Vragen van het lid Straus (VVD) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de berichten ten aanzien van het starten van een Vrije School in Schin op Geul (ingezonden 22 maart 2017).

Antwoord van Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 11 april 2017)

Vraag 1

Kent u de berichten «Wel of geen Vrije School in Schin op Geul?» van 24 januari1 en «Ouders willen vrije school openen in Schin op Geul» van 17 maart jl.?2

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Zijn bij u ook andere soortgelijke initiatieven bekend? Kunt u daar een overzicht van geven? Lopen deze initiatieven tegen dezelfde problematiek aan?

Antwoord 2

Er zijn mij verschillende initiatieven bekend waarin een groep ouders zich heeft verenigd omdat zij vrije schoolonderwijs wensen en dat niet in de directe omgeving beschikbaar is. Daarnaast is er ook een aantal initiatieven voor andere typen onderwijs. Ik heb echter geen volledig overzicht van schoolinitiatieven. Deze initiatieven proberen op verschillende manieren, al dan niet in samenwerking met bestaande schoolbesturen, hun onderwijsidee te realiseren.

Nu heb ik moeten constateren dat een groot deel van deze initiatieven daarbij aanloopt tegen belemmeringen in de wet- en regelgeving. Zij geven aan dat de huidige wet- en regelgeving hen niet de mogelijkheden biedt om de school te starten die aansluit bij hun wensen, ondanks dat de Grondwet dit recht wel garandeert. Daarbij kan ik me goed voorstellen dat deze situatie teleurstellend is, zeker als er een grote groep ouders en leerlingen is die duidelijk aangeeft behoefte te hebben aan een bepaalde nieuwe school.

Deze signalen neem ik dan ook serieus. Daarom heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding dat in de toekomst meer mogelijkheden biedt om op basis van daadwerkelijke belangstelling en een toets op de kwaliteit, een school te kunnen starten.

Vraag 3

In hoeverre vindt u dat ook in gebieden waar sprake is van leerlingendaling ruimte moet zijn om een nieuwe school te starten als deze in een behoefte voorziet waar veel vraag naar is?

Antwoord 3

Ik vind het belangrijk dat het onderwijsaanbod in een regio aansluit bij de wensen van ouders die in die regio wonen. Dat geldt ook voor gebieden met leerlingendaling. In sommige gevallen is het starten van een nieuwe school de beste optie. Een andere mogelijkheid is om met bestaande schoolbesturen in gesprek te gaan.

Vraag 4

Weet u of het initiatief tot het starten van een vrije school in Schin op Geul zich positief ontwikkelt? Zo ja, kunt u dat nader toelichten? Zo nee, welke juridische belemmeringen zijn er?

Antwoord 4

In de berichtgeving zoals hierboven aangehaald, worden diverse opties genoemd om een vrije school in Schin op Geul te openen. Voor de vorming van een nevenvestiging is overdracht van een bestaande school nodig. Dat behoort niet tot de mogelijkheden. Een dislocatie van een vrije school in Maastricht is niet mogelijk. Een dislocatie kan alleen worden verbonden aan een school waarvan de hoofdvestiging in dezelfde gemeente is gevestigd. Ook het stichten van een nieuwe school is binnen de huidige wet- en regelgeving niet haalbaar. De enige optie is op dit moment het oprichten van een particuliere school. Uiteraard waardeer ik het altijd als ouders zich inzetten voor onderwijs dat aansluit bij hun onderwijswensen.

Er is wetgeving in voorbereiding die het in deze situatie wellicht in de toekomst mogelijk maakt voor de school om te kunnen starten. Het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen ziet immers op een aangepaste procedure voor het starten van nieuwe scholen gebaseerd op daadwerkelijke belangstelling en voorwaarden voor de onderwijskwaliteit.

