Vragen van de leden Voortman (GroenLinks), Sjoerdsma (D66) en Gesthuizen (SP) aan
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over het bericht van de uitzetting
van twee kinderen (ingezonden 31 augustus 2015)
Antwoord van Staatssecretaris Dijkhoff (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 24 september
2015)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht op de website van EénVandaag: «Glaucio
(13) en Marcia (18) worden uitgezet»?1
Vraag 2, 3, 6, 7, 9, 10 en 11
Wat is de reden dat u dit gezin heeft vastgezet in de gesloten gezinsvoorziening in
Zeist, gelet op het feit dat het gezin zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken
en sinds enkele weken reeds verbleef in een gezinslocatie waar hun vrijheid al werd
beperkt?
Bent u bereid om het gezin in vrijheid te stellen omdat niet is voldaan aan het ultimum-remediumbeginsel
(artikel 37 VN-Kinderrechtenverdrag) en er alternatieven voor de inbewaringstelling
voor handen zijn?
Bent u bereid om ook Márcia en Gláucio hun hogerberoepsprocedure af te laten wachten
in Nederland, mede gelet op het feit dat zij een zeer vergelijkbare procedure voeren?
Kunt u aangeven in hoeveel kinderpardonprocedures er een beroep is gedaan op het tienjarenbeleid
voor gezinsleden van 1F-ers? Klopt het dat het slechts om 2 of 3 gezinnen gaat?
Bent u er mee bekend dat het verstrekken van een vergunning aan Márcia, Gláucio en
hun moeder, niet betekent dat u hiermee tevens verblijfsrecht aan vader hoeft te verlenen?2
Klopt het dat de familie van Márcia en Gláucio al bijna vijftien jaar in Nederland
woont en gedurende die periode altijd in beeld van de Nederlandse autoriteiten is
geweest? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat de familie lange tijd niet door Nederland
is uitgezet en dat dit nu in het zicht van een uitspraak in hun kinderpardonprocedure
alsnog met veel haast dreigt te gebeuren?
Hoe verhoudt deze uitzetting zich tot de in de Jeunesse-zaak geformuleerde criteria
dat altijd moet worden beoordeeld of een uitzetting uitvoerbaar, haalbaar en proportioneel
is gelet op de belangen van de betrokken kinderen?3
Antwoord 2, 3, 6, 7, 9, 10 en 11
Zoals bekend, is het gezin in vrijheid gesteld. Voor het overige ga ik niet in op
(de afwegingen in) individuele zaken.
Vraag 4
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen)
van 5 december 2014 over een gezin in een vergelijkbare zaak?4
Antwoord 4
Ik ben bekend met deze uitspraak.
Vraag 5
Klopt het dat gezinnen in gevolge deze uitspraak de hoger beroepsprocedure in Nederland
mogen afwachten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, dat klopt niet. In algemene zin geldt dat als een door de vreemdeling ingesteld
beroep gegrond wordt verklaard de Staat daartegen in hoger beroep kan gaan. De uitkomst
daarvan mag in dat geval in beginsel in Nederland worden afgewacht. Dat geldt echter
niet wanneer het door de vreemdeling ingestelde beroep niet gegrond is verklaard en
de vreemdeling tegen die uitspraak in hoger beroep gaat.
Vraag 8
Kunt u aangeven waarom het 10-jarenbeleid voor gezinsleden van 1F-ers niet op het
Kinderpardon van toepassing is? Klopt het dat dit nergens expliciet kenbaar is gemaakt?
Antwoord 8
De regeling langdurig verblijvende kinderen (RLVK) is een begunstigende regeling.
Het belang van het kind wordt hierin afgewogen tegen andere maatschappelijke belangen,
waaronder het belang van bescherming van de openbare orde. In het Regeerakkoord is
in dit kader expliciet verwezen naar 1F’ers en hun gezinsleden: «Geen vergunning op
grond van deze regeling wordt verleend aan een vreemdeling die een zwaar delict heeft
begaan
of aan wie is tegengeworpen dat hij oorlogsmisdaden heeft begaan en evenmin aan zijn
gezinsleden.» Dit is leidend geweest bij de nadere uitwerking van de RLVK.
Overigens is ten aanzien van bijna alle voorwaarden en contra-indicaties van de regeling
als uitgangspunt genomen dat deze doorwerken op het hele gezin. Daarmee neemt de regeling
de eenheid van het gezin als uitgangspunt.
In de paragraaf in de Vreemdelingencirculaire over de RLVK staat expliciet vermeld
dat voor het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen verjaringstermijn
geldt. Daarnaast is uitdrukkelijk vermeld dat de genoemde verjaringstermijn van vijf,
respectievelijk tien jaar niet van toepassing is indien er sprake is van ernstige
redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig
heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Daarmee is helder dat het tienjaren beleid niet van toepassing is, zoals de rechtbank
Den Haag (zittingsplaats Arnhem) bevestigt in de uitspraak van 17 februari 2015.
Vraag 12
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat tot uitzetting van het betrokken gezin wordt
overgegaan (naar verwachting op 4 september a.s.)? Zo nee, waarom niet?
X Noot
2ABRvS, 6 maart 2012, 201005037/1/V4
X Noot
3Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10