Vragen van het lid Aukje deVries (VVD) aan de Minister van Financiën over het artikel «AFM en DNB beletten innovatie in de financiële sector» (ingezonden 15 oktober 2015).

Antwoord van Minister Dijsselbloem (Financiën) (ontvangen 5 november 2015).

Vraag 1

Kent u het artikel «AFM en DNB beletten innovatie in de financiële sector»? Wat vindt u van dit bericht?1

Antwoord 1

Ja, ik ben bekend met dit artikel. Voor een reactie op dit artikel verwijs ik naar mijn antwoorden op de onderstaande vragen.

Vraag 2

Klopt het dat Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) additionele voorwaarden stellen aan Nederlandse financiële instellingen bovenop de geldende Europese en Nederlandse regels? Zo ja, om welke additionele voorwaarden gaat het dan?

Antwoord 2

Aan vergunningen of ontheffingen kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden met het oog op de belangen die de Wet op het financieel toezicht (Wft) beoogt te beschermen, om zo recht te kunnen doen aan specifieke omstandigheden. Het is daarbij uiteraard belangrijk dat wanneer toezichthouders van deze bevoegdheid gebruik maken, er goede aanwijsbare redenen zijn om dit te doen en dat de bevoegdheid proportioneel wordt toepast.

De voorbeelden waarnaar in het artikel uit het Financieele Dagblad (FD) wordt verwezen, zien onder meer op crowdfundingplatformen, beleggingsondernemingen en betaaldienstverleners. Wat betreft crowdfunding is er geen Europese regelgeving die zich hier specifiek op richt. De activiteiten die een crowdfundingplatform verricht en het type product bepalen of een vergunning dan wel ontheffing vereist is. De meeste crowdfundingplatformen verrichten bemiddelende werkzaamheden ten behoeve van het aangaan van een lening tussen geldgever en geldvrager. Hiervoor is op grond van de Wft een ontheffing nodig. Daarnaast kunnen platformen ook de rol van geldgever vervullen, waarvoor dan op grond van de Wft een vergunning als aanbieder van krediet vereist is. Bij een derde vorm van crowdfunding wordt de investering vormgegeven als effect, zoals een obligatie of aandeel. Wanneer een crowdfundingplatform ten aanzien van effecten bemiddelende werkzaamheden verricht, is sprake van beleggingsdienstverlening en dient het platform daarmee een vergunning als beleggingsonderonderneming te hebben.

De AFM maakt ten aanzien van crowdfundingplatformen gebruik van de bevoegdheid om voorschriften te verbinden aan de vergunning of ontheffing. Hiermee beoogt de AFM om, gezien de specifieke risico’s die aan crowdfunding zijn verbonden, de belangen van particuliere investeerders adequaat te borgen.2 Op grond van deze voorschriften dienen platformen bijvoorbeeld vermogensscheiding toe te passen, specifieke investeringsgrenzen te hanteren en deelnemers informatie over de risico’s van crowdfunding te verschaffen. Deze voorschriften zijn op de website van de AFM gepubliceerd en opgenomen in het rapport van de AFM over crowdfunding van 19 december 2014.3

Momenteel wordt gewerkt aan wijzigingen in de regelgeving met betrekking tot crowdfunding die tot doel hebben onnodige belemmeringen weg te nemen en een gelijk speelveld tussen de verschillende vormen van crowdfunding te waarborgen. Uiteraard is ook daarbij van belang dat er voldoende oog is voor de risico’s die verbonden zijn aan crowdfundingplatformen, met name voor geldgevers. In de beantwoording op vraag 6 wordt nader ingegaan op de wijzigingen.

Voor beleggingsondernemingen en betaaldienstverleners bestaan Europese kaders. DNB heeft mij desgevraagd laten weten voor beleggingsondernemingen en betaaldienstverleners geen additionele voorwaarden te stellen bij de verlening van een vergunning. Dit betekent dat ten opzichte van de eisen die voortvloeien uit Europese wetgeving door DNB geen additionele voorschriften worden gesteld. In mijn beantwoording van de vragen 4 en 5 ga ik nader in op de berichtgeving uit het FD rondom beleggingsondernemingen en betaaldienstverleners.