Vraag 5

Geeft het wetsvoorstel toekomstbestendig onderwijsaanbod in het basisonderwijs (Kamerstukken 34 656) in zijn huidige vorm voldoende handvaten om initiatieven zoals het oprichten van een vrije school in Schin op Geul ruimte te geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Het wetsvoorstel Toekomstbestendig Onderwijsaanbod geeft geen aanvullende ruimte voor het starten van een nieuwe school. Het voorstel geeft bestaande scholen meer mogelijkheden om het bestaande onderwijsaanbod makkelijker aan te kunnen passen op de wensen van ouders, zoals het verplaatsen van een school, of het eenvoudiger veranderen van de richting.

Vraag 6

Welke stappen zouden initiatiefnemers, anticiperend op de nieuwe wetgeving, kunnen nemen om de kans zo groot mogelijk te maken dat men een dislocatie kan openen op een zo kort mogelijke termijn na in werking trekking van de nieuwe wetgeving?

Antwoord 6

Er is geen nieuwe wetgeving in voorbereiding die de mogelijkheden voor een dislocatie verruimt. Een dislocatie is immers slechts bedoeld voor het oplossen van huisvestingsproblematiek op de hoofdlocatie. Dislocaties zijn niet bedoeld om een nieuwe school op te richten. Voor het starten van nieuwe scholen geldt de stichtingsprocedure, zoals beschreven in artikelen 74 tot en met 83 van de Wet op het primair onderwijs (WPO).

Ik streef ernaar dat het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen voor de zomer aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden. Het is echter pas mogelijk om te anticiperen op een eventuele nieuwe procedure voor het starten van nieuwe scholen wanneer het wetsvoorstel is aangenomen in de Tweede en Eerste Kamer.

Vraag 7

Biedt de huidige wetgeving initiatiefnemers mogelijkheden voor een overbruggingsperiode zoals in de casus in Schin op Geul zich voordoet? Welke stappen kunt en wilt u nemen om dit en wellicht andere initiatieven te ondersteunen?

Antwoord 7

De WPO kent geen overgangsperiode die ruimte biedt om vooruit te kunnen lopen op nieuwe wet- en regelgeving. Daarnaast biedt de wet- en regelgeving voor het starten van nieuwe scholen ook geen ruimte om hiermee te experimenteren.

Vraag 8

Wat zijn, net als bij het voortgezet onderwijs, de mogelijkheden om «een tijdelijke nevenvestiging» te vestigen? In hoeverre zou dit een mogelijkheid zijn voor dit initiatief?

Antwoord 8

Het primair onderwijs kent geen tijdelijke nevenvestigingen. Wel is er de mogelijkheid om huisvestingsproblemen op te vangen met een dislocatie wanneer de hoofdvestiging en dislocatie binnen dezelfde gemeente staan. Hiervan is echter geen sprake in de casus Schin op Geul.

Een tijdelijke nevenvestiging in het voortgezet onderwijs dient hetzelfde doel als een dislocatie in het primair onderwijs, namelijk het oplossen van een huisvestingsprobleem op een bestaande vestiging. De afstand tussen beide vestigingen in het voortgezet onderwijs mag maximaal 3 kilometer zijn (artikel 16, derde lid van de WVO).

Vraag 9

Hoe ziet de procedure er uit als een schoolbestuur een schoolgebouw verlaat en een ander schoolbestuur zich in dit gebouw zou willen vestigen? In hoeverre kan een gemeente dit positief beïnvloeden?

Antwoord 9

Wanneer een schoolbestuur een schoolgebouw verlaat vervalt het eigendom. Het gebouw wordt middels een akte in eigendom teruggegeven aan de gemeente (artikel 110 WPO). Een bekostigde school met een huisvestingsbehoefte kan huisvesting bij de gemeente aanvragen (artikel 94 WPO). Een voorziening in de huisvesting voor een bekostigde school wordt slechts geweigerd indien er sprake is van een weigeringsgrond (artikel 100). Een schoolbestuur kan alleen aanspraak maken op huisvesting in de gemeente waarin zijn scholen zijn gevestigd.

Naar boven