Vragen van het lid Knops (CDA) aan de Ministers van Algemene Zaken, Buitenlandse Zaken
en Defensie over «Toenemende twijfels over neerhalen Russisch gevechtsvliegtuig door
Turkije» (ingezonden 20 januari 2016).
Antwoord van Minister Koenders (Buitenlandse Zaken), de Minister van Defensie, mede
namens de Minister-President (Algemene Zaken) (ontvangen 15 februari 2016).
Vraag 1
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het neerhalen van een Russisch
gevechtsvliegtuig door Turkije?1
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van het artikel «The real reason for Turkey’s shoot-down of
the Russian jet» van onderzoeksjournalist Gareth Porter?2
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de analyse van Porter dat Turkije niet de waarheid vertelt over het
neerhalen van de Russische Su-24?
Antwoord 3
Zoals ook in antwoord op vraag 6 van uw vorige set Kamervragen is gesteld (Aanhangsel
bij de Handelingen Tweede Kamer 2015–2016, nr. 1136) kunnen op grond van een enkele variabele geen conclusies worden getrokken. Het kabinet
beschikt niet over informatie die de lezing van Porter ondersteunt.
Vraag 4, 5, 6
Hoe beoordeelt u de nadere analyse van zowel Turkse als Russische radarbeelden van
de vliegroute van de neergeschoten Su-24, dat het eerste moment waarop de Su-24 zich
mogelijk richting het Turkse luchtruim begaf, ongeveer 16 mijl vanaf de Turkse grens
was, hetgeen betekent dat het ongeveer 1 minuut en 20 seconden van het Turkse luchtruim
verwijderd was?
Hoe beoordeelt u bovendien de analyse – eveneens op basis van radarbeelden van Turkije
en Rusland – dat de Su-24 vijf minuten voor het neerschieten juist in tegengestelde
richting van de Turkse grens vloog, namelijk in oostelijke richting?
Hoe verhoudt zich deze analyse tot de bewering van Turkije dat het de Su-24 in vijf
minuten tijd tien keer gewaarschuwd zou hebben voordat het toestel neerhaalde?
Antwoord 4, 5, 6
Op grond van uitsluitend de beelden die door Rusland en Turkije naar buiten zijn gebracht
kan de exacte toedracht van het incident niet worden nagegaan.
Vraag 7
Blijft u in het licht hiervan en de vele eerdere vragen over de toedracht van het
incident, nog steeds van mening dat er «geen reden is te twijfelen aan de Turkse lezing
van de gebeurtenissen»? Zo ja, hoe geloofwaardig vindt u het om dit vol te blijven
houden?
Antwoord 7
De Secretaris-Generaal van de NAVO heeft meerdere malen gesteld de lezing van Turkije
bevestigd te zien door de analyse van diverse bondgenoten. Voor het overige verwijs
ik u naar de antwoorden op de vorige set van Kamervragen (Aanhangsel bij de Handelingen
Tweede Kamer 2015–2016, nr. 1136).
Vraag 8, 9
Kunt u uw eerdere antwoord «het kabinet beschikt niet over andere informatie» nader
toelichten? Moet hieruit worden geconcludeerd dat u zich bij de beoordeling van het
neerhalen van de Su-24 uitsluitend baseerde op de uitleg van Turkije en de beoordeling
daarvan door enkele andere NAVO-lidstaten, alsmede uitspraken van de Secretaris-Generaal
van de NAVO?3
Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de uitspraak van de Minister-President dat «de Nederlandse
inlichtingen (en die van andere NAVO-landen) bevestigen wat Turkije in de NAVO naar
voren heeft gebracht»?
Antwoord 8, 9
Met de woordkeuze «het kabinet beschikt niet over andere informatie» doelde het kabinet
er op dat het geen overtuigende informatie heeft die afwijkt van de beoordeling en
lezing van andere NAVO-lidstaten over de toedracht van het incident. Het gaat hier
om een samengesteld beeld. De Minister-President doelde in dit verband op de openbare
informatie van de SG NAVO: «The Allied assessments we have got from several Allies
during the day are consistent with information we have been provided with from Turkey».4
Vraag 10, 11
Beschikte Nederland op dat moment over eigen inlichtingen die het verhaal van Turkije
bevestigden?
Zo nee, waarom heeft de Minister-President deze uitspraak dan gedaan?
Antwoord 10, 11
Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de informatiepositie of bronnen
van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Vraag 12
Bent u nu wel bereid tot nadere eigenstandige analyse van het incident, te pleiten
voor internationaal onderzoek, dan wel opheldering te vragen bij Turkije en bondgenoten?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Zoals ook in de vorige set Kamervragen (Aanhangsel bij de Handelingen Tweede Kamer
2015–2016, nr. 1136) is toegelicht, schaart het kabinet zich achter de verklaring van de Secretaris-Generaal
van de NAVO op 24 november 2015, waarin wordt aangedrongen op de-escalatie en overleg
tussen Rusland en Turkije. De NAVO ziet geen aanleiding tot het starten van een internationaal
onderzoek. Het kabinet volgt deze lijn. Turkije heeft geen beroep gedaan op artikel
4 of 5 van het NAVO-verdrag.
X Noot
1Aanhangsel bij de Handelingen Tweede Kamer 2015–2016, nr. 1136.
X Noot
3Zie noot 1, antwoord op vraag 9