Vragen van het lid Van Raak (SP) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over het bericht dat de technocraten van het CPB het financiële lot van gemeentes
bepaalt (ingezonden 23 februari 2016).
Antwoord van Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens
de Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 16 maart 2016).
Vraag 1
Onderschrijft u de uitkomst van het onderzoek, gedaan door Binnenlands Bestuur, dat
er uiteindelijk honderden miljoenen euro's meer zijn bezuinigd op gemeenten dan mogelijk
was volgens het CPB? Zo nee, waarom niet?1
Antwoord 1
Het CPB heeft in zijn Nadere informatie doorrekening verkiezingsprogramma’s uit mei 2012 voor deze kabinetsperiode een maximale ombuigingsruimte voor het apparaat
van decentrale overheden vastgesteld van structureel € 1,2 miljard in 2017 (excl.
decentralisaties in het sociaal domein). Deze ruimte is door veel politieke partijen,
waaronder de SP, volledig overgenomen in hun verkiezingsprogramma’s. Het kabinet heeft
deze ruimte in zijn regeerakkoord verwerkt.
Bij de start van deze kabinetsperiode werd het accres voor de periode 2013–2017 geraamd
op € 1,3 miljard. Dat betekent dat het gemeentefonds en provinciefonds op basis van
die raming met € 1,3 miljard zouden zijn toegenomen aan het einde van de kabinetsperiode.
In de Miljoenennota 2016 is de meest actuele stand van de accresraming opgenomen.
Momenteel wordt voor deze kabinetsperiode een toename van het gemeentefonds en provinciefonds
verwacht van € 800 miljoen. Dat betekent een cumulatieve neerwaartse bijstelling van
€ 500 miljoen sinds aanvang kabinetsperiode.
Deze bijstelling is voor ongeveer de helft het gevolg van lagere loon- en prijsontwikkelingen
dan waar bij de start van deze kabinetsperiode van werd uitgegaan. Tegenover deze
lagere loon- en prijsontwikkelingen staan lagere kosten voor gemeenten waardoor deze
bijstellingen niet hoeven te leiden tot reële bezuinigingen. Daarnaast zijn de accressen
neerwaarts bijgesteld als gevolg van de noodzaak voor aanvullende bezuinigingen in
2013 en 2014 (o.a. het € 6 miljard pakket). Om te kunnen voldoen aan de correctieve
arm van het Stabiliteits- en Groeipact is besloten de prijsbijstelling 2013 en 2014
niet uit te keren en een korting door te voeren op de loonruimte 2014. Dit werkt negatief
door in het accres voor het gemeentefonds en provinciefonds.
Vraag 2
Vindt u de berekeningen van het CPB betrouwbaar genoeg om in de toekomst uw beleid
op te bepalen? Zo ja, hoe gaat u dan voorkomen dat deze fouten in de toekomst weer
gemaakt worden?
Antwoord 2
Er is geen sprake van foutieve berekeningen van het CPB. Elk nieuw kabinet heeft een
raming nodig om zijn beleid, vervat in het regeerakkoord, op te kunnen baseren. Die
raming stoelt op de op dat moment beschikbare informatie. In de loop van een kabinetsperiode
kunnen de inzichten in bijvoorbeeld de loon- en prijsontwikkeling wijzigen.
Vraag 3
Had het CPB volgens u rekening moeten houden met de aanpassing van het accres, waardoor
de bezuiniging op gemeenten uiteindelijk € 759 mln. hoger uitvalt dan in eerste instantie
was berekend? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is de ombuiging over de hele kabinetsperiode
bezien circa € 500 miljoen hoger uitgevallen en niet € 759 miljoen.
Voorts is de normeringssystematiek van het gemeentefonds en provinciefonds – «samen
de trap op, samen de trap af» – gebaseerd op een bestuurlijke afspraak tussen het
Rijk, de VNG en het IPO. Inherent aan deze afspraak is dat actuele ontwikkelingen
op de rijksbegroting doorwerken naar gemeenten en provincies. Als de ontwikkeling
van lonen en prijzen anders uitvalt dan bij de start van de kabinetsperiode is geraamd,
zie antwoord op vraag 1, leidt dit tot een wijziging van het accres. Ook andere ontwikkelingen
die het CPB bij de start van dit kabinet niet heeft kunnen voorzien, zoals de noodzaak
om te komen tot aanvullende bezuinigingen, hebben effect op het accres. Tenslotte
kan er sprake zijn van aanvullend beleid dat niet voorzien was bij Regeerakkoord.
Vraag 4
Verwacht u nog meer tegenvallers door foutieve berekeningen van het CPB?
Antwoord 4
Zoals gezegd is er geen sprake van foutieve berekeningen.
Vraag 5
Gaat u gemeenten compenseren voor deze hoger uitgevallen bezuiniging, die er toe heeft
geleid dat gemeenten nog meer hebben moeten bezuinigen op essentiële zaken zoals bijvoorbeeld
zorg, armoedeondersteuning of veiligheid?
Antwoord 5
Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven, heeft het lagere accres voor de helft
een achtergrond in een lagere loon- en prijsontwikkeling en voor de helft in extra
ombuigingen door het kabinet. Hiervoor geldt dat er een bestuurlijke afspraak ligt
over de normering van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Volgens de evenredigheidsgedachte
achter de normeringssystematiek delen het Rijk en gemeenten en provincies in extra
uitgaven als het goed gaat maar ook in extra ombuigingen in slechte jaren zoals in
2013 en 2014. De uitkomst van de normeringssystematiek, het accres, kan meevallen
maar kan ook – zoals de afgelopen jaren het geval was – tegenvallen.