Vragen van de leden Van Hijum en Oskam (beiden CDA) aan de Minister van Veiligheid
en Justitie over de wijkagent als spilfunctie in het verbeteren van de veiligheid
in wijken en buurten (ingezonden 23 september 2014).
Antwoord van Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 29 oktober 2014)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 258
Vraag 1
Bent u daadwerkelijk van mening dat de wijkagent een spilfunctie vervult in het verbeteren
van de veiligheid in wijken en buurten?1
Antwoord 1
Ja, die mening ben ik toegedaan. De wijkagent is de vooruitgeschoven post van het
politieteam. De wijkagent is voor de burgers in de wijk het lokale gezicht van de
politie. Wijkagenten leveren een belangrijke bijdrage aan de handhaving van de openbare
orde en veiligheid en leefbaarheid in de samenleving. Een wijkagent vormt tevens een
belangrijk onderdeel van het lokale netwerk aan scholen, buurtbewoners, veiligheidspartners
en andere hulpverleners.
Vraag 2
Bent u zich bewust van signalen uit de uitvoeringspraktijk dat u deze ambitie in de
praktijk hooguit gedeeltelijk waarmaakt?2
Antwoord 2
Landelijk gezien voldoet de politie aan de wettelijke norm zoals deze is opgenomen
in de Politiewet 2012: gemiddeld is er ten minste één wijkagent werkzaam per 5.000
inwoners. De wijkagenten maken onderdeel uit van de basisteams en werken per 1 januari
2015 – behoudens vacatures – conform het inrichtingsplan Nationale Politie. In het
inrichtingsplan is de wettelijke norm als minimum aangehouden. Er wordt hard naar
toegewerkt om ook de vacatures te vervullen. Ik verwijs in dit verband ook naar het
antwoord op vraag 2 die het lid Marcouch (PvdA) op 11 augustus 2014 stelde (Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 3008).
Vraag 3
Kunt u concreet aangeven in welke basisteams de norm van 1 wijkagent per 5.000 inwoners
momenteel nog niet wordt gehaald? In welke basisteams zal het knelpunt ook met ingang
van 1 januari 2015 nog steeds bestaan?
Antwoord 3
De norm van 1 wijkagent per 5.000 inwoners geldt als gemiddelde per regionale eenheid.
Tussen basisteams en tussen gemeenten kunnen verschillen bestaan, afhankelijk van
de lokale veiligheidsbehoefte.
De verdeling van de wijkagenten binnen een eenheid wordt door de burgemeesters in
die eenheid gemaakt. In alle wijken is de politiezorg gewaarborgd. Voor een overzicht
van de gemiddelde norm per regionale eenheid verwijs ik u naar het antwoord op de
vragen 1, 2 en 3 die het lid Van Raak (SP) op 11 augustus 2014 stelde (Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 3007).
Vraag 4
Deelt u de mening dat ook de aanwezigheid van een (bemenste) politiepost kan bijdragen
aan veiligheid in de wijk? Wat is uw beleid ten aanzien van de fysieke bereikbaarheid
van wijkagenten? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling en spreiding van het aantal
politieposten dan wel veiligheidshuizen waarbinnen de politie participeert?
Antwoord 4
Die mening deel ik. De politie is bezig om in nauw overleg met het gezag het strategisch
huisvestingsplan uit te werken in relatie tot de dienstverlening door politie. Zichtbaarheid
en bereikbaarheid van de politie zijn kernpunten van de dienstverlening.
Voor wat betreft de fysieke bereikbaarheid van wijkagenten is van belang dat zij zichtbaar
aanwezig zijn in de wijk, praten met de mensen in de wijk en ontwikkelingen in de
gaten houden. Op welke wijze dit concreet vorm krijgt is mede afhankelijk van de lokale
context.
Voor de ontwikkeling en spreiding van Veiligheidshuizen verwijs ik u naar www.veiligheidshuizen.nl. De politie is zeer betrokken in deze netwerksamenwerking, die veelal gericht is
op een persoonsgerichte aanpak.
Vraag 5
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat een wijkagent in de praktijk bij de aanpak van
criminelen in de wijk ook daadwerkelijk ondersteuning krijgt van gespecialiseerde
politiediensten, zoals de recherche? Is er voldoende recherchecapaciteit beschikbaar
voor een gebiedsgerichte inzet?
Antwoord 5
Zoals gesteld, is de wijkagent de spil binnen het basisteam, die zaken aanpakt samen
met maatschappelijke partners, burgers in de wijk en met hulp van collega's uit zijn
team en waar nodig uit andere organisatieonderdelen.
Opsporing van veelvoorkomende criminaliteit is een van de taken van het basisteam.
Het basisteam wordt voor de gebiedsgerichte en probleemgerichte aanpak van veelvoorkomende
criminaliteit bijgestaan door de districtsrecherche. Doordat op elk niveau in de organisatie
recherche is ingericht, ontstaat een samenhangend stelsel dat leidt tot vergroting
van de slagkracht in de opsporing.
In de gebieds-, persoons- en probleemgerichte aanpak is de samenwerking tussen wijkagent
en rechercheur in veel gevallen een randvoorwaarde geworden. Dit betekent dat in de
praktijk beide «werelden» elkaar meer en beter weten te vinden.
Om te kunnen inspelen op incidentele wensen die de mogelijkheden van de basisteams
te boven gaan, is op districtsniveau flexibele capaciteit ingericht. Deze flexteams
hebben een omvang van ten minste 3% van de omvang van het district met een minimum
van 20 medewerkers. Kerntaak van het flexteam is het probleemgericht inzetten van
capaciteit ter ondersteuning van de basisteams. Binnen het flexteam kan zowel handhavings-
als opsporingscapaciteit worden ingezet. Zo kan de wijkagent in de basisteams ten
behoeve van de lokale probleemgerichte aanpak ondersteuning krijgen vanuit het flexteam.