Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over
de effecten van het gebruik van landbouwgif op drinkwaterwinning (ingezonden 11 november
2014).
Antwoord van Staatssecretaris Mansveld (Infrastructuur en Milieu), mede namens de
Staatssecretaris van Economische Zaken (ontvangen 17 december 2014).
Vraag 1
Wat vindt u van de conclusie die in het Alterra-rapport 2542 «Ecologische gevolgen
van bollenteelt op de Veluwe» getrokken wordt dat, vanwege het hoge gebruik van chemische
bestrijdingsmiddelen, de teelt van bollen, waaronder lelies, significante schadelijke
gevolgen kan hebben voor natte delen van Natura2000-gebieden?1
Antwoord 1
Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt
individuele middelen in een bepaalde teelt gedurende het teeltseizoen aan de hand
van internationaal vigerende toetsingskaders op tal van aspecten. Eén van deze aspecten
is het effect op niet-doelwit organismen. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar risico’s
voor deze organismen binnen het toepassingsgebied, maar ook naar risico’s voor deze
organismen buiten het toepassingsgebied. Dit kunnen bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden
zijn. Voor het bepalen van deze risico’s wordt uitgegaan van een «realistic worst
case» scenario en het beschermen van kwetsbare soorten («vulnerable focal species»).
De keuze van de kwetsbare soort is afhankelijk van het specifieke beschermdoel.
Het Ctgb kijkt tijdens de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen nog niet naar
de effecten van de toepassing van het totaal van middelen dat in een bepaalde teelt
gedurende het teeltseizoen wordt toegepast. Om te voorkomen dat dit tot een onderschatting
van het daadwerkelijke milieurisico zou kunnen leiden, hanteert het Ctgb een veiligheidsmarge.
De beoordeling leidt alleen tot een toelating van individuele middelen als er geen
onacceptabele risico’s zijn voor niet-doelwit organismen. Bij goed landbouwkundig
gebruik zijn de risico’s van individuele middelen voor niet-doelwit organismen daarmee
aanvaardbaar.
Vraag 2
Deelt u de volgende conclusie van de onderzoekers: «de potentiele effecten voor waterleven,
bodemleven, vogels en door uitspoeling naar het grondwater, afgemeten aan het bestrijdingsmiddelengebruik
op een gemiddeld Nederlands bloembollenperceel in 2008 zijn allen groter dan de potentiële
effecten op een zelfde perceel met aardappels, granen of maïs»?
Antwoord 2
De hoeveelheid actieve stof die per hectare wordt toegediend is in principe niet relevant.
Relevant is de daadwerkelijke blootstelling van de kwetsbare organismen aan gewasbeschermingsmiddelen,
omdat er zonder blootstelling géén effect is. Blootstelling en effect neemt het Ctgb
mee in zijn risicobeoordeling (zie het antwoord op vraag 1).
Vraag 3
Deelt u de mening dat deze conclusie ook gevolgen zou moeten hebben voor de teelt
van bollen en andere gif-intensieve gewassen in en rond drinkwaterwinningsgebieden?
Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit rapport? Zo nee, welke wetenschappelijke
onderbouwing heeft u hiervoor?
Antwoord 3
De onderzoekers van Alterra concluderen dat door het hogere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
op bollenpercelen de kans op negatieve effecten op de natuurwaarden op de Veluwe waarschijnlijk
groter is dan bij aardappels, granen of maïs. Ook concluderen de onderzoekers dat
in deze studie niet is vastgesteld hoe groot het risico van de bollenteelt op de Veluwe
daadwerkelijk is.
Bij de toelatingsaanvragen worden ook effecten op drinkwaterwingebieden beoordeeld.
Mocht daaruit blijken dat voor de toelating in of bij deze gebieden gebruiksbeperkingen
nodig zijn, dan worden deze opgenomen in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift van het
betreffende middel.
Omdat de studie van Alterra niet aangeeft hoe groot het risico van de bollenteelt
op de Veluwe daadwerkelijk is en omdat bij de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen
de risico’s voor drinkwaterwingebieden worden beoordeeld, hebben de conclusies uit
het Alterrarapport geen gevolgen voor de bollenteelt in en rond drinkwaterwingebieden.
Vraag 4
Deelt u de mening dat de vaststelling van de onderzoekers, dat het hoge gebruik van
chemische bestrijdingsmiddelen nadelige gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelen
van Natura2000 gebieden, naar alle waarschijnlijkheid ook opgaat voor de doelen van
de Kaderrichtlijn Water? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke gegevens
baseert u zich? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Antwoord 4
Zoals in het antwoord op vraag 3 is beschreven, is niet vastgesteld hoe groot het
risico van de bollenteelt op de Veluwe daadwerkelijk is. Daarnaast geldt ook voor
oppervlaktewater dat de risico’s daarvoor bij de toelating worden beoordeeld. Het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal daarom geen nadelige gevolgen hebben voor
de doelen van de Kaderrichtlijn Water.
Vraag 5
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het Wetgevingsoverleg Water op 17 november
2014 te beantwoorden?
Antwoord 5
Helaas was het niet mogelijk om de vragen te beantwoorden in dit korte tijdbestek,
vanwege de relatie met de door u aan mijn collega van EZ gestelde vragen.