat denkt u dat het effect zal zijn op het huidige commitment van stakeholders in
Woerden om in 2030 klimaatneutraal te zijn als, ondanks de enorme weerstand, toch
geïnvesteerd zou worden in het winnen van fossiele energie uit het Papekopveld?
Vraag 11
Is na het Klimaatverdrag van Parijs nog vol te houden dat de Nederlandse overheid
de winning uit kleine velden aanmoedigt?
Mededeling
Op 13 april jl. heeft het lid Dik-Faber (ChristenUnie) vragen gesteld aan mij en aan
de Minister van Infrastructuur en Milieu over de plannen voor olie- en gaswinning
bij Woerden (kenmerk 2017Z04970). Vanwege voor de beantwoording benodigde interdepartementale afstemming kunnen deze
vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken worden beantwoord. Ik streef
ernaar de vragen uiterlijk eind mei te beantwoorden.
X Noot
2Evaluatie van de Mijnbouwwet, November 2007, Kamerstuk 31 349, nr. 1