Vragen van het lid Keijzer (CDA) aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over het bericht «Bijna 40 procent uitzettingen mislukt» (ingezonden 12 mei 2016).

Antwoord van Staatssecretaris Dijkhoff (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 26 mei 2016).

Vraag 1

Bent u bekend met dit bericht en kunt u dit percentage van 40 bevestigen?1

Antwoord 1

Ja, ik ben bekend met dit bericht. Het percentage van 40% is correct, maar ziet niet op het aantal mislukte uitzettingen zoals de titel van het bericht doet vermoeden, maar op het aantal geboekte vluchten dat wordt geannuleerd. Dit is niet helemaal hetzelfde, aangezien de geboekte vluchten niet alleen gedwongen vertrek («uitzetting»), maar ook zelfstandig vertrek behelzen. In het artikel zelf wordt dan ook terecht gesproken over het aantal annuleringen van geboekte vluchten.

Overigens is het niet altijd zo dat een annulering betekent dat een vreemdeling niet vertrekt. Vluchten worden soms geannuleerd omdat de vreemdeling eerder kan vertrekken, bijvoorbeeld als hij zelf een ticket overlegt of omdat hij alsnog zelfstandig vertrekt met IOM. Als de annulering het gevolg is van een nieuwe (asiel)procedure, kan het vertrek soms op een later moment alsnog plaatsvinden als deze procedure is afgerond.

Vraag 2

Deelt u de analyse van de voorzitter van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer dat het hoge percentage mislukte uitzettingen de geloofwaardigheid van het terugkeerproces ondermijnt? Deelt u het oordeel van deze commissie dat bij de huidige stand van zaken het effectief uitzetten van vreemdelingen – mede door alle waarborgen, rechtsregels en rechtshulp – een schier onmogelijke opgave is geworden voor alle bij de uitzetting betrokken medewerkers?2 Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

In zijn reactie op de analyse van de voorzitter van de CITT, concludeerde mijn voorganger dat de stijging van het percentage vreemdelingen dat aantoonbaar was vertrokken van 48% in 2012 naar 51% in 2013, vooral was gelegen in de toename van het aantal personen dat zelfstandig vertrekt. En dat, hoewel het aandeel vreemdelingen dat in 2013 moest worden uitgezet afnam, Nederland wel beter in staat is vreemdelingen aantoonbaar te laten vertrekken. Dit wordt ook door recente gegevens onderschreven. Immers, wanneer nu wordt gekeken naar de (ketenbrede) terugkeercijfers in de Rapportage Vreemdelingenketen over 2014 en 2015, dan blijkt dat het aandeel aantoonbaar vertrek van vreemdelingen die Nederland moeten verlaten verder is gestegen van 53% in 2014 tot 55% in 2015. Deze stijging is het gevolg van een toename van het aantal personen dat zelfstandig vertrekt. Deze ontwikkeling ondersteunt derhalve de eerdere conclusie en sluit goed aan bij het uitgangspunt dat zelfstandig vertrek van de vreemdeling voorop staat.

Vraag 3, 6

Bent u bereid een uitgebreide juridische en praktische analyse te maken van de redenen waarom uitgeprocedeerde vreemdelingen niet uitgezet worden en deze aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?

Herkent u de opvatting van de Dienst Terugkeer en Vertrek dat Europese regels debet zijn aan het hoge percentage mislukte terugkeren? Welke regels zijn dit?

Antwoord 3, 6

Een dergelijke uitgebreide analyse acht ik niet zonder meer noodzakelijk aangezien de uitvoerende diensten deze ontwikkelingen in de dagelijks praktijk volgen en hierover rapporteren. Daarbij is het van belang dat voortdurend wordt getracht knelpunten in de uitzetting van vreemdelingen te identificeren en te verhelpen.

Door inwerkingtreding van de Dublin-Verordening III, kunnen minder vreemdelingen in bewaring worden gesteld, en daarmee beschikbaar worden gehouden voor hun overdracht. Dit blijkt ook uit de Rapportage Vreemdelingenketen 2015 die ik eerder aan uw Kamer heb gestuurd. Hierin wordt vermeld dat dit een belangrijke oorzaak is voor de daling van het aandeel gedwongen vertrek vanuit de werkvoorraad van de Dienst Terugkeer en Vertrek.