Vraag 3

Deelt u de mening dat het niet redelijk is dat buitenlandse partijen die in hun land van herkomst onder toezicht staan en met een Europees paspoort vallen onder de regelgeving in dat land, een betere positie hebben dan Nederlandse partijen en dat er daardoor geen sprake is van een gelijk speelveld? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Financiële ondernemingen die in Nederland actief zijn moeten in beginsel voldoen aan de in Nederland geldende regels. Echter, wanneer financiële ondernemingen uit andere lidstaten door middel van een Europees paspoort in Nederland activiteiten ontplooien, is de wet- en regelgeving van de lidstaat van herkomst van toepassing («home country control»). Hierdoor kunnen de regels waaraan partijen worden onderworpen op specifieke terreinen van elkaar verschillen. Het kan namelijk zo zijn dat Nederland gebruik maakt van een lidstaatoptie, terwijl andere lidstaten dat misschien niet doen. Ik vind dit ook niet onredelijk, en zie dit vooral als een uitvloeisel van de op Europees niveau overeengekomen bevoegdheidsverdeling tussen lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst. Desalniettemin, wanneer er sprake is van een Europees paspoort is er over het algemeen sprake van een harmonisatie van wetgeving, waardoor de verschillen tussen lidstaten en dus eventuele verstoringen van het gelijk speelveld relatief klein zullen zijn.

Vraag 4

In hoeverre klopt het dat het verbod van Nederlandse beleggingsondernemingen om in het kader van de beleggingsdienstverlening zelf gelden van cliënten aan te houden in strijd is met de Europese regelgeving? Indien dit klopt, wat gaat u daar dan aan doen?

Antwoord 4

Een beleggingsonderneming die beleggingsdiensten verleent, ontvangt gelden van haar cliënten om transacties in financiële instrumenten uit te voeren. Voor een goede dienstverlening aan haar cliënten kan het nodig zijn dat de beleggingsonderneming als nevendienst gelden van cliënten aanhoudt. Voor het beheren van opvorderbare gelden en financiële instrumenten van cliënten van een beleggingsonderneming geldt wel het vereiste van vermogensscheiding. Deze regels over vermogensscheiding vloeien voort uit de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID).4 Een beleggingsonderneming is daarmee verplicht om met betrekking tot de financiële instrumenten en gelden van cliënten die zij aanhoudt een zodanige regeling te treffen dat de rechten van die cliënten voldoende beschermd zijn.

In de Wft is bepaald dat het verboden is om zonder bankvergunning opvorderbare gelden (zoals deposito's aan te trekken van publiek. Een beleggingsonderneming mag echter wel voor korte tijd gelden van niet-professionele beleggers aanhouden die dienen voor een concrete koop- of verkooptransactie.

Uit het bovenstaande volgt dat beleggingsondernemingen gelden van cliënten kunnen aanhouden, zolang wordt voldaan aan de vereisten inzake vermogensscheiding en er een direct verband is met een concrete koop- of verkooptransactie. Er is dan ook geen sprake van strijdigheid met Europese regelgeving.

Vraag 5

In hoeverre klopt het dat de Europese en Nederlandse regels kleine betaaldienstverleners de mogelijkheid bieden om zonder vergunning online betaaldiensten te verlenen in Europese landen, maar dat DNB deze faciliteit aan Nederlandse instellingen onthoudt? Wat bent u bereid daaraan te doen?

Antwoord 5

De richtlijn betaaldiensten (PSD)5 voorziet in een licht toezichtregime voor kleine betaaldienstverleners met een maandomzet van maximaal 3 miljoen euro. In Nederland is dit geïmplementeerd middels de Vrijstellingsregeling Wft. Hierdoor kunnen betaaldienstverleners die voldoen aan bepaalde voorwaarden als vrijgestelde betaaldienstverlener worden ingeschreven in het openbare register. Vrijgestelde betaaldienstverleners worden op grond van de richtlijn betaaldiensten echter niet gelijkgesteld met betaaldienstverleners die een vergunning hebben. Een vrijstelling geldt namelijk niet als Europees paspoort, waardoor een betaaldienstverlener die in een Europese lidstaat is vrijgesteld niet zo maar als betaaldienstverlener in andere lidstaten kan opereren. Om betaaldiensten te verlenen in andere Europese lidstaten moeten betaaldienstverleners overeenkomstig de Europese regels een vergunning hebben. Het is dus niet zo dat DNB vrijgestelde betaaldienstverleners de mogelijkheid onthoudt om diensten te verlenen in andere Europese lidstaten.

