Vraag 2, 3, 4 en 5
Deelt de mening dat maatwerk leveren een van de leidende principes is bij de verschillende
decentralisaties, dus ook die met betrekking tot de Participatiewet? Zo nee, waarom
niet?
Deelt u de mening dat bedoeld maatwerk (te vertalen als «je inwoners kennen, weten
wie het zijn, wat ze kunnen, wat ze willen en wat er voor nodig is om daar te komen»)
leidend dient te zijn in het kader van het begeleiden van mensen die op een uitkering
zijn aangewezen richting de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet?
Vindt u bijvoorbeeld het zonder rekening te houden met iemands» persoonlijke omstandigheden
iedereen «een week achter de vuilniswagen zetten» een passende vorm van maatwerk?
Zo ja, waarom?
Bent u bereid om in voorkomende gevallen in te grijpen bij gemeenten die bedoeld maatwerk
niet leveren en (onvoldoende) rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van
mensen, net zoals uw collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat heeft aangekondigd?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2, 3, 4 en 5
Ik onderschrijf dat maatwerk leidend principe dient te zijn bij de begeleiding richting
de arbeidsmarkt. Bij de decentralisaties zijn bevoegdheden en taken belegd bij de
gemeente die het dichtst bij de burger staat en de gemeente moet daarbij ruimte hebben
om de uitvoering van de wet af te stemmen op de lokale omstandigheden. Zoals aangegeven
in de brief die de Minister en ik op 14 maart 2016 aan de Tweede Kamer hebben gezonden
over de ministeriele verantwoordelijkheid in het kader van de Participatiewet (Pw),
is vanuit deze visie de decentralisatie gepaard gegaan met een aanzienlijke deregulering
en derapportage en bevat de centrale regelgeving vooral bepalingen waarvan ook door
het parlement is geoordeeld dat differentiatie naar lokale omstandigheden niet wenselijk
is.
In artikel 18 Pw is geregeld dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen
afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De
wijze waarop het college invulling geeft aan deze wettelijke opdracht, is een lokale
aangelegenheid. Ten aanzien van de re-integratievoorzieningen is van belang dat in
artikel 8a Pw is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking
tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht
op arbeidsinschakeling en dat de gemeenteraad hierbij in ieder geval moet bepalen
onder welke voorwaarden de tot de doelgroep behorende personen, en werkgevers van
deze personen, in aanmerking komen voor in de verordening omschreven voorzieningen
en hoe deze voorzieningen evenwichtig over de personen worden verdeeld, rekening houdend
met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat de persoon tot de doelgroep
loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk of een
andere structurele functionele beperking heeft. Blijkens artikel 10 Pw hebben de tot
de doelgroep behorende personen, conform de gemeentelijke verordening, aanspraak op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk
geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder persoonlijke ondersteuning
bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken, indien die persoon zonder
die ondersteuning niet in staat zou zijn die taken te verrichten. Hiermee wordt gemeenten
de ruimte geboden en de verantwoordelijkheid gegeven om bij re-integratieondersteuning
maatwerk toe te passen. De controle op de uitvoering door het college van de lokale
voorschriften, is een taak van de gemeenteraad. In de handhaving daarvan heeft het
Rijk in beginsel geen taak. Alleen indien sprake is van een ernstig onrechtmatig handelen
of nalaten door het college ten aanzien van rijksvoorschriften, kan het Rijk zich
bemoeien met de keuzen die op lokaal niveau worden gemaakt. Met betrekking tot re-integratieactiviteiten
in het kader van de Pw geldt dan ook dat wanneer de gemeentelijke verordening voldoet
aan de bij wet gestelde eisen, de keuzen van het college bij de uitvoering van de
verordening in individuele gevallen geen aanleiding kunnen geven tot ingrijpen door
het Rijk. Een burger die zich in zijn specifieke situatie benadeeld acht door een
beslissing van het college, kan zich daartegen verweren via bezwaar en beroep.
De in de vraag gelegde relatie met de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo 2015) is op zich begrijpelijk, maar behoeft de volgende nuancering. Voor de Wmo
2015 geldt dat de Centrale Raad van Beroep recent enkele uitspraken heeft gedaan die
tot gevolg hebben dat niet alleen de in beroep betrokken gemeenten hun beleid zullen
moeten aanpassen, maar ook een aantal andere gemeenten. In verband hiermee heeft de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toegezegd dat hij nauwgezet
zal volgen dat gemeenten zich aan de door de Centrale Raad van Beroep gestelde grenzen
houden en dat hij zo nodig zal optreden indien dit niet gebeurt.