Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over
het bericht «Wie is wie in de Amsterdamse Mocro-oorlog» (ingezonden 11 maart 2016).
Antwoord van Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 22 april 2016).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2224.
Vraag 1
Kent u het bericht «Wie is wie in de Amsterdamse Mocro-oorlog»?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat uit de opsomming van misdrijven in het genoemde bericht en andere
berichten het er meer dan de schijn van heeft dat er binnen de Amsterdamse onderwereld
een groot aantal misdrijven gepleegd waarbij een groot deel van de verdachten of daders
van Marokkaanse afkomst is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Nu de vraagstelling gericht is op lopend onderzoek, kan ik hier geen verdere inhoudelijke
uitspraken over doen.
Vraag 3
Deelt u de mening dat voor het oplossen van deze misdrijven, en wellicht het voorkomen
van nieuwe misdrijven van deze aard, het van grootste belang is dat de recherche in
een informatiepositie verkrijgt, waardoor die beter op de hoogte raakt van wat er
in Marokkaanse criminele kringen aan de hand is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Dat een goede informatiepositie van de recherche – ook binnen Marokkaanse criminele
kringen – van belang is, onderschrijf ik. Op verschillende wijzen (al dan niet heimelijk)
verkrijgt de recherche een beeld van de criminaliteit in het algemeen, dus ook van
de criminaliteit binnen Marokkaanse criminele kringen.
Vraag 4 en 5
In hoeverre krijgen kwalitatief goede agenten van allochtone afkomst de kans om door
te stromen binnen de politie-eenheid Amsterdam? Hoeveel rechercheurs zijn er van allochtone
afkomst (uitgedrukt in een percentage van het totaal)? Hoeveel Marokkaanse familierechercheurs
zijn er?
Hoeveel politieambtenaren van Marokkaanse afkomst zijn betrokken bij de opsporing
van de genoemde misdrijven?
Antwoord 4 en 5
Binnen de politie heeft iedereen gelijke kansen om door te stromen. Wel geldt er sinds
de personele reorganisatie een landelijke vacaturestop, hetgeen de afgelopen jaren
van invloed is geweest op de doorstroommogelijkheden van medewerkers. In zijn algemeenheid
geldt dat, zodra fase 1 van de personele reorganisatie is afgerond, weer medewerkers
geworven kunnen worden en kunnen doorstromen naar andere functies binnen de politieorganisatie.
Het is niet mogelijk aan te geven hoeveel rechercheurs van allochtone afkomst zijn
of hoeveel familierechercheurs van Marokkaanse afkomst zijn, omdat de politie haar
medewerkers niet op etniciteit registreert. De verwerking van gegevens inzake etniciteit
is in beginsel niet toegestaan, mede gelet op het recht op de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer (art. 8 EVRM, art. 10 Grondwet). De politie heeft wel enig inzicht op
de instroom van medewerkers met een allochtone achtergrond, omdat kandidaten bij de
werving en selectie op het sollicitatieformulier op basis van vrijwilligheid kunnen
aangeven of zijzelf en de ouder(s) geboren zijn in het buitenland. Ik zal hier nader
op ingaan bij de eerstvolgende voortgangsrapportage over de vorming van de Nationale
Politie.
Vraag 6
Deelt u de mening dat die informatiepositie substantieel verbeterd kan worden als
er meer politieambtenaren van Marokkaanse afkomst in onderzoeken naar genoemde misdrijven
worden ingezet? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
De betrokkenheid van politieambtenaren met een niet-Nederlandse achtergrond heeft
zeker meerwaarde in onderzoeken. De politie realiseert zich als geen ander dat een
divers samengestelde politieorganisatie een voorwaarde is om het werk nu en in de
toekomst goed te kunnen blijven doen. Dat geldt voor alle politietaken.
Met het programma «Kracht van het verschil» investeert de politie de komende jaren
actief in de diversiteit van de organisatie. Er worden maatregelen genomen om de diversiteit
te vergroten zoals het gericht werven bij (doel)groepen die ondervertegenwoordigd
zijn in de organisatie. Ook worden maatregelen genomen gericht op het behoud van medewerkers
zoals de ontwikkeling van een cultuur waarbij verschillen erkend en gewaardeerd worden.
Te denken valt ook aan bijeenkomsten waar medewerkers met elkaar aan een veiliger
werkklimaat werken en de alertheid van leidinggevenden en vertrouwenspersonen op ongewenst
gedrag.
In voornoemde eerstvolgende voortgangsrapportage over de vorming van de Nationale
Politie zal ik conform de motie van de leden Recourt en Berndsen van 10 september
20152 ingaan op de versterking van diversiteit en het diversiteitsbewustzijn in de politieorganisatie.
Vraag 7
Is het waar dat in het personeelsbeleid ten aanzien van de doorstroming van agenten
naar hogere posities de anciënniteit van hun aanstelling voor de benodigde competenties
gaat? Zo ja, waarom is dat? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Antwoord 7
Bij de selectie van medewerkers naar hogere posities binnen de politieorganisatie
worden werkervaring, (management)vaardigheden en (diversiteits)competenties alle meegewogen.
Het is niet zo dat de anciënniteit daarin de bepalende factor is. Wel speelt werkervaring
een rol bij de beoordeling of iemand geschikt is voor de betreffende functie.