Bedacht moet worden dat bij gedwongen vertrek steeds zal moeten worden gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds het belang van de staat om de verwijdering procedureel zo soepel mogelijk te laten verlopen, en anderzijds het belang van de individuele vreemdeling, om te voorkomen dat hij, door administratieve vergissingen of anderszins, wordt uitgezet wanneer dat een schending van de meest fundamentele rechten betekent. In de Procedurerichtlijn worden daartoe de nodige waarborgen gesteld.

Daarnaast moeten herhaalde en last minute asielaanvragen met het enkele doel terugkeer te frustreren, waarbij geen nieuwe elementen en bevindingen aan de orde zijn, zo veel mogelijk worden voorkomen. In de artikelen 9 en 41 van de Procedurerichtlijn wordt voorts een aantal limitatieve gevallen genoemd waarin de behandeling van de asielaanvraag in afwijking van de hoofdregel niet in Nederland mag worden afgewacht.

Zoals ik u reeds meldde in mijn reactie op de vragen van het lid Azmani over de terugkeervluchten (2016Z09082) worden op dit moment voorbereidingen getroffen om de Dublin-verordening en de Procedurerichtlijn te herzien. Inzet hierbij zal zijn om met het oog op verdere verbetering van de effectieve terugkeer van vreemdelingen de procedures met betrekking tot overdracht, uitzetting en bewaring te vereenvoudigen en beter op elkaar af te stemmen. Niet alleen in Nederland maar ook in andere lidstaten, lijkt hiervoor steun te bestaan.

Vraag 4, 5

Wat gebeurt er momenteel met herhaalde asielaanvragen gedaan op de zogeheten «vliegtuigtrap»?

Wat zijn de redenen waarom op het laatste moment voorzieningen getroffen worden door rechters als gevolg waarvan uitzetting niet langer opportuun is?

Antwoord 4, 5

Bij het opstellen van wet- en regelgeving en bij het formuleren van beleid wordt steeds maximaal rekening gehouden met de mogelijkheid dat vreemdelingen proberen terugkeer tegen te gaan door het starten van nieuwe procedures. In het verleden zijn hiervoor verschillende maatregelen getroffen, zoals in 2014 met het invoeren van de ééndagstoets voor opvolgende asielaanvragen. Indien de vreemdeling op het allerlaatste moment een volgende aanvraag indient (een zogenoemde «vliegtuigtrapaanvraag»), wordt hierop meteen gereageerd door het last minute team van de IND. Echter, ook een aanvraag op de vliegtuigtrap zal – zij het kort – moeten worden onderzocht. Als de IND besluit dat met het oog op de artikelen 9 en 41 van eerdergenoemde richtlijn een aanvraag niet mag worden afgewacht, bijvoorbeeld omdat het een derde aanvraag betreft waarbij geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, kan de vreemdeling daartegen opkomen en aan de rechter vragen de uitzetting te verbieden in afwachting van een definitief besluit.

De aard van een door de rechter getroffen voorlopige voorziening of een orde maatregel is die van een tijdelijke voorziening waarmee de stand van de procedure zo veel mogelijk wordt bevroren. Het treffen van een dergelijke maatregel ligt in de rede als de rechter van mening is dat de uitkomst van de procedure onzeker is, en het herstellen van de oorspronkelijke situatie voorzienbaar niet mogelijk is. Bij de uitzetting van een vreemdeling is dit uiteraard al snel aan de orde. In hoeverre de voorzieningenrechter laat meewegen dat aanvraag eerst op het laatste moment wordt gedaan, verschilt per zaak en per geval. Overigens worden dergelijke procedures in grote meerderheid afgewezen. In het overgrote deel van de toegewezen voorlopige voorzieningen, wordt uiteindelijk de asielaanvraag bovendien niet ingewilligd. Dergelijke noties zullen worden betrokken bij de inspanningen om na te gaan welke waarborgen kunnen worden ingebouwd om oneigenlijk gebruik van rechten en misbruik van procedures tegen te gaan.