Vraag 6

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de nieuwe regelgeving voor crowdfunding zoals die per 1 januari 2016 zou worden ingevoerd om meer ruimte te geven aan crowdfunding? Hoe moet dit gezien worden tot de opmerkingen in het genoemde artikel over crowdfunding?

Antwoord 6

Zoals eerder aangegeven, wordt momenteel gewerkt aan wijzigingen in de regelgeving met betrekking tot crowdfunding. De uitwerking hiervan ziet ten eerste op het provisieverbod voor beleggingsondernemingen. Het provisieverbod staat eraan in de weg dat crowdfundingplatformen die een vergunning hebben als beleggingsonderneming, bepaalde vergoedingen kunnen vragen van geldvragers. Crowdfundingplatformen die onder andere Wft-regimes vallen, kennen deze beperking niet, waardoor een ongelijk speelveld ontstaat. Om platformen die als beleggingsonderneming kwalificeren beter in staat te stellen een duurzaam verdienmodel te ontwikkelen, wordt een specifieke uitzondering op het provisieverbod voor crowdfunding gecreëerd. Dit bevordert een gelijk speelveld en daarmee een gezonde crowdfundingmarkt in Nederland.

Het tweede deel van de wijzigingen ziet op platformen die een ontheffing hebben voor het verrichten van bemiddelende werkzaamheden ten behoeve van het aangaan van een lening. Aan deze platformen worden aanvullende eisen gesteld met betrekking tot de bedrijfsvoering en de geschiktheid van beleidsbepalers om zodoende de betrouwbaarheid en continuïteit van platformen beter te borgen.

Naast de bovenstaande maatregelen beziet de AFM momenteel de specifieke investeringsgrenzen die zij thans hanteert.6 Ik heb van de AFM vernomen dat de investeringsgrenzen naar verwachting zullen worden verruimd. In overleg met de sector wordt bekeken hoe de verruiming van de investeringsgrenzen op adequate wijze kan worden vormgegeven.

De maatregelen zijn eerder toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 31 maart jl.7 Voor het einde van dit jaar zal ik u nader informeren over de voortgang.

Vraag 7

Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat de AFM en DNB geen aanvullende eisen meer (kunnen) stellen waardoor een ongelijk speelveld ontstaat en minder concurrentie, nieuwe toetreders en innovatie?

Antwoord 7

In Europese wetgeving wordt soms de bevoegdheid tot invulling van een norm of de uitvoering van een taak expliciet aan de toezichthouder gelaten aan de hand van vooraf gestelde criteria. Ik heb geen aanwijzingen dat de AFM en DNB op deze terreinen verder gaan dan strikt noodzakelijk en zie dan ook geen verstoring van het gelijke speelveld. Verder verwijs ik in dit kader graag naar mijn reactie op het Actal-advies «Regeldruk bij kredietverstrekking», waarin ik nader in ga op de proportionaliteit van eisen die aan financiële instellingen worden gesteld. Zoals ik in die reactie stel is er een juiste balans nodig, waarbij wat mij betreft de doelen van stabiliteit en concurrentie elkaar niet hoeven te bijten.

Vraag 8

Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden tegelijk met de kabinetsreactie op het ACM-rapport «Concurrentie op de markt voor MKB-financiering» (juni 2015) en/of met het Actal-onderzoek over regelgeving in de financiële sector?

Antwoord 8

Ja, de beantwoording van deze vragen stuur ik tegelijk met de kabinetsreactie op het ACM-onderzoek en mijn reactie op het Actal-advies aan uw Kamer.


X Noot
1

Het Financieele Dagblad, 13 oktober 2015

X Noot
4

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten.

X Noot
5

Richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt.

X Noot
6

Momenteel hanteert de AFM voor crowdfunding in effecten een investeringsgrens van € 20.000,– per deelnemer per platform en voor crowdfunding in onderhandse leningen een grens van € 40.000,–.

X Noot
7

Kamerstuk 31 311, nr. 148.

Naar boven