Vragen van het lid Voortman (GroenLinks) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de schending van privacy door gemeenten in de jeugdzorg (ingezonden
8 januari 2016).
Antwoord van Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
1 maart 2016). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1342.
Vraag 1
Waarom heeft u in reactie op eerdere vragen over de schending van privacy door gemeenten
in de jeugdzorg geen antwoord gegeven op de vraag hoeveel gemeenten sinds de decentralisatie
van de jeugdzorg per 1 januari 2015 onrechtmatig hebben gehandeld door persoonsgegevens
te vragen die niet voorkomen in de limitatieve opsomming in artikel 10.4 lid 3 van
de Jeugdwet?1
Vraag 2
Waarom heeft u in reactie op die eerdere vragen ook geen antwoord gegeven op de vraag
hoeveel gemeenten sinds de decentralisatie van de jeugdzorg per 1 januari 2015 strijdig
hebben gehandeld met het beroepsgeheim, in gevolge artikel 21 lid 2 van de Wet bescherming
persoonsgegevens?2
Vraag 3
Wordt er überhaupt wel door de u bijgehouden hoeveel gemeenten de privacyregels in
de jeugdzorg overtreden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom verstrekt u deze gegevens
niet, nu daar vanuit de Kamer om wordt gevraagd?
Antwoorden 1, 2 en 3
Artikel 10.4, derde lid, van de Jeugdwet regelt de eenmalige overdracht van persoonsgegevens
in het kader van de overgang naar het nieuwe stelsel onder de Jeugdwet en is nader
uitgewerkt in de Regeling gegevensoverdracht in verband met de invoering van de Jeugdwet
(Staatscourant 2014 nr. 28768). Bij deze gegevensoverdracht zijn niet meer persoonsgegevens verstrekt dan wettelijk
toegestaan en is geen sprake geweest van onrechtmatig handelen. Ik heb niet in beeld
of, en zo ja, hoeveel gemeenten persoonsgegevens hebben gevraagd die niet voorkomen
in de limitatieve opsomming in artikel 10.4, derde lid, van de Jeugdwet, aan individuele
instellingen of zorgkantoren. Evenmin heb ik in beeld of, en zo ja, hoeveel gemeenten
sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet strijdig hebben gehandeld met de geheimhoudingsverplichting
als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Ik
houd daar geen gegevens van bij. Het toezicht hierop is immers in eerste instantie
lokaal geregeld en daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (voorheen bekend als
het College bescherming persoonsgegevens) de toezichthouder inzake de naleving van
de wettelijke bepalingen inzake de verwerking van persoonsgegevens.
Het college van burgemeester en wethouders is primair verantwoordelijk om ervoor te
zorgen dat de gemeente voldoet aan de (wettelijke en in de gemeente afgesproken) vereisten
ten aanzien van informatiebeveiliging en privacybescherming. De gemeenteraad ziet
hier op toe. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt vanuit de wettelijke kaders toezicht
op de vraag of de gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen voldoen
aan de beveiligingseisen en de privacywetgeving. Wanneer het gaat om het schenden
van het beroepsgeheim door geregistreerde professionals, zijn de tuchtcolleges bevoegd
daarover op basis van een tuchtklacht een oordeel te vormen en eventueel een sanctie
uit te spreken.
Vraag 4
Waarop baseert u dat gemeenteraden, in bijzonder de gemeenteraden van kleine gemeenten,
voldoende in staat zijn om toe te zien op de naleving van privacyregels door het gemeentebestuur?
Vraag 5
Klopt het dat, indien de gemeenteraad niet in staat zou blijken afdoende toezicht
te voeren op de naleving van privacyregels door gemeenten, hier dus geen toezicht
op plaatsvindt? Zo ja, acht u dit wenselijk?
Antwoorden 4 en 5
Gemeenteraden zijn democratisch gelegitimeerd. Zij worden bevolkt door gekozen volksvertegenwoordigers.
Op grond daarvan en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van gemeenten voortvloeiend
uit de Grondwet en de Gemeentewet, voeren gemeenten hun wettelijke taken zelfstandig
uit. In die zin acht ik gemeenteraden, ook die van kleine gemeenten, zeer wel in staat
om zorg te dragen voor toezicht op de naleving van privacyregels door het gemeentebestuur.
Desalniettemin kan het Rijk op grond van de Gemeentewet – in het kader van interbestuurlijk
toezicht – toezicht houden op het gemeentebestuur. Het specifieke toezicht op de naleving
van de wettelijke bepalingen inzake de verwerking van persoonsgegevens wordt gehouden
door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Vraag 6
Klopt het dat u niet voornemens bent om extra maatregelen te nemen rond de borging
van privacy bij de uitvoering van de jeugdzorgtaak door gemeenten? Zo ja, waarom niet?
Zo nee, welke extra maatregelen neemt u dan, naast de door u reeds genoemde masterclasses
en folders?
Antwoord 6
De goede bescherming van persoonsgegevens begint bij een duidelijk wettelijk kader,
maar zal vooral in de dagelijkse uitvoering gestalte moeten krijgen. De maatregelen
om de privacy te borgen zijn niet beperkt tot de eerdergenoemde masterclasses Privacy
3D en Jeugdwet en de Privacy Informatie Folder. Daarnaast ondersteun ik het programma
Informatievoorziening Sociaal Domein dat door de VNG en zes brancheorganisaties (Actiz,
Branchebelang Thuiszorg Nederland, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, GGZ Nederland,
Federatie Opvang en Jeugdzorg Nederland) wordt uitgevoerd. Ondersteuning van gemeenten
en zorgaanbieders bij betere borging van de privacy van betrokkenen is daarin een
belangrijk onderdeel.
X Noot
1Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 928
X Noot
2Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 928