Vragen van het lid Bisschop (SGP) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de berichtgeving van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) over de gewichtenregeling (ingezonden 26 augustus 2015)

Antwoord van Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 30 september 2015)

Vraag 1

Bent u bekend met de berichtgeving van DUO over de gewichtenregeling?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u toelichten waarom de normen van de gewichtenregeling volgens u formeel noch inhoudelijk zijn gewijzigd, wanneer de controle volgens de voorlichting van DUO vanaf 1 januari 2015 tot specifieke modellen wordt beperkt?2

Antwoord 2

Het gebruik van het verplichte ouderformulier is met ingang van 1 januari 2015 een formeel vereiste voor de vaststelling van een gewicht. De inhoudelijke criteria voor de toekenning van een gewicht zijn niet gewijzigd. In maart 2014 heb ik uw Kamer over deze maatregel geïnformeerd.3

Vraag 3

Wat is uw reactie op de ervaring van professionals in het onderwijs dat buitenlandse ouders met een beperkt ontwikkelingsniveau, sinds het beperken van de controle tot het standaardformulier en de bijbehorende landeninformatie, niet langer in aanmerking komen voor aanvullende bekostiging, terwijl de onderwijsachterstanden onverminderd aanwezig zijn? Op welke gronden wordt het advies van de Onderwijsraad om etniciteit een plaats te geven in de gewichtenregeling niet verwerkt, terwijl uit onderzoek en ervaring van professionals blijkt dat dit een belangrijke rol vervult?4

Antwoord 3

De aanvullende bekostiging op grond van de gewichtenregeling is voor buitenlandse én Nederlandse kinderen niet gebaseerd op het ontwikkelings-, maar op het opleidingsniveau van hun ouders. Invoering van het nieuwe formulier heeft deze grondslag niet gewijzigd.

Ik heb uw Kamer in 2014 mijn reactie gegeven op het advies van de Onderwijsraad. Een herintroductie van etniciteit – nadat deze indicator in 2006 is losgelaten – vind ik omwille van de volgende redenen niet wenselijk. Het gebruik van etniciteit als indicator werkt stigmatiserend door deze structureel aan achterstanden te koppelen. Het onderscheid tussen autochtonen en allochtonen is in de loop der jaren steeds diffuser geworden. Dat het CBS derde generatie immigranten als autochtonen aanmerkt, draagt hieraan bij. Juist deze groep – vooral in de basisschoolleeftijd – is snel groeiende. Bij een keuze voor etniciteit zou voor autochtone achterstandsleerlingen nog een andere indicator moeten worden bepaald. Een extra indicator naast etniciteit zou echter de complexiteit van de regeling vergroten.

Vraag 4

Op basis van welke gegevens blijkt dat de daling van het aantal gewichtenleerlingen het gevolg is van drie factoren, namelijk het stijgende opleidingsniveau van ouders, de autonome daling van het aantal leerlingen en fouten van scholen? Op welke wijze kunt u uitsluiten dat de daling van het aantal gewichtenleerlingen niet ook te maken heeft met het feit dat scholen de afgelopen periode strikt gehouden worden aan de modellen van DUO, waarin het veronderstelde opleidingsniveau van ouders hoger kan zijn dan in de praktijk aannemelijk blijkt?

Antwoord 4

De daling van de gewichtenleerlingen is het gevolg van de daling van het totaal aantal leerlingen en een stijging van opleidingsniveau van ouders. Het doel van het verplichte formulier is om de fouten in de gewichtenregeling te verminderen. Dit gaat zowel om de fouten waarbij onterecht geen leerlinggewicht wordt vastgesteld, als om fouten waarbij onterecht wel een (te hoog) leerlinggewicht wordt vastgesteld. Voor het primair onderwijs is het aantal leerlingen dat voldoet aan de huidige criteria voor achterstandsmiddelen gepresenteerd in onderstaande tabel. De daling van het aantal gewichtenleerlingen gaat harder dan de autonome daling van het totaal aantal leerlingen.

Jaar

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal gewichtenleerlingen

203.000

196.000

187.000

174.000

160.000

147.000

Bron: Jaarverslag 2014 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De prognose tot 2020 van het aantal leerlingen dat voldoet aan de huidige criteria voor achterstandsmiddelen in het primair onderwijs wordt weergegeven in onderstaande tabel.

