Vragen van de leden Mei LiVos en Wolbert (beiden PvdA) aan de Staatssecretaris van
Financiën over de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een in de thuiszorg
werkzame verpleegkundige (ingezonden 1 oktober 2014).
Antwoord van Staatssecretaris Wiebes (Financiën) (ontvangen 5 november 2014)
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Arnhem-Leeuwarden over een in de thuiszorg
werkzame verpleegkundige, die door de rechtbank wordt beschouwd als ondernemer voor
de inkomstenbelasting?1
Vraag 2
In hoeverre heeft deze uitspraak gevolgen voor de handhavingspraktijk van VAR-wuo’s2 in de zorg? Betekent deze uitspraak dat zzp’ers zorg in natura kunnen leveren via
een bemiddelingsbureau of via de thuiszorg?
Antwoord 2
Een dergelijke generieke uitleg geeft de Belastingdienst niet aan deze uitspraak van
het hof.
De berechte procedure had betrekking op een zorgverlener met vijf opdrachtgevers en
met een combinatie van zorg in natura, Persoonsgeboden budget en zorg aan particulieren.
Daarbij was de onderliggende vraag wat de kwalificatie van de inkomsten van de zorgverlener
voor de inkomstenbelasting was. Het hof komt tot de conclusie dat het geheel van werkzaamheden
van de belanghebbende winst uit onderneming vormt. Daarbij heeft het hof ondernemersrisico’s
onderkend. Ook vond het hof de stelling van de belanghebbende aannemelijk dat zij
niet verplicht was zelf de werkzaamheden te verrichten en zelf voor vervanging kon
zorgen. Een afzonderlijk oordeel over de kwalificatie van de AWBZ-zorg in natura is
door het hof niet gegeven, het was ook geen onderdeel van de procedure.
Deze procedure laat zien hoe de rangorderegeling in de Wet IB 2001 werkt. Voor kwalificatie
van inkomsten voor de inkomstenbelasting moet eerst worden beoordeeld of sprake is
van winst uit onderneming. Als dat niet zo is, wordt onderzocht of sprake is van loon
uit dienstbetrekking. Wanneer dat ook niet het geval is, komt resultaat uit overige
werkzaamheden aan de orde. De conclusie van het hof dat «de met haar werkzaamheden
in de thuiszorg behaalde inkomsten winst uit onderneming vormen», neemt niet weg dat
een opdracht waarbij sprake is van zorg in natura op zichzelf bezien een dienstbetrekking
kan vormen. Nu is voor de inkomstenbelasting het geheel van werkzaamheden eerst getoetst
aan de vraag of sprake is van winst uit onderneming, waarbij ook de inkomsten uit
de dienstbetrekking in de winst opgaan.
Dit betekent dat de uitspraak wel in vergelijkbare situaties geldt, maar niet voor
andere gevallen waarin zorg in natura wordt verleend. De VAR moet worden aangevraagd
voor dezelfde soort werkzaamheden die onder dezelfde condities worden verricht. Dus
voor de aanvraag en afgifte van de VAR kan met recht een onderscheid tussen zorg in
natura, zorg via een Persoonsgebonden budget of particuliere zorg gehanteerd worden.
De aanvraag van een VAR voor zorg in natura levert dan in de regel een VAR-loon op.
De kwalificatie voor de inkomstenbelasting kan anders uitvallen dan bij de afgifte
van de VAR, als de feiten anders blijken te zijn dan bij de aanvraag van de VAR is
gepresenteerd. Dat speelt bijvoorbeeld als op basis van de aanvraag een VAR-wuo is
afgegeven en later slechts sprake blijkt te zijn van één opdrachtgever en als ook
nog eens alleen zorg in natura blijkt te zijn verleend. Onder deze omstandigheden
wordt voor de inkomstenbelasting het standpunt ingenomen dat geen sprake is van winst
uit onderneming
Vraag 3
Wat betekent deze uitspraak voor zowel de nog actieve zelfstandigen in de zorg als
degenen van wie de VAR-wuo eerder is omgezet in een VAR-loon? Bent u bereid de groep
van 1.200 zzp’ers die eerder onverwachts een VAR-loon ontvingen, op korte termijn
alsnog een VAR-wuo te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Deze uitspraak naar aanleiding van de toetsing van de aangifte inkomstenbelasting
van betrokkene behelst het oordeel, of het geheel van werkzaamheden van een zorgverlener
kan worden betiteld als winst uit onderneming zoals dat in de aangifte was verantwoord.
Een VAR is een op aanvraag gegeven beschikking, dat wil zeggen VAR’s verstrekt de
Belastingdienst niet uit eigen initiatief. Bij de VAR-wuo afgifte gaat het om een
beoordeling vooraf van een bepaalde omschrijving van een voorgenomen werkzaamheid.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, geldt de uitspraak wel in vergelijkbare
situaties, maar bij lange na niet voor alle andere gevallen waarin zorg in natura
wordt verleend.
De groep van 1.200 zzp‘ers die een VAR-loon hebben ontvangen is in mei 2014 in een
brief van de Belastingdienst gewezen op de mogelijkheid om deel te nemen aan de pilot
van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De zorgverleners die wilden
meedoen in deze pilot konden een nieuwe VAR aanvragen. In het aanvraagformulier bij
de omschrijving van de werkzaamheden moesten zij invullen: «AWBZ-zorg op basis van
deelname aan de Zorgpilot». Zij hebben vervolgens een VAR-wuo gekregen met als omschrijving
van de werkzaamheden: «AWBZ-zorg op basis van deelname aan de Zorgpilot».
Vraag 4
Hoe verhoudt de uitspraak van de rechtbank zich tot de door de Belastingdienst gehanteerde
acht criteria voor ondernemerschap voor de inkomstenbelasting?
Antwoord 4
De criteria die in de jurisprudentie voor de beoordeling van ondernemerschap worden
aangelegd hanteert de Belastingdienst ook. Wet- en regelgeving en jurisprudentie vormen
de basis van het handelen van de Belastingdienst.
X Noot
2VAR-wuo: Verklaring arbeidsrelatie-winst uit onderneming