Vragen van het lid KoşerKaya (D66) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over de vermelding van de geboorteplaats op de geboorteakte (ingezonden 25 september
2015).
Antwoord van Minister van der Steur (Veiligheid en Justitie) mede namens de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 28 oktober 2015). Zie ook
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 367.
Vraag 1
Kent u het bericht «Ik wil geen Hageneesje op de wereld zetten, hoor»?1
Vraag 2
Herkent u de band die mensen voelen met hun omgeving, en de wens die zij kunnen hebben
dat deel van hun identiteit te willen overdragen aan hun kind? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ik heb er begrip voor dat mensen een directe band kunnen hebben met hun omgeving,
die zodanig is dat zij deze wensen door te geven aan hun kinderen. Aan deze band met
de plaats waar de ouders woonachtig zijn en wellicht geboren zijn, kan op verschillende
manieren uitdrukking worden gegeven en hoeft niet per sé afgeleid te worden uit de
in de geboorteakte opgenomen plaats van geboorte.
Vraag 3
Wat waren in de Code Napoleon, waarmee de aangifteplicht startte, de redenen voor
de verplichting om de aangifte van een geboorte te doen bij de gemeente waar het kind
geboren is? In hoeverre hebben die redenen nog waarde en geldigheid?
Antwoord 3
Bij de invoering van de Code Napoleon werd de registratie van de belangrijkste feiten
in een mensenleven, met name geboorte, huwelijk en overlijden, die tot dan toe door
kerkelijke autoriteiten werd uitgevoerd, overgedragen aan burgerlijke autoriteiten.
Deze taak werd opgedragen aan gemeenten in de vorm van de verantwoordelijkheid voor
het houden van registers van de burgerlijke stand. Daarbij gold als uitgangspunt de
feitelijke juistheid van de daarin opgenomen gegevens, waarop een ieder moest kunnen
vertrouwen. De akten hadden toen en nu het karakter van authentieke akten, met de
daaraan verbonden bijzondere bewijskracht.
Vraag 4
In welke mate is het nog relevant of de gemeente van geboorte, of de gemeente van
woonplaats van een van de ouders tijdens de geboorte, de akte beheert, aangezien de
gemeentelijke basisadministratie is opgegaan in de landelijke basisregistratie personen?
Antwoord 4
Het is nog steeds van belang dat de geboorteakte van een kind wordt opgemaakt in de
gemeente waar de geboorte heeft plaatsgevonden en wel om redenen die de Staatssecretaris
van Veiligheid en Justitie heeft aangegeven in zijn brief van 31 mei 2011 (Kamerstuk
27 859, nr. 44). Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 6.
De gegevens van de geboorteakte worden vervolgens overgenomen in de basisregistratie
van de gemeente waar de betrokkene woonachtig is. Daarbij is niet van invloed of het
beheer van de basisregistratie op lokaal of landelijk niveau geschiedt.
Vraag 5
Indien de geboorteplaats een identificerend gegeven is om personen met gelijke naam
en geboortedatum te onderscheiden, zoals in 2011 gesteld door de adviescommissie,
is het dan niet logischer om woonplaats te registeren in plaats van geboorteplaats
nu steeds meer bevallingen in ziekenhuizen in een beperkt aantal gemeenten plaatsvinden?
Dan neemt het identificerend karakter toch eerder toe dan af?
Antwoord 5
Ik kan de visie dat vermelding van de woonplaats een sterkere identificerende waarde
zou hebben dan de vermelding van de geboorteplaats niet delen. De geboorteplaats is
immers een uniek en vaststaand gegeven, terwijl de woonplaats in de loop van een mensenleven,
soms veelvuldig, aan wijziging onderhevig is.
Vraag 6
Bent u bereid met een welwillende blik te onderzoeken of de in uw brief van 31 mei
2011 genoemde bezwaren overkomelijk zijn, en aan de Kamer voorstellen te doen waarin
zowel het feitelijk karakter van een geboorteakte als de in het AD-artikel genoemde
wens van ouders tot uitdrukking komen?2
Antwoord 6
Bij de opstelling van de brief van 31 mei 2011 is zorgvuldig nagegaan welke consequenties
zouden kunnen volgen uit het vermelden van een andere geboorteplaats in de geboorteakte
van een kind, dan de plaats waar de geboorte van het kind daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Hiertoe is toen ook het advies ingewonnen van de Commissie van advies voor de zaken
betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit en is bezien hoe de regelingen
in internationaal verband luiden. Gebleken is dat het toestaan om een andere plaats
dan de feitelijke geboorteplaats in de akte op te nemen tot aanzienlijke bezwaren
leidt. Daarbij is in het bijzonder de rechtszekerheid in het geding.
Er hebben zich sindsdien geen zodanige ontwikkelingen voorgedaan, waardoor de situatie
nu anders zou zijn. Onder deze omstandigheden bestaat er voor mij geen aanleiding
om de huidige wettelijke regeling te wijzigen.
Gelet op het belang van de authenticiteit en van de juistheid van de burgerlijke stand,
wil ik nog wijzen op de plicht van de ambtenaren van de burgerlijke stand om de door
de burgers verstrekte gegevens te verifiëren, alsmede op hun bevoegdheid om daartoe
om nadere stukken te vragen (art. 18, lid 2 en 3 Boek 1 BW) en in dit verband op hun
specifieke bevoegdheid om ten behoeve van het opmaken van een geboorteakte te vragen
om een verklaring van een arts of verloskundige (art. 19e, lid 8 Boek 1 BW).
X Noot
1Algemeen Dagblad, 24 september 2015