Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied (ingezonden 19 januari 2017).

Mededeling van Minister Blok (Veiligheid en Justitie) mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 10 februari 2017).

Vraag 1

Kent u de berichten «Jihadonderzoeker UvA uitte zelf steun voor strijders van IS» en «Aicha: cyberjihadist én wetenschapper»1 en kent u het onderzoek «Chatting about marriage with female migrants to Syria»?2

Vraag 2

Kende u het genoemde onderzoek al voordat deze berichten daarover bekend werden? Zo ja, heeft het onderzoek uw meningsvorming over de rol van Nederlandse vrouwen in IS-gebied op enige wijze beïnvloed? Zo ja, op welke wijze?

Vraag 3

Is het onderzoek van enige invloed geweest op uw beleid? Zijn de onderzoekers op enige andere wijze betrokken geweest bij uw beleid op het terrein van radicalisering, jihadisme of bestrijding van terrorisme? Zo ja, op welke wijze?

Vraag 4

Is het genoemde onderzoek in rechtszaken gebruikt ter verdediging van vrouwen die uit IS-gebied naar Nederland terugkeerden? Zo ja, hoe vaak is dat gebeurd? Zo nee, acht u het mogelijk dat dit wel kan gaan gebeuren?

Vraag 5

Deelt u de mening dat indien een onderzoek in een rechtszaal gebruikt wordt de rechter in de gelegenheid moet zijn de uitkomsten van dat onderzoek naar waarde te schatten? Zo ja, waarom deelt u die mening en acht u dat in dit geval mogelijk? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Deelt u de mening dat gezien wat er in beide berichten over het genoemde onderzoek wordt geschreven er op zijn minst onduidelijkheid kan bestaan over de conclusie dat een «substantieel deel» van de vrouwen die zich bij IS hebben aangesloten geen interesse in deelname aan de gewelddadige jihad of het maken van propaganda daarvoor tonen? Zo ja, waarom deelt u die conclusie en wat zegt dat over de waarde van het onderzoek in een rechtszaak? Zo nee, waarom niet?

Vraag 7

Deelt u de mening van het openbaar ministerie (OM) dat de genoemde UvA-studie niet gebruikt zal worden in onderzoeken naar jihadgangers? Zo ja, waarom deelt u die mening van het OM? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?

Vraag 8

Is het voor u op enige wijze verifieerbaar of de in het onderzoek genoemde 22 «private chattings» daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of dat daadwerkelijk Nederlandse vrouwen in IS-gebied betrof? Zo ja, op welke wijze?

Vraag 9

Kunt de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van het onderzoek dat het bestuur van de UvA laat doen naar de in het onderzoek gebruikte methode?

Mededeling

Hierbij bericht ik u, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat de schriftelijke vragen van het lid Marcouch (PvdA) over een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied (ingezonden 19 januari 2017) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie ontvangen is.

Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.

Naar boven