Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht dat het openbaar ministerie (OM) al in 2004 wist
dat de eerder veroordeelde Hunnik de Hilversumse platenbaas Van der Laar niet gedood
kon hebben, maar dat deze ontlastende informatie jarenlang niet is gedeeld met de
veroordeelde, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe?1
Vraag 2
Is het waar dat de reden voor de weigering het ontlastende rapport te verstrekken
was dat de veroordeelde werd gezien als derde en dat de privacy van anderen (de mogelijke
daders) gewaarborgd moest worden? Hoe beoordeelt u dit? Was geen andere oplossing
denkbaar geweest om er voor te zorgen dat ontlastende informatie, die van belang kon
zijn voor een herzieningsverzoek en het zuiveren van de naam, de (mogelijk ten onrechte)
veroordeelde wel zou bereiken?
Vraag 3
Hoe kan het dat het OM dit rapport ook niet heeft gedeeld met de Commissie Evaluatie
Afgesloten Strafzaken (CEAS) die gerechtelijke dwalingen onderzoekt, waardoor de zaak
al jaren geleden heropend had kunnen worden?
Vraag 5
Is nader onderzoek mogelijk en kansrijk om op te helderen waarom dit is gebeurd, wie
hiertoe heeft besloten en waarom? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Zijn reeds maatregelen genomen om te voorkomen dat dit in de toekomst nog eens op
deze wijze kan gebeuren? Zo ja, welke? Zo nee, welke maatregelen moeten er nog genomen
worden?
Nader antwoord
Op 9 juli 2015 heeft het lid Van Nispen (SP) schriftelijke vragen gesteld over het
door het Openbaar Ministerie (OM) achterhouden van een rapport dat ontlastend was
voor de veroordeelde in de showbizzmoordzaak. Die Kamervragen heb ik op 19 augustus
2015 schriftelijk beantwoord (zie bijlage, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016,
nr. 3106)1. In het kader van de behandeling van de herziening ter terechtzitting van het gerechtshof
Den Haag van 30 en 31 mei jl. (uitspraak is bijgevoegd)2 heeft het College van procureurs-generaal mij bericht dat deze antwoorden, met de
kennis van nu, nadere duiding en aanvulling behoeven.
In het antwoord op vraag 2 is vermeld dat het ressortsparket niet bekend was met het
bestaan van een analyserapport van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) uit 2004,
waarin in 2002 en 2003 binnengekomen CIE-informatie nader is geanalyseerd. Deze passage
is op zichzelf correct. Uit een recent door het OM verrichte nadere analyse van interne
communicatie en besluitvorming blijkt echter dat het ressortsparket er wel van op
de hoogte was dat door het arrondissementsparket, op basis van de nieuwe CIE-informatie,
werd bezien of nader onderzoek moest plaatsvinden en of de zaak aan de Commissie Evaluatie
Afgesloten Strafzaken (CEAS) zou moeten worden voorgelegd. Het ressortsparket was
er dus niet van op de hoogte dat een analyserapport door de CIE was opgesteld, maar
wel dat er nieuwe CIE-informatie was binnengekomen die door het arrondissementsparket
werd gewogen en beoordeeld.
In het antwoord op vraag 2 is voorts te lezen dat er toentertijd geen overleg is geweest
tussen het ressortsparket en het arrondissementsparket. Dit blijkt, na eerdergenoemde
nadere analyse door het OM, niet juist; er heeft wel overleg plaatsgevonden door het
ressortsparket met het arrondissementsparket.
Tot slot behoeft het antwoord op de vragen 3, 4 en 5 enige aanvulling. In dit antwoord
is opgenomen dat het onderzoek naar de gang van zaken rond het niet voorleggen van
de zaak aan de CEAS niet tot duidelijkheid heeft geleid over de reden daarvoor.
Op basis van informatie, die ik recent van het College van procureurs-generaal heb
ontvangen, is het zeer waarschijnlijk dat de parketleiding van het arrondissementsparket
Amsterdam in 2006 heeft besloten de zaak niet aan de CEAS voor te leggen omdat daar
destijds op grond van het dossier geen aanleiding voor was. Bovendien waren er door
verjaring geen strafvorderlijke mogelijkheden meer tot nader onderzoek.