Vragen van het lid Ypma (PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport over het bericht dat 38 kinderen onwettig in een gesloten inrichting zitten
(ingezonden 30 mei 2016).
Antwoord van Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
18 juli 2016).
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het artikel «38 kinderen onwettig in gesloten inrichting»?1
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel kinderen in Nederland op dit moment zonder de verplichte uitspraak
van de rechterlijke macht in een gesloten inrichting verblijven en welke instellingen
dit zijn?
Antwoord 2
Dat is mij nog niet bekend. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Vraag 3
Was u op de hoogte van het feit dat diverse vrijheidsbeperkende maatregelen zoals
dwangmedicatie en fixatie bij agressie kunnen worden ingezet door de groepsleiders
als zij dat nodig achtten? Kunt u aangeven bij hoeveel kinderen die onwettig in gesloten
inrichtingen zijn geplaatst deze maatregelen worden ingezet?
Antwoord 3
Het was mij bekend dat groepsleiders vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen. Dit
mogen zij echter alleen doen met een machtiging van de rechter, of als zich noodsituaties
voordoen. Omdat bleek dat de instellingen op verschillende manieren omgaan met het
plaatsen van jeugdigen zonder een rechtelijke machtiging in een locatie voor gesloten
jeugdhulp en verschilden van inzicht over hoe in de praktijk vervolgens verantwoorde
jeugdhulp kan worden verleend, heeft de Inspectie de situaties bij de instellingen
nader geïnventariseerd. Deze inventarisatie heeft de Inspectie onder andere meer zicht
geven op het aantal jongeren dat zonder machtiging is geplaatst in een instelling
voor gesloten jeugdhulp.
Zie voorts het antwoord op vraag 6.
Vraag 4 en 5
Vindt u het verantwoord dat deze groep kinderen blootgesteld wordt aan vrijheidsbeperkende
maatregelen? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet? Hoe beoordeeld u de situatie dat
de kinderen, ondanks hun verstandelijke beperking, geen advocaat hebben die hen kan
bijstaat?
Kunt u uiteenzetten waarom er bij kinderen die onwettig geplaatst zijn voorbij gegaan
is aan het belang van het kind, er geen gedragswetenschappers worden ingeschakeld
en wat de psychologische effecten van de behandeling en vrijheidsbeperkende maatregelen
zijn op de kinderen?
Antwoord 4 en 5
In het rapport dat in het antwoord op vraag 3 is aangekondigd, zal de Inspectie jeugdzorg
ingaan op de vraag of er sprake is van verantwoorde jeugdhulp. Daarbij betrekt de
Inspectie ook het feit dat het om jeugdigen kan gaan met een licht verstandelijke
beperking.
Vraag 6
Waarom kiest u ervoor om deze groep kinderen in deze onethische en onwettelijke situatie
te laten verblijven? Deelt u de mening dat het belang van het kind voorop moet staan
en de wet opgevolgd moet worden? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te
zetten om de situatie van deze kinderen zo spoedig mogelijk te veranderen? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 6
Ik deel de mening dat het belang van het kind voorop moet staan en dat de wet nageleefd
moet worden. Gedwongen jeugdhulp behoeft altijd een juridische grondslag. De rechtspositie
dient gewaarborgd te zijn en er moet sprake zijn van verantwoorde hulp. Omdat bleek
dat de instellingen op verschillende manieren omgaan met het plaatsen van jeugdigen
zonder een rechtelijke machtiging in een locatie voor gesloten jeugdhulp en verschilden
van inzicht over hoe in de praktijk vervolgens verantwoorde jeugdhulp kan worden verleend,
is afgesproken dat alle instellingen voor gesloten jeugdhulp de Inspectie zouden informeren
over hoe zij omgaan met het plaatsen van jeugdigen zonder machtiging in hun instelling.
Medio december 2015 hebben alle instellingen de gevraagde informatie aan de Inspectie
gezonden. Gebleken is dat er veel variaties bestaan in de wijze waarop gedwongen jeugdhulp
met verblijf plaats vindt. De variaties betreffen de vormen van jeugdhulp, de juridische
grondslag, het gebruik van de accommodaties, de mate van geslotenheid en het toepassen
van vrijheidsbeperkende maatregelen. In januari 2016 heeft de Inspectie aanvullend
onderzoek gedaan bij vier accommodaties.
Op basis van deze inventarisatie heeft de Inspectie sindsdien gewerkt aan een beoordelingskader
op grond waarvan de Inspectie de feitelijke situatie bij alle instellingen kan beoordelen.
Vervolgens heeft de Inspectie de conceptbeoordelingen van alle instellingen voor hoor
en wederhoor aan de instellingen voorgelegd. Dat is de gebruikelijke werkwijze als
de Inspectie de instellingen toetst. Het overgrote deel van de betreffende instellingen
voldoet aan dit beoordelingskader; de overige instellingen zullen op korte termijn
aan dit kader gaan voldoen. De Inspectie is nu in overleg met de instellingen die
hun werkwijze zullen moeten aanpassen, over hoe dit op een zorgvuldige wijze – in
het belang van de betreffende kinderen – uitgevoerd kan worden.
Zoals besproken in het AO van 30 juni 2016, verwacht ik eindrapport van de Inspectie
binnen enkele weken te ontvangen. Vervolgens zal ik het zo spoedig mogelijk naar uw
Kamer sturen, inclusief de consequenties voor de instellingen.