Vragen van het lid Mohandis (PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de ontevredenheid rond flexibele werkplekken in de nieuwbouw van de Hogeschool
Utrecht (ingezonden 8 april 2016).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 15 juli
2016). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2489.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de ontevredenheid bij personeel en
studenten als gevolg van het werken met flexplekken in de nieuwbouw van de Hogeschool
Utrecht? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontevredenheid?1
Antwoord 1
Ik heb kennis genomen van het desbetreffende artikel over de ontevredenheid van de
medewerkers bij de Hogeschool Utrecht. Het college van bestuur van een instelling
is verantwoordelijk voor zowel de huisvesting als het personeelsbeleid.
Van de hogeschool heb ik vernomen dat de flexplekken onderdeel zijn van een totaal
huisvestingsconcept waarmee de instelling inzet op concentratie van de huisvesting
op het Utrecht Science Park. De veranderingen in de huisvesting zijn nog niet afgerond.
Het college geeft daarbij nadrukkelijk aan dat er ruimte is om samen met medewerkers
en studenten tot integrale aanpassingen en oplossingen te komen bij het nieuwe werken.
Zo zijn er al evaluatieonderzoeken onder medewerkers en studenten gehouden en werd
een tweetal werkconferenties, één voor personeel en één voor studenten, georganiseerd
over de nieuwe huisvestingsconcepten.
Vraag 2
Deelt u de mening dat een dergelijke onvrede over een nieuwe en van bovenaf opgelegde
werkvorm juist het belang aangeeft van versterking van medezeggenschap door personeel
en studenten, zoals ook recent is vastgelegd in het wetsvoorstel inzake de Wijziging
van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van
onderwijsinstellingen? Zo, nee waarom niet?2
Antwoord 2
Nog los van deze casus ben ik overtuigd van het belang van de medezeggenschap. Daarom
heb ik met de Wet versterking bestuur ook stappen genomen om de rol van de medezeggenschap
te versterken.
Wat deze specifieke casus betreft het volgende. De Hogeschool Utrecht geeft aan dat
de medezeggenschap inspraak gehad heeft bij het opstellen van de uitgangspunten van
de businesscase voor de huisvesting van de hogeschool. Medewerkers, docenten en studenten
zijn vanaf de ontwerpfase betrokken geweest, aldus de hogeschool. Daarbij zijn de
ervaringen van voorgaande projecten meegenomen. De – reeds lopende – evaluatie die
bedoeld is vroegtijdig ervaringen op te halen is volgens de hogeschool in samenwerking
met de medezeggenschap uitgezet. De hogeschool bericht mij dat de bevindingen uit
de evaluaties en de werkconferenties momenteel worden geanalyseerd en waar mogelijk
direct opgepakt. De hogeschool geeft aan dat uit de opbrengsten van de eerste werkconferentie
inmiddels een aantal zaken is gerealiseerd en geïmplementeerd. Daarnaast zal een aantal
verbeteringen gedurende de implementatie van het herhuisvestingsconcept doorgevoerd
gaan worden.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de impact van deze werkwijze met flexplekken op goed personeelsbeleid
en op de kwaliteit van onderwijs en goede begeleiding van studenten, gelet op de signalen
uit de berichtgeving dat het onderwijs op de Hogeschool Utrecht hierdoor «onrustige
lessituaties» kent?
Antwoord 3
Vanaf 1994 is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van HBO-instellingen belegd
bij de colleges van bestuur van de instellingen zelf. Dat betekent dat het college
zelf verantwoordelijk is voor de wijze waarop zij een instelling inricht en de eventuele
effecten die deze inrichting met zich mee brengt.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u in het algemeen het werken met flexplekken in een onderwijsinstelling,
zeker gezien het belang dat gehecht dient te worden aan vindbaarheid van docenten
en aansluiting tussen student en docent?
Antwoord 4
Veel instellingen werken al met flexplekken. Daarbij is van cruciaal belang dat docenten
en studenten elkaar weten te vinden. Dat geldt overigens ook voor docenten onderling.
Een onderwijsinstelling moet een onderwijsgemeenschap zijn, waar studenten en docenten
elkaar ook buiten de colleges om treffen en ideeën uitwisselen. Flexplekken moeten
in dienst staan van dat doel.
Ik ga ervan uit dat hierover intern het gesprek wordt gevoerd. Ook de medezeggenschap
kan hierbij een rol spelen als vertegenwoordiger van studenten en docenten.
Vraag 5
Vindt u ook niet dat het flexwerken bij de Hogeschool Utrecht zich eerder leent voor
de bestuurders zelf dan voor docenten, die in het kader van goed onderwijs en gedegen
ondersteuning dagelijks contact met studenten moeten kunnen hebben op een duidelijke
plek?
Antwoord 5
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Vraag 6
Hoe beziet u de rol van de overheid in situaties zoals deze, waarbij de keuze voor
flexwerken of andere alternatieve werkvormen ook impact kunnen hebben op de tevredenheid
van personeel en studenten en op de kwaliteit van onderwijs?
Antwoord 6
Zie mijn antwoord op vraag 1.