Jaar

2015

2016

2017

2018

2019

Aantal gewichtenleerlingen

142.000

137.000

134.000

131.000

128.000

Bron: Rijksbegroting 2015 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De eerste effecten van de nieuwe formulieren zijn pas te verwachten op basis van de leerlingentelling met peildatum 1 oktober 2015, en betreffen alleen de vanaf 1 januari 2015 nieuw ingestroomde leerlingen.

Vraag 5

Wat is in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid uw oordeel over het feit dat Nederlandse kinderen doorgaans op vierjarige leeftijd naar de basisschool gaan, terwijl dat in veel andere landen vaak op de leeftijd van 6, 7 of zelfs 8 acht jaar gebeurt? Op welke wijze wordt in de modellen rekening gehouden met dit, voor de ontwikkeling van jonge kinderen, wezenlijke verschil?

Antwoord 5

Het SBB stelt onafhankelijk en op basis van hun expertise vast wat het opleidingsniveau is behorend bij het schoolsysteem in verschillende landen. Zij houden in het verplichte formulier rekening met het schoolsysteem van de landen, en de onderwijstijd die daarmee gepaard gaat. Op basis van hun expertise maken zij dit opleidingsniveau vergelijkbaar met het Nederlandse schoolsysteem, om zo een correcte inschatting te maken van het gewicht van een leerling.

Vraag 6

Kunt u toelichten waarom in Nederland voor het vaststellen van een leerlingengewicht onderscheid gemaakt wordt tussen de leerwegen in het beroepsonderwijs, terwijl ten aanzien van het vervolgonderwijs in Polen geen niveauverschil wordt gehanteerd? Welke gegevens wijzen erop dat het Poolse vervolgonderwijs alleen leerlingen kent met een niveau dat vergelijkbaar is met het volgen van twee jaar theoretische leerweg of hoger?

Antwoord 6

De niveaus zoals behaald in de verschillende nationale onderwijsstelsels worden vastgesteld door het SBB. Op basis van hun expertise maken zij andere nationale onderwijsstelsels, waaronder het Poolse onderwijsstelsel, vergelijkbaar met het Nederlandse onderwijsstelsel, om zo een correcte inschatting te maken van het gewicht van een leerling.

Vraag 7

Hoe verklaart u dat volgens de ouderverklaringen van DUO alleen in Nederland, Eritrea en Suriname leerlingen van 16 of 17 jaar in categorie 2 kunnen vallen, terwijl in de ouderverklaringen van alle andere landen iedereen die het reguliere onderwijs tot en met de leeftijd van 15 jaar heeft gevolgd in categorie 3 valt? Welke aanwijzingen zijn er dat vergelijkingen tussen onderwijsstelsels uit verschillende landen werkelijk op kwalitatieve maatstaven berusten?

Antwoord 7

Op basis van hun expertise maakt het SBB andere nationale onderwijsstelsels vergelijkbaar met het Nederlandse onderwijsstelsel, om zo een correcte inschatting te maken van het gewicht van een leerling. Bij de beoordeling van onderwijssystemen uit andere landen gaat het SBB uit van opleidingen die door de overheid in die landen erkend zijn. Hierdoor is de kwaliteit van de opleidingen gewaarborgd.

Vraag 8

Is het nog steeds zo dat er een vuistregel is om te bepalen aan hoeveel kinderen in een gemeente eigenlijk voorschoolse educatie zou moeten worden geboden? Zo ja, bent u van mening dat deze vuistregel zou moeten aansluiten bij het verdeelmechanisme voor de middelen ten behoeve van het onderwijsachterstandenbeleid?

Antwoord 8

Nee, er is geen vuistregel. De inspectie hanteert een norm voor alle gemeenten.5 Deze norm sluit aan bij de leerlinggewichten. Het minimaal aantal benodigde kindplaatsen wordt berekend volgens de gewichtenformule: 75 procent van het aantal 4- en 5-jarigen in de gemeente met een leerlinggewicht (DUO gegevens) op teldatum 1 oktober 2009.


X Noot
2

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2580

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 750 VIII, nr. 98

X Noot
4

Onderwijsraad, Vooruitgang boeken met achterstandsmiddelen, 2013.

X Noot
5

Toezichtkader voor- en vroegschoolse educatie gemeenten, Inspectie voor het Onderwijs, oktober 2013.

Naar boven