Vraag 7

Hoeveel dagen van te voren wordt een gedwongen uitzetting aangekondigd aan uitgeprocedeerden?

Antwoord 7

De DT&V maakt in beginsel direct nadat de vluchtdatum en -tijd bekend zijn (schriftelijk) de vluchtdatum en -tijd bekend aan de gemachtigde van de vreemdeling. Uitzonderingen hierop zijn in individuele gevallen mogelijk, bijvoorbeeld als er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich voorafgaand aan de vlucht aan het toezicht zal onttrekken. Als ondergrens wordt in deze gevallen een termijn van 48 uur voor de geplande vluchtdatum en -tijd gehanteerd.

Vraag 8

Klopt het dat wanneer uitgeprocedeerden niet terug willen naar hun land van herkomst dit veelal de reden is waarom landen van herkomst de uitgeprocedeerde vluchteling niet opnemen?

Antwoord 8

De meeste landen van herkomst geven veelal aan geen principiële bezwaren tegen gedwongen terugkeer te hebben. Er zijn slechts een paar landen die weigeren om mee te werken aan gedwongen terugkeer.

Vraag 9

Gaat de regering – al dan niet in Europese gezamenlijkheid – als voorwaarde aan ontwikkelingssamenwerkingsgelden en handelsverdragen opnemen dat landen hun uitgeprocedeerden onderdanen terugnemen ook wanneer deze onderdanen zelf niet willen?

Antwoord 9

De Europese Raad heeft in oktober 2015 de Commissie en de Dienst voor het Externe Optreden opgeroepen voor relevante landen van herkomst op maat gesneden landenpakketten op te stellen waarin alle instrumenten waarover de EU en de lidstaten beschikken als hefboom kunnen worden ingezet om terugkeersamenwerking te verbeteren. Dat geldt dus ook voor ontwikkelingssamenwerking en handel. Uitgangspunt daarbij is een meer-voor-meer benadering, maar indien nodig kan ook negatieve conditionaliteit worden ingezet, aldus de Raad. Op dit moment wordt in EU-verband gewerkt aan de invulling van deze pakketten.

Vraag 10

Kunt u aangeven hoeveel uitgeprocedeerde asielzoekers zijn «vertrokken zonder toezicht» in 2015?3 (H)erkent u dat veel van deze asielzoekers niet daadwerkelijk terugkeren maar in Nederland verblijven in de illegaliteit? Bent u dan ook bereid deze groep (niet) «terugkerende asielzoekers» anders te omschrijven in het volgende jaarverslag, teneinde de Kamer beter zicht te kunnen verschaffen hoeveel vluchtelingen met onbekende bestemming zijn vertrokken en/of niet langer in beeld van de overheid zijn?

Antwoord 10

5.070 mensen zijn in 2015 zonder toezicht vertrokken. Niet valt uit te sluiten dat een gedeelte van deze groep nog illegaal in Nederland verblijft.

Het is overigens niet zo dat elke vreemdeling die in Nederland met onbekende bestemming (mob) vertrekt daarna langdurig in Nederland in de illegaliteit gaat verblijven. Er is zeer wel reden om aan te nemen dat een groot deel van deze vreemdelingen Nederland (alsnog) verlaat. Hiertoe wil ik bijvoorbeeld verwijzen naar de WODC-schatting van het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen dat ik uw Kamer vorig jaar zond (Kamerstuk 2015–2016, 19 637, nr. 2051) waar meerjarig een lichte daling van het aantal illegalen naar voren komt.

Vraag 11

Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg Vreemdelingen- en asielbeleid voorzien op 26 mei a.s?

Antwoord 11

Ja.

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Azmani (VVD), ingezonden 9 mei 2016 (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2653).


X Noot
1

NRC Handelsblad van 4 mei 2016

X Noot
2

Jaarverslag 2013, Commissie Integraal Toezicht Terugkeer, p. 5

X Noot
3

Rapportage Vreemdelingenketen jan-dec 2015, 31 maart 2016

Naar boven